Foppe de Haan en de tranen om iets aan de linkerkant

Er was iets met ’n linkerkant. Foppe de Haan wist het zeker: hij had iets gezien op de linkerkant van het veld, van het team, van het – dingetje, Larsson. Die was goed. Omdat… Omdat… En daar kwam het stukje brein dat Foppe al zeventig jaar van scherpe inzichten voorziet krakend tot stilstand.

Als je een ranglijst zou maken van alle fijne, Heerenveen-gerelateerde dingen, dan stond kijken en luisteren naar Foppe de Haan in de Top-1. Zijn aanwezigheid langs het veld geeft rust, het is alsof je opeens weer in je oude kinderkamer staat. Naarmate je ouder wordt, worden voetbaltrainers steeds jonger. Ze beginnen als je vader, worden je oudere broer en op een dag zijn het leeftijdsgenoten. Mannen in pak, en een blocnote met een leren achterkant. De dag dat voetbaltrainers je zonen zijn geworden, is dan dichterbij dan je denkt. Weer later kijk je geen voetbal meer omdat het te snel voor je gaat, en niet lang daarna ga je dood.

Foppe op een wildwaterglijbaan
Goddank is Foppe er. Foppe, die 25 jaar geleden al bejaard leek. Hij wordt nooit een oudere broer, hij was, is en zal altijd een lievelingsopa zijn.
Iedereen weet dat Foppe de Haan aan Heerenveen geklonken is als een loden bal aan de ketting rond de enkel van de gevangene – soms is hij de bal, soms de gevangene. Bijna iedereen die hem kent, weet dat hij van hard trainen houdt, dat hij goed kan fierljeppen en dat iedereen hem aardig vindt. Behalve de mensen die hem niet aardig vinden, en die houden dat stil, want ze weten dat wanneer je Foppe de Haan niet aardig vindt, dat meer over jou zegt dan over hem. Kenners voegen er vaak nog aan toe dat Foppe bevriend is met Riemer (en dat Riemer getrouwd is met Annie) en dat hij een scherp oog voor voetbaltalent heeft. Vaak vallen in deze opsomming vroeg of laat de namen “Tomasson” en “Van Nistelrooij”. Erkende Foppologen voegen er ten overvloede nog aan toe dat Foppe eigenlijk gewoon gymleraar is, dat hij dol is op gourmetten (vooral vanwege de gezelligheid) en dat hij z’n Batavus altijd op de zwaarste versnelling heeft staan – ook met wind tegen.
Waar je nooit iemand over hoort – ik weet niet waarom, vermoedelijk heeft het iets met de CIA te maken – is Foppe de Haans strijd tegen de tijd. De vergankelijkheid van het leven, die normaal gesproken korte metten maakt met mensen in het algemeen en Friese voetbaltrainers in het bijzonder, heeft een kwaaie aan Foppe.
Zoals bekend is het leven een wildwaterglijbaan in een subtropisch zwembad. Tergend traag en met tegenzin beklim je vochtige tree voor vochtige tree, overal om je heen zijn opgewonden kinderen. Eenmaal boven laat je eerst een paar fanatici voorgaan, bang dat die anders in je nek komen glijden. En dan zie je het uitzicht, het bad, de mensen. Het volle leven. Je kunt niet wachten om je erin storten. Vanaf dat moment is het alleen nog downhill.

Foppe de Haan is de man die zo’n wildwaterbaan beklimt, tegen het verkeer in. Op de leeftijd waarop andere voetbaltrainers in een kantoor gaan zitten, de dop van een kroontjespen schroeven en aan een beleidsplan voor de toekomst van de Nederlandse jeugdopleiding beginnen te schrijven, ging Foppe met twintig jongens van twintig naar Peking – met Gerald Sibon, een jongen van twintig in het lijf van een targetman van middelbare leeftijd, als hopman.
Voor Foppe is tijd niet iets lineairs, maar slechts de eenheid waarin je de duur van afwerkoefeningen kunt uitdrukken. Foppe gelooft best dat er mensen van zijn leeftijd zijn die bejaard zijn, die kwaaltjes krijgen, maar hij heeft daar gewoon niet zoveel mee. Foppe doet het liefst dat wat niemand verwacht. Niet omdat niemand dat verwacht, maar gewoon, omdat het zo uitkomt. Pingpongen in de storm. Zwemmen op het droge. Bijzondere dingen doen, en daar dan een beetje nuchter om grinniken, want bijzondere dingen zijn voor Foppe doodnormaal.
Daarom – en om nog veel meer redenen – is het fijn kijken naar Foppe de Haan.

Ouwe man
Zaterdag, na de wedstrijd tegen Roda JC, kreeg hij het plots te kwaad.
Er was dus iets met de linkerkant.
‘Dan zit ik daar naar te kijken en dan SLIK, dan doet me dat wat. Dat vind ik echt mooi.’
De perskamer verslikte zich in z’n tweede jenevertje. Foppe? Huilen? Om zomaar iets wat op de linkerkant was gebeurd? Wat hadden ze nou aan hun fyts hangen?
‘Want daar doe je het voor,’ ging Foppe verder. ‘Je doet het voor de mensen.’
Die Foppe. Deed het al honderd jaar voor de mensen, had alles gedaan voor de mensen en dan werd het ‘m nu opeens te veel. Echt huilen werd het trouwens niet; steeds als de tranen kwamen opzetten, klokte Foppe een slok Fries kraanwater achterover en dan ging het weer even.
‘Da’s dus eigenlijk m’n grote hobby, zou je kunnen zeggen. Maar ik wil dat ’t hier weer leeft.’ De stem, zo getraind in het geven van ontnuchterend commentaar, brak.
‘Dat ze voetballen met, ja…’ Nog een slokje.
Op.
Het werd stil in de perskamer. Hier zat een man die de tijd eronder had gekregen, die Heerenveen de Champions League in doceerde, die soms een week ondersteboven door het leven ging om zich in een tegenstander in te leven, die Royston Drenthe begreep. De lievelingsopa van voetballend Nederland, de Abe onder de Foppes. Een man die alles altijd maar gewoon had gevonden, tot de bijzonderheid van alles plots tot hem was doorgedrongen, bij een schijnbaar alledaagse actie aan de linkerkant.
En Foppe zei: ‘Ouwe man, he.’
Grapje. Hoopte ik dan maar.