Met stip het ergste van vakantie: thuiskomen

Nog één laatste ding over de vakantie. Weet je wat het ergste is van vakantie? Terugkomen. Eindelijk helemaal gewend zijn aan ontspannen en aan het buitenleven, aan de zon en aan uitslapen… En dan weer moeten werken.

Het ergste is niet de regen tijdens het kamperen, ook niet de wc-rol of de luidruchtige buurvrouw. Niet het feit dat half Nederland naar Frankrijk gaat, noch de 24 verschillende tentstokken. En nee, het ergste is ook niet dat je alleen maar stille seks kan hebben in een tent.

Niet de mensen die je irriteerden, niet de drukte in Parijs. Als mijn tas was gestolen, was dat niet eens het ergste geweest. Zelfs de file valt in het niet bij het ergste. Want alles behalve het ergste is een uitdaging: het geeft je het gevoel dat je op vakantie bent. Je kunt het overwinnen – of niet – maar je lééft.

Nee, het ergste van vakantie is als ze voorbij is.

Thuiskomen is alleen de eerste avond leuk. Dan denk je: ‘Fijn huis. Lekker groot zacht bed.’ Maar daarna is het helemaal niet meer leuk. De volgende ochtend moet alweer van alles. Thuis zijn betekent alle was doen en een stapel post met een aantal vervelende belastingbrieven openmaken. Het betekent dat je je agenda weer in gebruik neemt en deze volgeschreven is binnen een mum van tijd. Dat je moet werken en de kinderen weer naar school en crèche moet brengen. Vroeg opstaan, hectische ochtenden, niet meer samen met hen zijn. Hele dagen binnen zitten achter een computerscherm, in plaats van tussen wuivende bomen zitten of op het strand van de mondaine badplaats een zandkasteel bouwen. Beter nog: mosselen eten als lunch, met een fles wijn erbij. En daarna rozig van de wijn op het strand het zandkasteel bouwen. Als ik eraan denk, mis ik het zo erg dat het bijna pijn doet.

In Nederland – in het normale leven – zitten we gewoon allemaal binnen. Ik mis het buiten zitten tijdens mijn vakantie van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, zelfs als het geen mooi weer is. In Nederland krijg je de meeste dagen überhaupt niet mee wat voor weer het is geweest, hoe hard de wind was, of hoe fris de schaduw.

Ik mis ook het leven zonder krant, zonder mail en zonder sociale netwerken. Die plekken waar geen wifi was, maar slechts fonkelende draadloze sterren in een pikzwarte hemel. Ik mis de woeste Atlantisch Oceaan die prikt in je ogen en hard over je heen slaat, zonder dat het op Facebook staat. Ik mis de zon op mijn huid en het branderige gevoel die hij op den duur geeft, terwijl je tegelijkertijd niet op de hoogte bent van de situatie in Egypte. De tijd hebben om een boek uit te lezen, zonder dat je er iets intelligents over hoeft te zeggen via Twitter. Ik mis nu zelfs de spinnen en de mieren, de krekels, de wc-rol. Ik mis de luidruchtige buren op de camping: zij waren zo veel simpeler dan de mensen die ik hier op straat zie.

Op vakantie sta je niet in verbinding met het wereldwijde web, maar in verbinding met de wereld. De echte wereld, van spinnetjes. Waar onweer eng is, omdat je niet zeker weet of de tent heel blijft.

Er is iets voor te zeggen om helemaal niet op vakantie te gaan en je dagelijkse, stadse routine niet te doorbreken. Dan weet je tenminste niet beter.