Blijven zitten en vrouw zijn

Op vakantie stelde mijn vriend voor om een avond te komen kijken. Hij was dan graag op zee met zijn surfboard, omdat het tij ’s avonds het beste was. Het was een mooie, heldere avond die een mooie zonsondergang beloofde.

Wij gingen iets later, we gingen wandelen. Bij het strand aangekomen, zagen we ze al liggen: surfers, achter de branding op hun surfboard in zee. Ze zagen er uit als een roedel zeehonden, of dolfijnen. Je kon ze nauwelijks van elkaar onderscheiden, allemaal droegen ze ongeveer hetzelfde zwarte pak. Kleine zwarte figuurtjes in de verte. Ze dobberden en peddelden over de deinende zee, in de buurt van elkaar, op een specifieke plek. Turend naar de horizon lagen ze daar rustig te wachten op het juiste moment. Het moment suprême. Het moment om een golf te pakken.

We liepen naar een grote steen vanwaar we goed over de zee konden kijken, en naar de zon, die langzaam zakte. Op de steen zat een jonge vrouw een boek te lezen. Mijn kinderen waren erg druk en ik dacht te merken dat het meisje kribbig was. Ik was bang dat mijn drukke kinderen haar zonsondergang verpestten.
Toen zag ik dat ze druk zwaaide en seinde naar de roedel zeehonden op surfboards in de verte, blijkbaar had ze daar, net als ik, een vriendje. Ze gebaarde met haar armen in de lucht dat ze naar huis wilde. Of dat hij moest komen, dat kon ook.

Even later op het strand merkte ik nog een jonge vrouw op die zat te wachten op haar vriend in zee. Ik schaamde me een beetje dat ik zelf ook een onderdeel was van dit cliché: de mannen waren op zee, stoere dingen aan het doen, de vrouwen en kinderen zaten aan de kant en wachtten op hen. Innig wenste ik op dat moment dat mijn twee dochters die ik bij me had, later niet op de kant zouden zitten, op een man wachtend, maar dat zij later zelf daar in die zee zouden liggen. Dat zij meisjes zouden worden met dezelfde avonturendrang die traditioneel aan mannen wordt toegeschreven. Dat zij liever zouden surfen dan een boek lezen. Ergens wenste ik natuurlijk ook dat ik er zelf lag. Dat ik niet vast zat aan een kluitje kinderen, maar dat ik zelf mocht dobberen, hoewel ik nog niet echt goed genoeg surfen kan om zo ver de zee op te komen.

De zon werd steeds roder in een steeds mooier wordende, blauwe hemel, en zakte langzaam. Iedereen en alles in de omgeving werd door het gedimde licht uitzonderlijk knap. Meeuwen vlogen onrustig in en uit de branding, om de vissen uit de schemering te vangen. En ineens begreep ik ook dat het surfen tegen avondschemering misschien helemaal niet alleen om het surfen ging. Hoe erg ik het ook vond dat wij onderdeel waren van het cliché, dit cliché was precies de reden dat mijn vriend daar graag lag. Alleen.
Alleen, rustig.
Op zo’n magisch moment, op een board dat fungeerde als een klein bootje. Hij lag daar middenin de eenzame uitgestrektheid en hij genoot. Het moest wel een ultiem gevoel van vrijheid geven om daar te liggen.
Behalve dat ik jaloers erop was, vond ik het ook sexy.
Het beste was toch om me neer te leggen bij dit lot, vrouw zijn, kinderen hebben. Hier zitten. Vastzitten maar wel met prachtig uitzicht. Vastzitten aan dit lot en dit lichaam ondanks de ingewikkelde, geëmancipeerde gedachten die ik er over had maar niet kon uitvoeren of waarmaken. Blijven zitten en vrouw zijn.

Op de pier verderop stond een bruidspaar klaar voor een fotoshoot. Het bruidje had een lange witte jurk aan, ze was op blote voeten. De bruidegom was in pak. Voor de foto droeg hij zijn surfboard. Blijkbaar trouwde hij niet alleen met zijn vrouw, daar, op de pier, bij de ondergaande zon in Bretagne, maar hij trouwde ook met zijn board. Hij trouwde ook met de zee. Met de vrijheid.
Voor de zon maakt het niets uit met wie je trouwt.

Beeld: Flickr – CaptainKimo