De Jezusclub van tante Jozie en landen waar je als atheïst beter niet kunt wonen

Toen mijn dochter klein was hadden haar vader en ik, op weg naar school, een keer woorden in de auto. Mijn dochter zat achterin, samen met haar broer. De ruzie ging nergens over maar liep desondanks hoog op. Op een gegeven moment zette mijn ex de auto aan de kant en stapte uit. Ik keek achterom, mijn dochter zat met wit gebalde vuisten en dichtgeknepen ogen een trauma voor het leven te ontwikkelen. Althans, dat leek zo.

Niets bleek minder waar. Toen mijn ex na een tijdje ijsberen de auto weer instapte en mij een knuffel gaf, zette mijn dochter het op een verontwaardigd roepen. Ja, hallo! Of wij wel wisten wat we haar hadden aangedaan? Mijn ex en ik probeerden haar te troosten. Het speet ons verschrikkelijk, echt, ruzie maken met kinderen erbij was verwerpelijk, dat wisten wij best, we waren toch geen zwaksocialen, godbetert. Ach nee, riep het kind ongeduldig, dat bedoélde ze helemaal niet. Er waren hier hogere zaken in het spel. Het bleek dat ze op de achterbank verwoed tot God had zitten bidden. Of papa en mama alsjeblieft konden ophouden met ruziën, omdat ze anders te laat op school kwam. En dat, als God dit binnen twee minuten voor elkaar wist te krijgen, ze zou geloven voor de rest van haar leven.

Ik kwam niet meer bij van het lachen. Mijn dochter had namelijk van kleins af aan, naast een takkenhekel aan te laat komen, een ingeboren takkenhekel aan alles wat met religie te maken had.

Tante Jozie en de Jezusclub
Een paar maanden later ging ze spelen bij een vriendinnetje. Deze had haar meegenomen naar een vrouw in de buurt, tante Jozie. Er zaten nog meer kinderen bij tante Jozie in de kamer, stilletjes op de bank. Dat vond mijn dochter raar. Tante Jozie begon te vertellen. Dat als je geloofde in Jezus, het lantaarntje in je hart ging branden. Een kind had gevraagd wat er gebeurde als je niet geloofde. Dan bleef het voor altijd donker in je hart, had tante Jozie geantwoord. Het jongetje was gaan huilen. Hij wilde naar huis. Dat mocht niet van tante Jozie. Hij moest blijven en het verhaal aanhoren van ongelovigen die brandden in de hel. Toen mijn dochter thuiskwam liep ze uren te mopperen over die ‘kutjezusclub’, met hun ‘kutlantarentjes’.

Rechten atheïsten onder druk
Daar moest ik allemaal aan denken toen ik het zojuist gepresenteerde rapport van de IHEU (Internationale Humanistische en Ethische Unie) las over de rechten van atheïsten in de wereld, en dat deze bijna overal zwaar onder druk staan. Slechts vijf landen verdienen volgens het rapport het predicaat vrij en gelijk: Nederland, België, Sierra Leone, Kosovo en Taiwan. Een verrassend rijtje. Nog verrassender is dat democratische landen als Denemarken, Duitsland, Italië en IJsland rood (ernstige discriminatie) gekleurd zijn. Rusland, Turkije, Algerije, Birma en Maleisië zitten in deze zelfde categorie. Op 9 december werd het rapport door Boris van der Ham gepresenteerd aan de Tweede Kamer en de regering. Voorafgaand organiseerde het Humanistisch Verbond een demonstratie langs de ambassades van Pakistan en Saoedi-Arabië, twee landen waar afvalligen en blasfemisten nog de doodstraf riskeren.

Vrijheid, een zeldzaam goed
Intussen is mijn dochter wat milder in haar oordeel en onze (ongelovige) lantarentjes fikken nog altijd vrolijk als de hel. Wij leven in vrijheid en worden niet gediscrimineerd, iets wat ik eigenlijk altijd vanzelfsprekend heb gevonden. Nu echter, na de conclusie van het rapport te hebben gelezen, ben ik mij er zeer van bewust dat dit helaas niet overal zo vanzelfsprekend is.

Hoe het met mijn dochter afliep? De avond na het bezoek aan tante Jozie vond ik haar op bed, piekerend over het wel of niet aanwezige lantaarntje in haar hart. Ik heb haar net zolang geknuffeld tot we allebei licht gaven. Mijn dochter heeft nooit willen zeggen waar dat mens woonde. Waarschijnlijk vermoedde zij (terecht) dat ik het lantaarntje van tante Jozie ergens zou laten verdwijnen waar het heel, heel donker was.