Wie biedt kut-Marokkanen een alternatief?

Jaren geleden woonde ik met mijn gezin in een nogal groot huis – zeg maar villa – met toch tenminste een half voetbalveld qua tuin. Naast ons – dat was een geheim maar wel een publiek geheim – een blijf-van-mijn-lijfhuis. Die tuin was pakweg een kwart van de mijne.

Terwijl mijn twee zonen op ons eigen grondgebied konden oefenen op lange passes, moesten die tientallen kinderen naast ons het doen met een fractie van de ruimte. Voetballen was er in elk geval niet bij. Onder die kinderen bevond zich tenminste één etterbak; hij gooide voortdurend rotzooi over onze schutting. Over de schuttingheen probeerde ik hem – en later ook de leiding van het huis – erop aan te spreken. Dat resulteerde in nog meer rotzooi.

Toen verzon ik een list. De etterbak, een jongetje van de leeftijd van mijn zonen, had ik er ook op betrapt dat hij met veel belangstelling – om niet te zeggen jaloezie – over de schutting naar mijn voetballende zonen keek.

Toen er weer eens wat over de schutting vloog, vroeg ik hem of hij geen zin had om te komen voetballen. Opeens was hij een ander jongetje. Na verkregen toestemming van zijn moeder én de leiding van het huis maakte hij de overstap. Ik liet hem wel eerst zelf even aan onze kant zijn rotzooi oprapen, maar daarna deed hij mee, met mijn zonen. En niet alleen op het gras, ook gewoon bij ons in huis. Een schatje. Met een geschiedenis. En in elk geval geen ouders die hem de weg hadden kunnen wijzen. Hij was geen Marokkaan, eerder Oost-Europees.

Het probleem was opgelost, hij maakte een oversteek – die ik hem bood – en het gerotzooi was achter de rug.

Jaren geleden was er opeens de term kut-Marokkanen. De toenmalige Amsterdamse wethouder Rob Oudkerk, zelf ook niet bepaald van voorbeeldige moraliteit, vergoelijkte het nog door ze dan wel ‘onze’ kut-Marokkanen te noemen.

Gisteren zag ik bij Pauw & Witteman een discussie tussen – vooral – Jeroen Pauw en Brahim Bourzik van het Landelijk Beraad Marokkanen. Het werd ruzie, want ze spraken wel maar luisterden niet. Tegengestelde analyses aan beide kanten, maar geen van beiden een begin van een oplossing, anders dan in woorden. Toch had ik het meeste gevoel bij Bourzik, al denk ik dat hij gewoon de handen uit de mouwen moet steken. Op z’n Rotterdams: niet lullen maar poetsen.

Zo goed als we niet elke Nederlandse jongere kunnen redden – wat dacht u trouwens van die beelden van de bestorming van Cambuur-accomodatie door toch gewoon nogal autochtone Friese jongeren die op dat tijdstip gewoon op school of aan het werk hadden moeten zijn – kunnen we dat ook niet met elke Marokkaanse jongere. Maar een begin van een positieve uitdaging, een glimp van een levensvervulling, dat moet toch kunnen lukken. Als daar in het begin dwang bij nodig is, so be it. Want onder al die zogenaamde kut-Marokkaantjes zitten heel veel jongens zoals destijds achter mijn schutting.