Zo rouwen dieren

Van huiskatten tot dolfijnen – de mens blijkt niet de enige op de wereld die treurt om het verlies van geliefden.

Op onderzoek voor de Griekse kust zag marien bioloog Joan Gonzalvo een vrouwtjesdolfijn die duidelijk overstuur was. Keer op keer duwde de tuimelaar haar pasgeboren jong met haar neus en borstvinnen van de boot vol nieuwsgierigen weg, tegen de stroom in. Het was alsof ze het in beweging wou porren, maar haar moeite was tevergeefs – het jong was dood. Op een hete dag als deze begon het drijvende lijfje snel te vergaan onder de verzengende zon. Nu en dan trok de moeder voorzichtig stukken dode huid en los weefsel weg.

Toen het vrouwtje ook de volgende dag zo doorging, begonnen Gonzalvo en zijn collega’s op de boot zich zorgen te maken. Ze hield niet alleen het jong bij zich, ze at ook niet normaal. Zo bracht ze haar gezondheid in gevaar, want dolfijnen hebben een hoog metabolisme. Drie andere dolfijnen van de populatie van ongeveer 150 tuimelaars in de golf bleven in de buurt, maar geen van hen stoorde de moeder of volgde haar voorbeeld.

Terwijl hij het tafereel met lede ogen aanschouwde die dag in 2007, besliste Gonzalvo, verbonden aan het Milanese onderzoeksinstituut Tethys, dat hij het lichaam van het jong niet zou meenemen voor een necropsie, zoals hij normaal gezien zou hebben gedaan. “Wat me ervan weerhield in te grijpen, was het respect dat ik voelde”, vertelde hij me eerder dit jaar. “Het was een voorrecht te kunnen zien hoe hecht de band tussen moeder en kind is bij tuimelaars, een soort die ik al meer dan tien jaar bestudeer. Ik wou liever dat natuurlijke gedrag gadeslaan dan abrupt tussenbeide te komen en een moeder te storen die duidelijk overstuur was. Ik zou wat ik zag omschrijven als rouw.”

Was de dolfijnenmoeder echt aan het rouwen om haar dode jong? Tien jaar geleden zou ik gezegd hebben van niet. Als biologisch antropologe bestudeer ik cognitie en emotie bij dieren. Vanuit die achtergrond zou ik erkend hebben hoe schrijnend het gedrag van de moeder was, maar als rouwen zou ik het niet geïnterpreteerd hebben. Zoals de meeste dierengedragswetenschappers was ik geconditioneerd om zulke reacties in neutrale bewoordingen te beschrijven als ‘gewijzigd gedrag als reactie op de dood van een ander.’ Misschien was de moeder gewoon van slag omdat ze niet begreep waarom haar jong zo vreemd inert bleef. Onder biologen werd het als teerhartig en onwetenschappelijk beschouwd om menselijke emoties zoals verdriet op andere soorten te projecteren.

Maar nu, vooral na twee jaar onderzoek voor mijn boek How Animals Grieve, lijkt het oordeel van Gonzalvo me correct: de moederdolfijn was in rouw. De afgelopen paar jaar borrelde een hele reeks onderzoeken op naar dierlijke reacties op sterfte, en voor mij is het nu duidelijk: walvisachtige zoogdieren, grote mensapen, olifanten en nog een hele rist andere soorten, van boerderijdieren tot huisdieren, kunnen – afhankelijk van de omstandigheden en van hun eigen persoonlijkheid – diepe droefenis voelen als een naaste sterft. Dat zoveel verschillende soorten, tot en met dieren die redelijk ver van de mens af staan, rouwen om het overlijden van dierbaren, doet vermoeden dat de wortels van ons eigen vermogen tot treurnis ver terugreiken in de tijd.

De definitie van rouw
Al twee eeuwen, sinds de tijd van Charles Darwin, woedt onder wetenschappers een verhit debat over die vraag: zijn dieren in staat emoties te voelen die verder gaan dan ouderlijke zorg, overleving en voortplanting? Gezien onze evolutionaire band vermoedde Darwin emotionele parallellen tussen de mens en andere diersoorten. Apen konden volgens hem bijvoorbeeld verdriet en jaloezie voelen, en plezier en ergernis. Maar emoties toeschrijven aan dieren raakte geleidelijk aan uit de wetenschappelijke mode.

Tegen het begin van de 20ste eeuw vierde het behaviorisme hoogtij. Dat stelde dat enkel het waarneembare gedrag van dieren, en niet hun innerlijke leven, nauwkeurig kon worden bestudeerd. Vandaag begint de wetenschap het concept van dierlijke emotie weer te omarmen, deels dankzij anekdoten uit doorgedreven terreinonderzoek. Het hartverscheurende relaas van Jane Goodall uit Tanzania bijvoorbeeld, over de jonge chimpansee Flint die zo verzwakte dat hij luttele weken na de dood van zijn moeder Flo stierf van verdriet. En Cynthia Moss berichtte uit Kenia hoe olifanten bij stervende metgezellen blijven, en de beenderen van overleden familieleden strelen en betasten. De vraag of dieren kunnen rouwen, en hoe ze dat dan doen, werd weer relevant voor biologen en antropologen.

Om treurnis bij dieren te bestuderen, moeten we het kunnen onderscheiden van andere emoties. ‘Dierlijke reactie op sterfte’ omvat elke gedraging van een individu na de dood van een metgezel, maar voor een vermoeden van treurnis en rouw moet aan twee voorwaarden voldaan zijn. De eerste is dat twee (of meer) dieren tijd met elkaar doorbrengen los van op overleving gericht gedrag zoals foerageren en paren. Ten tweede wijzigt het normale gedragspatroon van het dier dat overblijft na de dood van de ander – het eet of slaapt minder, zijn lichaamshouding of gezichtsuitdrukking duidt op depressie of onrust, of het dier stelt het simpelweg niet goed. Darwin maakte geen onderscheid tussen rouw en verdriet, maar het zijn wel degelijk verschillende emoties: een dier dat rouwt is intenser van streek, en mogelijk gedurende een langere tijd.

De definitie van rouw bij dieren moet nog verder verfijnd worden, maar voorlopig helpt hij ons wel al om reacties kritisch te beoordelen. Zo dragen bavianen en chimpanseevrouwtjes in Afrika soms dagen, weken of zelfs maandenlang hun dode jong met zich mee. Dat lijkt op het eerste gezicht misschien op rouwen, maar de dieren vertonen geen uiterlijke tekenen van onrust of leed, en gaan onveranderd door met andere bezigheden, paren bijvoorbeeld. Hun gedrag voldoet dus niet aan de criteria voor rouw.

Treurende eenden, trieste olifanten
Heel wat andere dierlijke gedragingen passen wel in de tweeledige definitie van treurnis. Een bijzonder aangrijpend verhaal van sterfte en rouw bij olifanten werd bijvoorbeeld waargenomen in het Samburu Nationaal Park in Kenia in 2003. Iain Douglas-Hamilton van Save the Elephants en zijn team waren er getuige van hoe een matriarch stierf, Eleanor. Toen het dier instortte, schoot Grace, een matriarch van een andere olifantenfamilie, haar meteen ter hulp. Met haar slagtanden hielp ze Eleanor terug op haar poten. Toen ze opnieuw viel, bleef Grace bij haar. Minstens een uur probeerde ze haar in beweging te porren, ook al trok haar eigen familie verder. Toen stierf Eleanor.

Een week lang toonden vrouwtjes van Eleanors familie en vier andere families grote interesse in haar dode lichaam. Sommige olifanten leken van streek, en trokken of duwden aan het lichaam met hun slurf en poten. Anderen wiegden heen en weer boven het karkas. Op basis van de reactie van de vrouwtjes – tijdens de hele periode kwam geen enkel mannetje Eleanor opzoeken – besloot Douglas-Hamilton dat olifanten een zogenaamde gegeneraliseerde reactie vertonen op sterven en dood. Ze treuren niet alleen om het verlies van nauwe verwanten, maar ook om sterfgevallen in andere families.

Ook walvisachtigen lijken gegeneraliseerd te rouwen. Op de Canarische Eilanden was Fabian Ritter van de mariene onderzoeksinstelling M.E.E.R. er in 2001 getuige van hoe een snaveldolfijn haar dode jong voortduwde en naar zich toe trok op zowat dezelfde manier als de tuimelaar voor de Griekse kust. Ze was niet alleen: nu eens zwommen twee volwassen metgezellen met haar mee, dan weer paste een groep van 15 of meer dolfijnen zijn reistempo aan om bij de moeder en haar dode jong te blijven. Ze hield het verrassend lang vol, en toen ze op de vijfde dag begon te verzwakken, schoten haar metgezellen haar ter hulp en namen ze het jong op hun eigen rug.

Ook giraffen lijken te rouwen. In 2010 beviel een Rothschildgiraf in het Keniaanse natuurreservaat Soysambu van een jong met een misvormde voet. De baby bewoog minder dan andere jongen. Tijdens de eerste vier weken na de geboorte zag biologe Zoe Muller van het Rothschildgiraffenproject de moeder nooit verder dan twintig meter van haar jong af. Doorgaans stemmen giraffen hun activiteiten af op de rest van de kudde, om bijvoorbeeld samen te foerageren, maar het vrouwtje week af van dat patroon om dicht bij haar kalf te kunnen blijven. Net zoals de dolfijnenmoeder in Griekenland zette ze haar eigen gezondheid op het spel.

Op een ochtend gedroeg de kudde zich anders dan normaal. Zestien vrouwtjes hielden zich samen met de moeder rusteloos op aan een struik. Het kalf was daar ongeveer een uur eerder gestorven. De vrouwtjes vertoonden grote belangstelling voor het lichaam; ze liepen er steeds naartoe om dan weer afstand te nemen. ‘s Middags waren al 23 vrouwtjes en vier jonge dieren betrokken, en sommigen porden het karkas met hun neus. Die avond schaarden 15 volwassen vrouwtjes zich rond het lichaam, dichter dan ze overdag hadden gedaan.

De volgende dag kwamen heel wat volwassen giraffen het dode jong bezoeken. Sommige mannetjes kwamen voor het eerst binnen een straal van honderd meter, al vertoonden ze geen belangstelling voor het karkas. Ze foerageerden, of checkten de voortplantingsstatus van de vrouwtjes. Op dag drie zag Muller de moedergiraf op haar eentje onder een boom, een vijftigtal meter van waar het kalf was gestorven. Maar het lichaam lag niet meer op zijn rustplaats. Muller vond het later, half uiteengereten, onder de boom waar de moeder had gezeten. De volgende nacht was het karkas verdwenen, buitgemaakt door hyena’s.

Giraffen zijn erg sociale dieren. De eerste vier weken na de geboorte verstoppen jonge moeders hun kalfje, en daarna organiseren ze soms een crèchesysteem: een van hen let op de kroost terwijl de anderen eten zoeken. Muller spreekt niet in termen van ‘treuren’ en ‘rouw’ als ze beschrijft wat ze zag toen het jong stierf. Maar het voorval is wel bijzonder leerzaam. Niet alleen het gedrag van de moeder, maar ook dat van veel andere vrouwtjes in de kudde veranderde merkbaar na de dood van het kalf. Een alternatieve verklaring kan natuurlijk niet uitgesloten worden, maar de beschermende respons van de vrouwtjes tegen roofdieren die het jong zouden kunnen deren, maakt het wel heel erg waarschijnlijk dat ze een zekere vorm van treurnis voelden.

Observaties zoals die van Muller, bij dieren in de vrije natuur, zijn nog steeds eerder uitzonderlijk. Het is geen sinecure om op het juiste moment op de juiste plaats te zijn. En zelfs als dat lukt, is er geen garantie dat er opvallend gedrag te zien zal zijn. Vooral in dit vroege stadium van het onderzoek naar rouw bij dieren lijken reservaten, dierentuinen en zelfs ons eigen huis minstens even waardevolle onderzoeksomgevingen.

Katten en eenden
Ik kan het gedrag van de kat Willa niet anders beschrijven dan als rouw. Veertien jaar lang leefde de siamees met haar zus Carson bij Karen en Ron Flowe aan de Amerikaanse oostkust. De kattenzusjes wasten en likten elkaar, hingen samen rond op hun favoriete plekjes, en sliepen tegen elkaar aan. Ging Carson naar de dierenarts, dan gedroeg Willa zich onrustig tot ze met haar zus herenigd was. In 2011 ging Carsons gezondheid snel achteruit, en de Flowes brachten haar naar de dierenarts, waar ze stierf in haar slaap. In het begin gedroeg Willa zich net zoals anders als haar zus korte tijd weg was, maar na twee dagen begon ze een vreemd geluid te maken, een soort geweeklaag, en begon ze de plekjes waar Carson en zij samen uithingen, te doorzoeken. Ook nadat dit ontstellende gedrag afzwakte, bleef Willa maandenlang lethargisch.

Van alle gevallen van dierenrouw die ik gebundeld heb, is het meest verrassende er eentje uit een dierenopvangcentrum in Watkins Glen, zo’n 400 kilometer ten noordwesten van New York. In 2006 kwamen er drie mulard-eenden toe die leden aan hepatische lipidose, een leveraandoening veroorzaakt door dwangvoederen op een foie-grasboerderij. Twee van de eenden, Kohl en Harper, waren er erg aan toe, zowel fysiek als emotioneel. Kohl had misvormde poten, en Harper was blind aan één oog. Allebei waren ze erg bang van mensen. De twee werden de beste maatjes.

Eenden zijn sociale vogels, maar de intensiteit van hun band was toch erg bijzonder. Toen Kohls poot hem steeds meer last bezorgde en hij niet langer kon lopen, werd hij geëuthanaseerd. Harper mocht de procedure bijwonen, en kreeg daarna de kans afscheid te nemen van zijn dode vriend. Hij duwde een paar keer tegen het slappe lijfje, en legde daarna zijn kop en nek over de nek van Kohl. Zo bleef hij een paar uur liggen. Harper raakte trouwens nooit over het verlies. Dag na dag weerde hij andere, mogelijk nieuwe eendenvrienden, en zocht hij een kleine vijver op waar hij vaak rondhing met Kohl. Twee maanden later stierf hij.

Dat dieren die lang leven en die hun tijd doorbrengen in hechte paren, familiegroepen of gemeenschappen, harder geraakt worden door de dood van geliefden, lijkt logisch. Maar we weten nog niet genoeg over rouw bij dieren om dat met zekerheid te stellen. Wat we wel weten, is dat de tendens tot treuren niet alleen verschilt van soort tot soort – ook de onmiddellijke sociale omgeving en het individuele karakter van dieren speelt een rol. Als de overlever de kans krijgt het lijk van een overleden geliefde te zien, zoals Harper kon met Kohl, lijkt dat soms te kunnen vermijden dat hij rusteloos op zoek gaat naar zijn maatje, of die periode toch in te korten. Maar soms lijkt het helemaal niet te helpen, wat bewijst dat ook binnen eenzelfde soort elk individu anders reageert op een sterfgeval.

Ook blijven de tekenen van rouw bij wilde apen die in hechte sociale groepen leven, tot dusver verrassend beperkt, terwijl bij meer solitaire soorten zoals de huiskat zo’n hechte persoonlijke band kan groeien tussen twee of meer verwanten of maatjes dat de rouwrespons even groot is als bij veel socialere diersoorten. Veldonderzoek zal volgens mij uitwijzen dat sommige apen in verschillende sociale systemen zichtbaar zoveel rouwen als sommige huiskatten. In How Animals Grieve beschrijf ik bovenop de gevallen die hierboven aan bod kwamen, ook voorvallen bij katten, honden, konijnen, paarden en vogels. Bij elke soort stel ik een continuüm van rouw vast: sommige individuen blijven schijnbaar onverschillig bij de dood van een metgezel, terwijl anderen volkomen uitzinnig lijken van verdriet.

Cognitieve verschillen spelen ook een rol. Net zoals verschillende diersoorten uiteenlopende gradaties van empathie uiten, en die emotie ook nog eens verschilt van individu tot individu, moeten er ook meerdere niveaus van bevatting zijn bij dieren in rouw. Begrijpen sommige dieren de finaliteit van de dood, of hebben ze zelfs een mentale notie van de dood? We weten het simpelweg nog niet. Geen enkel onderzoek wijst uit dat andere diersoorten even sterk met de dood bezig zijn als de mens. Dat vermogen, dat trouwens essentieel is voor veel van onze meest meeslepende literatuur, muziek, kunst en drama, bezorgt onze menselijke soort heel wat emotioneel lijden.

In de wilde natuur zou het vermogen om te rouwen een erg hoge tol kunnen eisen, zowel fysiek als emotioneel, want waakzaamheid en energiek gedrag zijn cruciaal om voedsel te vinden, uit de klauwen van roofdieren te blijven, en te paren. Waarom ontwikkelde verdriet zich eigenlijk? Misschien biedt het teruggetrokken gedrag dat we vaak zien bij dieren in rouw, als het niet te ver gaat, dieren de tijd om te rusten. Dat emotionele herstel verhoogt mogelijk hun slaagkansen bij het smeden van een nieuwe hechte band. De adaptatie zit hem dus misschien niet in de rouw zelf, maar in de sterke positieve emoties die voordien spelen. Als twee of meer dieren zich verbonden voelen, werken ze misschien beter samen om hun kroost te verzorgen of in hun levensonderhoud te voorzien.

Kunnen we het vermogen om te rouwen dan gewoon herleiden tot het vermogen lief te hebben – anders gesteld: is treurnis een uiting van verloren gegane liefde? Marc Bekoff bestudeert aan de Universiteit van Colorado de emoties van uiteenlopende diersoorten, en hij is ervan overtuigd dat veel dieren niet alleen ‘treuren’ maar ook ‘liefhebben,’ al erkent hij dat die concepten moeilijk te definiëren vallen. Wij mensen, merkt hij op, begrijpen de liefde niet helemaal, maar dat betekent niet dat we ontkennen dat ze bestaat – of hoezeer ze onze emoties stuurt.

De tol van de liefde
In zijn boek Animals Matter vertelt de ecoloog en dierengedragswetenschapper het verhaal van Mom, een coyote die hij een paar jaar volgde tijdens een gedragsstudie in Grand Teton National Park in het noordwesten van de Verenigde Staten. Het dier begon er op een dag alleen op uit te trekken, weg van de roedel. Telkens als ze terugkwam, werd haar kroost uitzinnig van vreugde; ze likten haar en rolden enthousiast voor haar voeten. Toen ze op een dag niet meer terugkwam, begonnen sommige coyotes in de roedel onrustig heen en weer te lopen; anderen gingen op zoek in de richting waarin ze haar hadden zien weggaan.

“Een week lang leek het vuur uit de roedel verdwenen,” schrijft Bekoff. “Haar familie miste haar.” Toen ik het eerder dit jaar met hem had over emotie bij dieren, schreef Bekoff die reactie van de familie toe aan de liefde voor Mom. Algemeen beschouwd hebben soorten zoals coyotes, wolven en veel vogelsoorten zoals ganzen een sterk potentieel voor liefde, lichtte hij toe, omdat het mannetje en het vrouwtje in het koppel samen hun territorium verdedigen, samen hun jongen voederen en opvoeden, en elkaar missen als ze van elkaar gescheiden zijn.

Liefde is in de dierenwereld vaak onlosmakelijk verstrengeld met droefenis. De sociale samenhang in een soort is misschien minder bepalend voor het rouwgedrag dan de liefde tussen individuen. De huiskat staat als soort niet bekend om zijn sociale aard, maar kan het enige twijfel lijden dat Willa Carson liefhad, of dat ze zwaar aangeslagen was toen haar zus er niet meer was?

De mens uitte zijn treurnis door de eeuwen heen steeds meer via met symboliek doorspekte rituelen. Zo’n 100.000 jaar geleden versierde Homo sapiens zijn doden al met rode oker. Archeologen interpreteren dat gedrag niet als een functionele, maar als een symbolische daad. Op Sungir, een site in Rusland, werden 24.000 jaar geleden een jongen van 13 en een meisje van 8 samen begraven. Hun graf lag bezaaid met grafgoederen, van mammoetslagtanden tot dierenfiguren van ivoor. Het verbluffendst waren de duizenden ivoren kralen. Waarschijnlijk waren ze op de kledij genaaid waarin de kinderen werden begraven.

Een groot deel van de mensengemeenschap in Sungir moet de krachten gebundeld hebben om het begrafenisritueel vorm te geven, want het kostte wellicht dagen om die kralen te maken. Het is natuurlijk gevaarlijk moderne emoties te projecteren op bevolkingsgroepen uit lang vervlogen tijden, maar de voorbeelden van dierlijke rouw die we hierboven bekeken, versterken het pleidooi voor een emotionele interpretatie van de archeologische vondsten: vele duizenden jaren geleden al rouwden onze voorouders om de kinderen die hen ontvallen waren.

In onze moderne wereld is rouw niet langer voorbehouden voor bloedverwanten, hechte sociale partners of de eigen leefgemeenschap. Publieke gedenktekens zoals het Park ter Herdenking van de Vrede in Hiroshima, het genocide-herdenkingscentrum in het Rwandese Kigali, het Gedenkteken voor de Vermoorde Joden van Europa in Berlijn, en de site van de Twin Towers in New York – stuk voor stuk getuigen ze van diepe wereldwijde treurnis en aangeslagenheid. Dat unieke menselijke vermogen om te treuren om de dood van volslagen onbekenden heeft wortels die tot diep in onze evolutionaire ondergrond reiken. De manier waarop we rouwen mag dan uniek zijn voor de menselijke soort, het vermogen tot diepe treurnis delen we met velen.