De dromen van Thomas Dekker

Opeens zat ie daar, Thomas Dekker. Aan tafel bij De Wereld Draait Door, daar waar sporters welkom zijn als ze glorie of misère te melden hebben. Even was ik bang dat hij bekend ging maken dat zijn loopbaan voorbij was. Het haar was te lang, de blik te ontspannen. Hij leek gelukkig. Verlicht.

Maar Thomas Dekker stopte niet. Of toch wel? Hij ging het werelduurrecord aanvallen. Voor hij dat trots kon vertellen, moesten de kijkers eerst even bijgepraat worden over wat een werelduurrecord voor iets was. Het was kortom geen mededeling waar iedereen steil van achterover sloeg.

Waarom, wilde Matthijs van Nieuwkerk weten.
Ja, waarom eigenlijk?
Omdat Dekkers contract niet verlengd werd, en omdat hij nog teveel lol had in fietsen. Hij had met z’n ploeg de laatste maanden veel gewonnen, dat had deugd gedaan.
Zoiets.

Een halfjaar geleden ging ik op bezoek bij Thomas Dekker.
Het was een maartse dinsdag, ergens waar iemand ooit het woord ‘lommerrijk’ voor uitvond. België, op twee demarrages van de Nederlandse grens.
Thomas Dekker was niet thuis. De villa die we kenden van de foto’s, uit de documentaires en uit de verhalen rees stug en zwijgend voor ons op. De gordijnen waren gesloten, de oprit – met de lengte van een forse winkelstraat – lag er verlaten bij.
Hier, in dit kasteel in een straat vol belastingvluchters, was de Tourdroom van Thomas Dekker opgesloten in de torenkamer.
En toen, in de verte: het geronk van een autocoureur met haast.
Wat volgde was een beeld dat ik tot dat moment alleen uit tekenfilms kende: vogels die opvlogen, een stofwolk, een racewagen en een jongen in een joggingbroek.
Die middag spraken we over van alles en nog wat, over het verleden en over de toekomst. Bij het heden stonden we maar kort stil, want daar viel weinig over te zeggen.
Terwijl we spraken, belegde Thomas Dekker een boterham met kaas.
Op de koffiekopjes stonden racefietsen.
‘Dit jaar moet het gebeuren,’ zei hij.
‘Wat?’ vroeg ik.
‘Het,’ zei Thomas Dekker.
Hij sprak het over het gevoel. Het gevoel dat hij verloren was toen de dopingjagers hem bij kop en kont hadden gegrepen en hem van de Olympus naar beneden hadden gegooid.
Sindsdien was hij een sterveling. Een sterveling met een kast van een huis, miljoenen op de bank en een kop als een rockster, maar toch: een sterveling.
Stervelingen zijn niet onoverwinnelijk.
Er is niets mis met sterveling zijn, behalve als je ooit een god bent geweest, een jonge god bovendien. Dan zijn er leukere carrièremoves denkbaar.
Die dag in maart droomde Thomas Dekker dat hij alsnog god kon worden. Dat zijn loopbaan slechts een intercity was die een tijdje in een weiland had gestaan en daarna nog een tijdje achter een stoptrein had gezeten, maar ieder moment weer op toeren kon komen.
Dat zijn geluk vanzelf wel zou terugkeren, als een kat die een tijdje vermist is maar uiteindelijk altijd de weg naar huis weer vindt.
Dat het allemaal nog goed zou komen.

Bilnaad in zwart-wit
Een paar maanden na ons gesprek zat Thomas bij Knevel & Van den Brink, vers afgestapt uit de Giro.
Waarom hij was afgestapt, vroeg Tijs van den Brink.
Het was belachelijk koud geweest, lachte Thomas Dekker. Het was de lach van iemand die de waanzin van z’n eigen beroep heeft doorgrond. Moet je nooit doen, als wielrenner, je beroep doorgronden.
Vorige maand stond Thomas nog op de voorkant van het Volkskrant Magazine.
Het stond er niet bij, maar het leek een afscheidsinterview, met heel artistieke foto’s van Stefan Vanfleteren erbij. Op een van die foto’s konden geïnteresseerden het bovenste deel van de bilnaad van Thomas Dekker bekijken, in zwart-wit.

Gisteren, bij De Wereld Draait Door, zei hij: ‘Op een gegeven moment verlies je toch je glans.’ Het klonk bikkelhard, zo hard als hij ooit voor zichzelf geweest was als hij op de fiets zat.
Hoe het precies zat met dat werelduurrecord, bleef schimmig. Wel duidelijk was dat het de bedoeling was dat er zich nog wat sponsors zouden melden.
De belangrijkste tactiek om het record binnen te halen was om eerder te zijn dan Cancellara en Tony Martin.
De dromer Thomas Dekker is definitief een realist geworden. Jammer voor de sport, maar misschien maar beter voor Thomas Dekker zelf.