De snor van John, Jezus lek en een strook kasseien voor Greg Van Avermaet

Nadat een verzorger als een archeoloog de stoflaag onder een BMC-helm had weggebikt, kwam daar langzaam de fossiele frons van Greg Van Avermaet tevoorschijn. De wenkbrauwen diepten midden op het voorhoofd een geul uit waar in de loop der jaren al vele zekere klassiekerzeges spoorloos in verdwenen waren.
Toen Greg weer min of meer toonbaar was, leunde hij voorover tot zijn mond op een groene Sporza-microfoon botste en lispelde alle Greg-fans in het oor dat het nu eenmaal niet harder ging. En dat was dan min of meer dat.

Het begon anders.
Het begon veelbelovend.
Het begon met de vriendin en met mij.

Het decor
De vriendin en ik fietsten de klassieker Utrecht-Hilversum. De benen waren goed, de storm stond in de rug en we reden kop over kop.
Ter hoogte van Maartensdijk doken we onder twee sluitende spoorbomen door, de sprinter naar Weesp en Leiden en dan vermoedelijk verder naar Reykjavik toeterde hautain, maar wij namen nu eens de voorrang terug die de Spoorwegen lang geleden op een tamelijk kinderachtige manier hebben afgedwongen door overal elektrische slagbomen te planten. De vriendin kopte de spoorboom terug omhoog, een zanikende voorbijganger met een hond riep nog iets over regels zijn regels, maar we hoorden het al niet meer. Voort blies de wind ons, van Tienhoven naar Maartensdijk. In de buurt van Hollandsche Rading reed de vriendin in volle vaart het decor in. Het bleek het decor van een openluchtvoorstelling van toneelvereniging De Shakespeariaantjes uit Maartensdijk, er was weinig meer van over. Als de vriendin het decor in rijdt, doet zij dat met overgave.
En verder ging het, over de kasseien van het fietspad van de Kerkstraat, over het vals plat in de villawijken van Hilversum. Daar, op een bankje ter hoogte van een boog van de laatste tien kilometer, ravitailleerden we, de vriendin en ik.
Twee boterhammen met pindakaas op een bankje later keerde zij terug, zij had haar spreekwoordelijke ballen er voor mij afgedraaid en ze zelfs met een zeker genoegen op een van de zware stroken achtergelaten, maar nu was het mooi: ze keerde om en ik reed door, richting de finish, die bij de garage van mijn ouderlijk huis getrokken was.
Ik was de enige finisher. Als er in Roubaix minder dan vijftig finishen, is het een hellekoers geweest. Utrecht-Hilversum 2015 kende slechts een overlever, en Mijn God: wat zag hij er nog fris uit.

Eenmaal voor de televisie – naast mijn vader, die bijna nooit een klassiekerwinnaar naast zich op de bank heeft, maar net deed alsof het allemaal niks voorstelde – zag ik nog net hoe Stijn Devolder over de kasseien werd gesleept als een kind op weg naar de kaakchirurg. Even verderop verdween Lars Bak in een grachtje, een grachtje waar een oudere heer stond. De heer droeg laarzen, maar je kon zien dat het niet van harte ging. Waarschijnlijk speciaal voor Parijs-Roubaix aangeschaft, die laarzen, omdat hij gelezen had dat het er nogal modderig kon worden. Dat er ook Denen tegen je aanreden, als je doodgemoedereerd je eigen business stond te minden in een grachtje, dat hadden ze hem er niet bij verteld. Anders had ie wel een harnas aangeschaft, die heer met die laarzen. Nu kukelde hij achterover, het akkermanse land in. Even bleef hij versuft liggen, alsof er net uit het niets een Bak tegen hem aangekoerst was. Toen stond hij op, nog wat onvast op de laarzen. Zijn plekje in het grachtje was inmiddels ingenomen. Ook dat is Parijs-Roubaix.
Karl Vannieuwkerke riep: “Jezus lek!’”
Het bleek mee te vallen: het was Jezus niet, Jezus zat nog gewoon in het peloton. Maar de implicatie was duidelijk: er ging iets gebeuren.
De race ontrolde zich steeds meer als een wat duffige kopie van Utrecht-Hilversum. Parijs-Roubaix 2015 deed een beetje denken aan een willekeurig kinderspeelplaatsspel: iedereen mocht ‘m even zijn, maar niet te lang, want iedereen moet aan de beurt komen.

Greg
Tot het de beurt was aan Greg Van Avermaet.
Greg Van Avermaet koerst niet om te winnen, hij koerst om te koersen. Hij fietst en fietst en fietst, tot hij – en dat is meestal dicht bij de finish – niet meer kan. Ik zag Greg Van Avermaet weer wegfietsen en moest aan de vriendin denken. Ze leken op elkaar, al kon ik er niet meteen de vinger op leggen hoe ze dan op elkaar leken; de overeenkomsten lagen niet meteen voor het oprapen. Misschien, dacht ik, terwijl ik de naam ‘Lampaert’ in de archiefkast in mijn hoofd in het overvolle laatje vol “coureurs die niet volle bak met Greg hebben willen meerijden” probeerde te proppen, kwam het omdat er eigenlijk maar twee mensen waren die ik nu eindelijk wel eens een klassiekerzege gunde: de vriendin en Greg.
Achter Greg maakte John Degenkolb zich los uit de achtervolgende troepen. John Degenkolb wordt algemeen beschouwd als de sympathiekste renner van het peloton, maar daarvoor wint hij toch echt te veel. Een renner die de ene Vuelta-etappe na de andere wint, en die Milaan – San Remo wint, en die Joost mag weten nog allemaal zal gaan winnen, die heeft makkelijk sympathiek zijn. Ja, die lacht wel, die kun je gerust aan een populariteitswedstrijd laten meedoen. Wint ie ook. Met Greg als derde. En dat vind ik dan weer ontzettend sympathiek.
Degenkolb kwam, zag en ja, uberherrschte de hele verdere slotfase van Parijs-Roubaix 2015. Het is natuurlijk ook een naam die klinkt als een klok, John Degenkolb. Een naam als iemand die vier keer heel hard op een lege kruiwagen slaat, dat is het. En dan die snor, die daar tussen neus en lippen door staat te balanceren op de grens van wansmaak en groots modebewustzijn: klasse.
Ja, met John Degenkolb is eigenlijk niks mis, en dat is precies wat er mis is met John Degenkolb. De koers was goed, de sprint was goed, de snor was goed en na de koers ging hij heel veel bier drinken met zijn ploegmaats: ook al erg goed.
Tegen zoveel goedheid kon Greg Van Avermaet niet op. Hij kreeg geen kassei, hij kreeg niet eens een kiezel voor zijn zoveelste ereplaats. Het gaat niet om ereplaatsen, zeggen ze dan, de tweede is de eerste verliezer. Wie die theorie volgde, begreep dat Greg (derde) zelfs bij de verliezers tweede geworden was.
Wie die theorie volgde, zou kunnen beweren dat de vriendin Utrecht-Hilversum net zo goed niet had kunnen rijden.

Cijfertjes
Het heeft iets droefs, die obsessie met de nummer 1. Renners zelf hebben dat, maar fans zouden beter moeten weten, fans kijken niet de hele middag naar een uitslagenblad, maar naar een wedstrijd, naar een schouwspel. De uitslag is slechts de objectieve en volstrekt fantasieloze weergave van de miljoenen verhalen die iedereen die Parijs-Roubaix 2015 keek, aan zichzelf vertelde.
Na afloop, op dat binnenplein van de wielerbadkuip van Roubaix, stond Lars Boom al met een blikje bier in z’n hand. Meneer Van Dalen van Administratie die om drie uur al stiekem aan de vrijmibo is begonnen, dat beeld.
Lars Boom zei: “Vierde. Da’s op zich jammer, maar we hebben volgens mij een heel mooie koers gereden.” Lars Boom, die een jaar lang aan weinig anders denkt dan Roubaix. Lars Boom, die droomt in kasseistroken. Die Lars Boom zei gewoon dat hij blij was met de mooie koers en liet zich het bier smaken.

Nog weer later, in een of andere motellobby van een of ander Noord-Frans zelfmoordoord, zat Greg Van Avermaet in een fauteuil en zei tegen de Sporza-verslaggever, de kijkers, de wereld en tegen zichzelf dat hij ervan uitging dat hij ooit nog wel een keer een grote klassieker zou winnen.
Het deed me plezier om te horen, al zou ik persoonlijk nog vier keer top-5 nog mooier vinden. Uitslagen zijn cijfertjes, en cijfertjes leven niet. Volgens mij – maar wat weet de winnaar van Utrecht-Hilversum 2015 ervan – gaat het om de koers, om het verhaal, om de lol. Dat houd ik ook de vriendin voor, want – tussen ons gezegd en gezwegen: ik zie haar de komende jaren niet meteen een grote klassieker winnen.