Hoe staat úw AH moestuintje er inmiddels voor?

De moestuintjesactie van AH is alweer een tijdje afgelopen. De meeste vensterbanken in Nederland staan inmiddels vol met teergroen loof. Of niet. Want op Facebook zag ik laatst een foto van 15 nooit opgekomen moestuintjes met verbaasd commentaar ernaast. Moest je die wit papieren matjes niet weggooien dan? Wát, zaten dáár de zaadjes in?

Niet iedereen heeft groene vingers, zo blijkt. De moestuintjes van mijn dochter en mij doen het echter redelijk. En dat terwijl niemand ons ooit op een activiteit heeft kunnen betrappen waar zand en zaden mee gemoeid zijn. De bakjes staan de ganse dag in de zon boven een loeiwarme kachel te stoven, en het frisse groen tiert welig boven het turf uit. Laatst besloten we dat het tijd werd om ze te verpotten.

Potgrond uit 2002
In de schuur stond nog een zak potgrond uit het jaar 2002. De kleur was veranderd van zwart naar lichtbruin, maar daar zagen wij geen kwaad in. We sleepten wat oude potjes naar de tuintafel, vonden een scheefgebogen schepje zonder handvat waar ‘Garden’ op stond en voelden ons helemaal echt. Toen verpestte ik het een beetje met dom oudergeklets. Dat dit een memorabel moment was. Je eerste eigen moestuin, bladibladiblo. Dochter (18) vroeg of ik wel goed bij mijn hoofd was. Gelukkig ging de telefoon.

Muizenskelet
Even later hoorde ik een ijselijke gil uit de tuin komen. Dochter stond als bevroren naast de tuintafel. Er viel iets uit haar hand en ze rende naar binnen, naar de kraan en waste 300 keer haar handen. Er bleek een muizenskelet in de zak te zitten. En daarna in haar hand. Er zaten nog stukjes aan. Kleverige oorschelpjes misschien, half weggerotte muizenknietjes, ze wist het niet. Ik gilde mee. En was stiekem blij dat het mijzelf niet overkomen was. Moederliefde kent zijn grenzen.

Dooiemuizenzand
Uiteraard durfden wij daarna niet meer naar buiten. De hele tuin was muizenskelet geworden. Ik probeerde mezelf ervan te overtuigen dat ik groter was dan die muis, dat ik me niet zo moest aanstellen, en dat het goede mest voor de plantjes was, zo’n rottend skelet in het dode zand. De volgende dag viste ik op de tast het muizenskelet uit de tuin en smeet al het dooiemuizenzand samen met het AH-groen in potten. Het wachten is nu op de eerste kromme wortel, die zich om een stukje muizenbot heeft gevouwen.

Violen en Heidegger
Daarna ging ik op bezoek bij mijn zoon (21), in Amsterdam. Hij heeft daar een tuintje en ik bracht violen voor hem mee. Hij zette ze in een zinken bakje met een harkje eraan en we gingen in de zon zitten. Ik met een platenhoes van Francis Goya op mijn schoot en zoon met Heidegger. Dat moest hij leren, voor school. Er stapte een reiger voorbij. Wat eet zo’n beest hier nou eigenlijk, vroeg ik. Mijn zoon wist het niet. Heb je nog iets leuks meegemaakt, vroeg ik. Dat had hij. Hij was naar een spontaan concert van de Kift geweest, in het Maagdenhuis. Ook was hij laatst uit zijn werk langs de Spuistraat gekomen, terwijl de Tabakspanden werden ontruimd. En dat het zo jammer was dat het Slangenpand weg was.

Een naakte vrouw in een cavia
Hij ging er weleens naar de film. Ene Jeffrey hield dan een toespraak. Die toespraak was bijna mooier dan de film zelf. En nu was dat weg. Nou ja, je kon nog naar filmhuis de Cavia, maar daar draaiden ze wel hele leipe shit. Laatst was er een film met een naakte zwarte vrouw die met haar handen op haar rug twee uur stond te piepen. Als een cavia? vroeg ik. Dat was een dom grapje natuurlijk. Maar zoon keek me aan en lachte een hele lieve lach. Zoals je naar een bejaarde lacht, die vrolijk naar een eend kijkt. Daar werd ik heel gelukkig van. Ik vroeg aan zoon of hij gelukkig was. Weer die lach. “Mam, dat is best een onmogelijk vraag voor iemand die filosofie studeert.” En daar had hij natuurlijk gelijk in.