Ode aan de vergeten vader van de Deltawerken

Johan van Veen wordt ook wel de ‘geestelijk vader‘ van het Deltaplan genoemd; het plan dat Nederland moest behoeden voor overstromingen zoals de watersnoodramp van ’53. Een held, in zekere zin, en toch geraakte hij in de vergetelheid. In zijn geboorteplaats Uithuizermeeden in Groningen dragen een straat en pleintje zijn naam, en er is een borstbeeld van Van Veen te vinden. Verder is er weinig wat ons doet herinneren aan de man achter het Deltaplan.

Johan van Veen zag het licht in december, en stierf tevens in die maand. In 2016 is het zestig jaar geleden dat de Deltadienst in het leven werd geroepen. De Deltadienst zou verantwoordelijk worden voor het uitvoeren van Van Veens decennia oude Deltaplan; het bouwen van de Deltawerken. Het meest prominente van de Deltawerken, de Oosterscheldekering, werd in aanwezigheid van voormalig koningin Beatrix gereed verklaard in 1986. En het is zelfs nog vrij recentelijk dat de uitvoering van het Deltaplan echt tot zijn einde kwam. Zo werd eind 2010 te Harlingen als laatste nog de hand gelegd aan een waterkering.

Tekst loopt door onder de foto.

Onthulling borstbeeld ter nagedachtenis aan Johan van Veen. Foto v.l.n.r.: borstbeeld, de beeldhouwer Onno de Ruyter, burg. J. Zandbergen, prof. dr. L. Boersma en de weduwe van Johan van Veen, mevr. Van Veen.
Onthulling borstbeeld ter nagedachtenis aan Johan van Veen. V.l.n.r.: beeldhouwer Onno de Ruyter, burgemeester J. Zandbergen, prof. dr. L. Boersma en de weduwe van Johan van Veen.

Jeugd
Van Veen werd geboren in 1893 te Uithuizermeeden, Groningen. Hij werd geboren als vijfde in een gezin van zeven. Na de hogereburgerschool gedaan te hebben, deels in Warffum en deels in Assen, studeerde hij civiele techniek aan de Technische Hogeschool van Delft. Later promoveerde hij in Leiden op een proefschrift over of zeestromen voor uitschuring van de Britse en Franse kust zorgen, en of het gevolg daarvan is dat onze kust een grote aanvoer van zand ondervindt. Het proefschrift werd bekroond met ‘den gouden eerepenning’. Van Veen zou uiteindelijk de broodnodige expert worden op het gebied van ’s Nederlands grootste vijand: het water.

Loopbaan
Van Veen werkte bij de Provinciale Waterstaat in Assen, een Bauxietmaatschappij in Suriname, de Amsterdamse Brandweer en uiteindelijk zo’n dertig jaar voor Rijkswaterstaat. Hij deed intensief onderzoek naar de verplaatsing van zand in rivieren en langs de kust, publiceerde vanaf ’33 stukken in De Ingenieur – een uitgave van het Koninklijk Instituut Van Ingenieurs (KIVI) – over meetinstrumenten voor diepte en stroming, getijberekeningen en bodemdaling. Daarnaast was hij bij een studiedienst van Rijkswaterstaat verantwoordelijk voor meer dan veertig rapporten over onder andere kustverdediging en stormvloedverschijnselen.

Marie-Louise ten Horn-van Nispen, auteur van een biografie over van Veen: “Uit studies van van Veen en de Studiedienst uit de jaren dertig bleek dat de dijken in Zuidwest-Nederland te laag waren.” Dit leidde tot de instelling van de Stormvloedcommissie. Van Veen werd hiervan ambtelijk secretaris. De commissie deed onderzoek naar verschillende stormvloedstanden langs de kust, de oorzaak van hoge waterstanden en wat voor veiligheidsmaatregelen hiertegen nodig zijn.

Horn-van Nispen schreef tevens: “Een voorlopig rapport van de Stormvloedcommissie uit 1940 verwoordde ongerustheid over de dijken tijdens zeer zware stormen. Daarom werd door van Veen en de Studiedienst gewerkt aan plannen om enkele Zuid-Hollandse eilanden door dammen met elkaar te verbinden.”

Van Veen meende echter al jaren dat de dijken te laag waren. Onder het pseudoniem ‘Cassandra’ waarschuwde hij als sinds 1937 voor de gebrekkige staat waarin de Nederlandse dijken verkeerde. Maar er werd niet naar hem geluisterd. Simon Roozendaal schreef over ‘de ingenieur die een gat zag in de dijk’ in Elsevier: “…hij was een eigenwijs en tegendraads mannetje die zijn hele leven wist dat hij slimmer was dan anderen. Zijn bazen bij Rijkswaterstaat keken de andere kant uit als hij weer eens met een alarmerend rapport kwam.”

Eind januari 1953 kwam de Studiedienst van Rijkswaterstaat dan met een rapport over de mogelijkheid tot het sluiten van de zeearmen tussen het Zeelandse Walcheren en Voorne. Nog geen week later geschiedde het soort doemscenario waar van Veen al jaren tevergeefs voor waarschuwde; de watersnoodramp. De ramp betekende de dood van 1835 Nederlanders.

Het was het jarenlange werk van Johan van Veen dat de regering in de gelegenheid stelde om binnen een jaar na de ramp al met een plan te komen.

Nalatenschap
In navolging van de watersnoodramp werd de Deltacommissie opgericht. Johan van Veen werd ook hiervan ambtelijk secretaris. Het op van Veen beruste Deltaplan dat hieruit voortkwam behelsde het afdammen van de zeearmen; een project dat wij kennen als de Deltawerken. Johan van Veen zou de verwezenlijking van ‘zijn’ stormbarricade helaas niet meer meemaken. Hij stierf in ’59.

De Deltawerken vormen ons verweer tegen verdere wateroverlast, verkleinen de kans op een overstroming tot eens in de 4000 jaar en zouden zo’n twee eeuwen meegaan. Nergens ter wereld wordt de dreiging van het water zo goed beteugeld als hier. Het Amerikaanse Society of Civil Engineers refereren ook wel naar Van Veens nalatenschap als één van de zeven wonderen van de moderne wereld.

Over hoe we onze voeten droog zullen houden in de verre toekomst kan men nog enkel gissen. Van Veen wist de spanning er in ieder geval goed in te houden. Zo zei hij ooit: “Eens zullen we dit land met een zucht van verlichting aan de golven prijs geven.”

Laten we deze decembermaand, voorafgaand aan het zestigjarig jubileum van de Deltadienst, toewijden aan Johan van Veen, de man die onze voeten droog houdt.

Foto: Nationaal Archief