Arjen Robben en een knipoog voor de paus

Ik heb het niet zo op mannen die knipogen. Ze zijn me te zeker van hun zaak.

Gisteren was Arjen Robben bij de paus. Niet in z’n eentje natuurlijk, je gaat eigenlijk nooit in je eentje naar de paus. Ik niet, tenminste. Arjen ging met z’n teamgenoten van Bayern. Ze waren toch al in Rome, want ze hadden de avond ervoor AS Roma in het eigen stadion vernederd op een manier die zelfs de meest hardvochtige SM-meesteres wel wat cru zou vinden.

Nummer 1
Op de een of andere manier past dat bij Arjen Robben. De meeste mensen gaan bij de paus op audiëntie, boeken een retourtje Rome, maken zich drie maanden zenuwachtig en worden na een halfslachtige aanraking door een oude man in een jurk weer huiswaarts gestuurd, dolgelukkig. Arjen Robben niet. Arjen Robben laat het Vaticaan bellen en zegt: ik ben dan en dan in de buurt, kan ik langskomen voor een bakkie, of wat sterkers? En dat de agenda-kardinaal dan enorm gaat zitten schuiven met kappersafspraken en pedicuremomentjes om Arjen Robben uit Bedum maar te kunnen ontvangen.
De paus als tante Hannie.

Eerst was er een shirt voor de paus. Lahm en Neuer kwamen met een ingelijst shirt met z’n eigen naam aanzetten. Dat zie je wel vaker, dat beroemde mensen van voetballers een ingelijst shirt krijgen met hun eigen naam. Waarom toch? Wat zegt dat over hoe ze bij Bayern over de kerkvader denken? De gemiddelde persoon die een voetbalshirt van hun favoriete club aanschaft, is elf jaar. Mensen die een shirt van hun lievelingsclub kopen met hun eigen naam op de rug zijn over het algemeen nog jonger. Je ziet de uitzonderingen ook wel eens, in stadions, of gewoon op straat: volwassen kerels met een Ajax-tenue – sowieso al tricky, want de pasvorm van zo’n shirt is meestal berekend op een afgetraind jongemannenlichaam, zonder die extra kantoorkilo’s rond het middel – met nummer 9 en erboven ‘Hazeldijk’ of ‘Van den Tillaart’. Je zou het de voetbalvariant kunnen noemen van op de foto gaan met een kartonnen Obama, of met Pardoes van de Efteling.
(Veel voetballers die bij de paus op bezoek gaan, geven hem een shirt cadeau. Dat komt omdat hij de meeste andere dingen al heeft).
Bovendien gaven Lahm en Neuer (of de assistenten van Lahm en Neuer) de paus een shirt met nummer 1 cadeau. Hoe weinig moet je van voetbal houden om niet te weten dat het nummer 1 voor de keeper is en dat de keeper geen normaal tenue draagt, maar een eigen ensemble in vloekende kleuren?
(En dan nog iets: wie hangt er nou een voetbalshirt aan de muur waar hij nooit in heeft gespeeld? Stel dat de paus een keer een meisje mee naar huis neemt – ik zeg “stel” – en ze ziet dat shirt aan de muur. Wat zegt hij dan? Verzint hij een verhaal over zijn Bayern-verleden of vertelt hij eerlijk dat twee jongens van nauwelijks dertig jaar dachten hem een plezier te doen met een shirt met z’n eigen naam, een shirt dat hij vervolgens nog opgehangen heeft ook, recht boven het pauselijke hemelbed?)

VATICAN-POPE-BAYERN MUNICH

Geheim knipoogverbond
En toen kwam Arjen Robben.
Een hand en een knikje. Prima.
En toen: die knipoog.
Knipogende mannen proberen altijd een soort geheim verbond met je te sluiten. Wanneer een serveerster met een openvallend shirt over je tafeltje leunt om de koffie neer te zetten en je niet anders kunt dan kijken naar wat er wordt vertoond, is er altijd wel een man in de buurt om je een knipoog te geven. Scheidsrechters zijn knipogers, mannen met een bepaald soort glimmende boten ook. En hoe reageer je eigenlijk op een knipoog? Glimlach je? Knipoog je terug? Doe je niets? Hoe zeg je, woordeloos: prima dat jij een verbond met me probeert te sluiten, maar ik sla even over?
Het zijn die dilemma’s waar je je als columnist in een razendsnel veranderende wereld voor gesteld ziet.
Ik besloot te kijken hoe de paus het deed.
De paus weet tenslotte alles, anders zou hij natuurlijk geen paus zijn.
Robben knipoogde en de paus knikte vriendelijk, schudde zijn hand een paar keer stevig op en neer en deed of hij die hele knipoog niet had opgemerkt.
Ik begreep dat wel.
De paus had z’n shirt al binnen, zijn dag was al goed.