‘Poëzie om te proeven’: Anneke Brassinga ontvangt P.C. Hooft-prijs 2015

Dichter Anneke Brassinga (Schaarsbergen, 1948) heeft de P.C. Hooft-prijs gekregen voor haar gehele oeuvre. Dit maakte het bestuur van de Stichting P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde bekend. De prestigieuze oeuvreprijs is dit jaar bestemd voor poëzie en zal op 21 mei 2015 feestelijk worden uitgereikt in het Letterkundig museum. Aan de prijs is een geldbedrag van 60.000 euro verbonden.

De jury, bestaande uit Wim Brands, Rozalie Hirs, Anja de Feijter, Erik Lindner en Maaike Meijer, schrijft in haar rapport: “Wie de gedichten van Anneke Brassinga leest, stapt binnen in een geestverruimend heelal van taal. In elk gedicht openen zich onvermoede vergezichten van zeggingskracht. De taal wordt omgekeerd, uitgekleed en weer opnieuw uitgedost totdat alle registers die er ooit in voorgekomen zijn weer meedoen. Deze dichter is werkelijk overal geweest, in talloze literaturen, tradities en milieus, van academie tot markt, straat en kroeg. Met kennelijk genot (her)gebruikt Brassinga bijna vergeten of in onbruik geraakte woorden, die in haar gedichten opnieuw worden geproefd en gesmaakt. De liefde voor de onuitputtelijke mogelijkheden van taal in poëzie is de constante van haar werk.”

Dichter en vertaler
Brassinga debuteerde in 1987 met haar bundel Aurora. Ze ontving meerdere prijzen, waaronder de Herman Gorterprijs (voor haar bundel Landgoed), de VSB-poëzieprijs (voor Verschiet) en in 2008 de Constantijn Huygensprijs (ook een oeuvreprijs). Brassinga is naast dichter ook vertaler. Voor haar vertaling van Nabokovs The Gift kreeg zij de Martinus Nijhoff-prijs toegekend, die zij weigerde vanwege een boycot van een groot aantal vertalers, waardoor de jury slechts kon kiezen uit een klein groepje kandidaten.

Onalledaagse woorden
Ik vroeg mij af wat ik, als dichter, van haar werk vind. Daar moest ik even over denken. Het was tenslotte alweer een hele poos geleden dat ik haar poëzie las, en het leek mij een mooie gelegenheid om dit goed te maken. Wat mij direct (weer) opviel was haar liefde voor de natuur, haar muzikale taalgebruik en haar liefde voor onalledaagse woorden. Liefdes die ik onvoorwaardelijk deel. Ik houd van de manier waarop zij bestaande woorden uit hun dagelijkse context haalt, ze door een soort van lyriekmachine trekt, om ze vervolgens getooid met een geheel nieuwe betekenis in een nieuwe wereld te plaatsen. Dat dartelen met taal, de onbevangenheid die daaruit spreekt, vind ik ontroerend.

Zuiver geweten
Tijdens het lezen van een aflevering over Brassinga in de serie ‘In het hoofd van de dichter’ werd ik door een zelfde soort ontroering bevangen. Zij schreef in een brief: ‘schrijven is modderen, en het lukt alleen, het durven modderen, als je een min of meer zuiver geweten hebt’. Verdomd, dacht ik, zo is het. Kunst bedrijven, schrijven, werkt alleen als je bereid bent om vanuit een ‘blanco’ staat van zijn te werken. Als je bereid bent alle oordelen, vooroordelen, bedenksels, voorgestanste ideeën prompt te laten vallen. Een eerste moedige stap te zetten in het grote onschuldige Niets. Bij elk gedicht, prozastuk of kunstwerk opnieuw.

Misschien filter ik er een betekenis uit die de dichter helemaal niet bedoeld heeft hoor, maar wat maakt het uit. Dat is (ook) het mooie van poëzie. Dat iedereen vrij is de inhoud te interpreteren naar gelang het hem of haar belieft.

Poëzie om te proeven
Tijdens het schrijven van dit stukje mailde ik met Koen Vergeer, poëziecriticus. Ik vroeg of hij nog een leuke anekdote voor mij had; hij schreef immers regelmatig over haar werk. Die had hij niet. Wel vond hij het mooi en zeer terecht dat zij de prijs gekregen heeft, vanwege haar taalspel, taalgenot, haar humor ook (maar wel op z’n ingewikkelds). ‘Poëzie om te proeven’ schreef hij in 2011 in Ons Erfdeel, over de verzamelde gedichten van Brassinga.

En zo is het. Goede poëzie moet je proeven, vreten, innemen tot je barst. Dus, gaat u allen lezen. Eet smakelijk!