Voorpublicatie uit de nieuwe roman van Daan Heerma van Voss

Hoe kan iemand die geen oorlogen heeft meegemaakt zijn goedheid bewijzen? Deze vraag houdt historicus, schrijver en leraar Abel Kaplan al een tijd bezig. Dan raakt zijn leven door zijn bekommernis om een gepeste leerling in een stroomversnelling. Een voorpublicatie uit De laatste oorlog, de nieuwe roman van Daan Heerma van Voss.

‘Wat is volgens jou het verschil tussen een gevangene en een onderduiker?” Het was een tijdje stil geweest, uitgezonderd de nauwelijks hoorbare manier waarop Judith haar artisjokblaadjes door de mayonaisemosterddressing sleepte.
Haar aarzelingen leken te zijn ingeklonken tot deze ene vraag. Toen Kaplan zijn mond opendeed om iets te zeggen, ging zij verder. “Ik weet wat je wil zeggen. Dat het verschil vrije wil is. Maar als je deze jongen nu vraagt of hij zou willen blijven of liever teruggaat naar zijn ouders, dan kiest hij zonder twijfel het laatste.”
“Het verschil tussen gevangene en onderduiker is: eigen bestwil. Een gevangene zit vast voor de bestwil van de maatschappij, de onderduiker wordt weggestopt voor zijn eigen bestwil. En over zijn ouders… Misschien zitten die nog steeds gevangen. Die schoollokalen leken mij niet bepaald ingedeeld op familiegeluk. Misschien zat hij daar wel alleen. Misschien zijn de ouders dood, dat kan ook nog.”

Foto: Merlijn Doomernik

“Schatje, het is alsof ik Poetin hoor. Het punt is: wie bepaalt wiens bestwil het belangrijkst is?”
“In de oorlog waren er tal van kinderen, broers en zussen, die weigerden in te zien hoe catastrofaal hun situatie was, die weigerden te geloven dat alle familie allang was vergast. En laten we Poetin erbuiten houden.”
Ze knikte richting de jongen. “Zijn ouders zijn niet vergast.”
“Nee, maar ze zullen wel worden uitgezet. Of, als dat wettelijk onmogelijk blijkt, zal hun het leven zo zuur worden gemaakt dat ze uit eigen beweging weggaan. Roma vechten hun hele leven voor een kans, dat weet jij ook. Hier is nu die kans. Voor hem. Hij kan een leven voor zichzelf opbouwen. Wij kunnen hem daarbij helpen. Geef toe dat hij het bij ons beter zal hebben dan in andere landen, bij andere mensen.”
“Wat houdt beter in?”
“Geen vervuild water hoeven drinken, leren lezen en schrijven. Een normale baan krijgen. Artisjokken eten.” (–)
Abraham wees naar de televisie, keek Judith vragend aan, ze zei: “Is goed, ga maar. Waar wacht je op, go.” (–)
Het was alsof Judith al diens aandacht had opgeëist, zij had gekregen waar Kaplan om had gevraagd: liefde. Dat gevoel, alsof er diep in hem een mes werd geslepen, en zijn lichaam de vonken opving: het was jaloezie. “Ik heb gedaan waar we het eerder over hebben gehad,” zei hij, meer tegen zichzelf dan tegen haar. “Ik heb het in de praktijk gebracht.”
“Dit was niet wat ik toen in gedachten had.”
“Ik zal eerlijk zijn: ik ook niet. Maar zo is het eenmaal gegaan. Probeer het te zien als iets moois. Naastenliefde, zorg voor anderen. De rabbijn zegt toch…”
“Laten we de rabbijn erbuiten houden. Ik denk niet dat hij zou staan te juichen als hij wist wat je hebt gedaan.”
“Zodra ze binnen onze landsgrenzen wonen, zijn het onze mensen,” zei Kaplan. Judith keek weer naar haar eten, mompelde iets. “Praat je nu met je artisjok?” informeerde hij.
“Nee, ik praat niet met mijn artisjok.” De tv sprong aan: herhalingen van herhalingen van M*A*S*H. “Ik denk na over wat je zei,” ging ze verder.
“Het doet me denken aan een artikel dat ik laatst las in het NIW.”
“Wat?”
“Het NIW. Het Nieuw Israëlietisch Weekblad.”
“Natuurlijk, het NIW.” In de tijd van Eva las hij het af en toe.
“Ik dacht dat je ‘de Anyway’ zei. De vrijblijvende glossy, of zoiets.”
Ze glimlachte. “Het was een artikel over oorlogsschuldgevoel bij mensen die de oorlog niet hebben meegemaakt.”
“Wat de een schuldgevoel noemt,” antwoordde hij, “is voor de ander gewoon gevoel.”
Ze was aangekomen bij het artisjokkenhart, sneed het aan stukken en at het op.

In de verste hoek van de slaapkamer lag nu het luchtbed van de jongen. Judith stopte hem in, het was alsof ze zich jarenlang in stilte op deze rol had voorbereid, erop vertrouwend dat het moment dat om de perfecte uitvoering vroeg ooit zou aanbreken. Ook al begreep Abraham vermoedelijk weinig van wat hem werd verteld, zijn ogen zakten langzaam weg in een gloedvolle slaap.
Judith en Kaplan keerden terug naar de aangebroken fl es wijn die op tafel stond. Ze schonken elkaar bij, af en toe verlichtte een vuurpijl het appartement. Een nieuwe fles werd aangebroken, een merlot die wegdronk als water.
Aangeschoten, op zijn schoot zittend, zei ze: “Ik heb iets ontdekt. Jij hebt twee soorten blikken, Abel. De een is liefdevol en warm. Dan hebben je wangen iets ronds en roods.” Met haar vingers probeerde ze zijn gezicht te plooien naar haar beschrijvingen. “De andere blik is strak en zonder genade. Dan is je mond recht, zijn je gezichtsspieren gespannen, je kaken op elkaar geklemd. Het is echt het een of het ander. Het is zo fijn als je me met die eerste blik aankijkt, dan voel ik me zo goed. Die tweede blik is minder fijn, maar dan nog. Als je maar naar me kijkt. Dat heb ik de afgelopen weken meer dan ooit gevoeld.”
“Sorry dat ik afstand hield.” Hij hield haar hand vast terwijl ze naar de slaapkamer liepen, verlicht en verzwaard door de drank. Haar borsten vulden zijn handen op, haar tepels werden bij de eerste aanraking puntig. In een dronken flard echode een eerder op de avond gestelde vraag: welke hoop Kaplan toch in de jongen stelde.
Een antwoord hierop had hij niet, maar hij wist dat hij de vraag niet mocht vergeten, onthouden, onthouden, hoop. Ze trok zijn overhemd uit en liet haar hand over zijn bovenlichaam gaan, overal kippenvel. Hij proefde de wijn in haar mond, maar het stoorde hem niet, ze lachten en waren weer ernstig, ze laadden zich op en leefden zich uit. Net voordat zij op hem ging zitten, en zijn pik naar binnen liet glijden, fl uisterde ze: “Niet te hard. Denk aan de jongen.” Ze had een zachte, verre blik in haar ogen gekregen, als een vrouw die weet dat haar geluk tijdelijk is.
Houterig kwam hij omhoog, zijn hoofd zwaar en pijnlijk. Hij tastte rond, het was elf uur ’s ochtends en Judith lag niet naast hem. Er kwamen geluiden uit de woonkamer, hij liet zijn hoofd weer op het kussen zakken. Hij had de jongen nog nooit horen lachen. Hij twijfelde of hij het gedrag van Judith en Abraham, luidruchtig en in vol daglicht, moest corrigeren. Misschien was het slimmer Kuiper te melden dat hij familie op bezoek had, het was tenslotte Oudejaarsdag.
Hij trok een overhemd aan en liep de keuken in, waar Judith en Abraham bezig waren met beslag en een kom, de jongen ging er met een ronkende mixer doorheen. “Hier,” zei Judith, en ze schoof hem een glas sinaasappelsap toe. “Ik heb wat boodschappen gedaan. We maken oliebollen.”
“Wat fijn dat je blijft,” bracht hij uit.
Ze haalde haar schouders op. “Wat moet ik anders? Goede bedoelingen of niet, je hebt me medeplichtig gemaakt aan een straf aar feit. Maar ik zie ook niet zo snel hoe we hem een betere, veiligere omgeving kunnen bieden dan deze. Ik ben hier nodig. Abraham moet genoeg te eten hebben. In januari zien we verder.”
Hij veegde een likje beslag van haar wang, de jongen keek verstoord op.
“Ik blijf, op voorwaarde dat dit niet om jou gaat,” ging zij verder, “maar om Abraham. Hij moet er beter van worden.”
“Dat is ook het enige wat ik wil, geloof me. Zal ik straks wat vuurwerk halen?” “
Geen knallen,” zei Judith.
“Trouwens, eigenlijk heb ik als regel dat Abraham pas ’s avonds de woonkamer in mag. Voor de veiligheid.”
“Abel, dat gaan we natuurlijk niet doen. Zo’n kind wordt gek als hij in de slaapkamer moet blijven.”
Gisternacht had ze hem een vraag gesteld, maar hij was hem vergeten.
Vier vuurpijlen, twee gillende keukenmeiden en vijf tollen. In de deuropening roffelde Kaplan met zijn vingers op de omhooggehouden plastic tas, maar Judith en Abraham waren met hun aandacht bij de oliebollen, ze hadden drie varianten gemaakt, allemaal met een andere baktijd. Over een van de bollen had de jongen een laag poedersuiker gestrooid, waarin hij met zijn vinger een lachend gezichtje trok. Als geen ander kende Kaplan het gevoel buitengesloten te worden, maar dit ging dieper. Hij had hen bij elkaar gebracht, maar geen moment waren zij dankbaar geweest.
Judith bood Kaplan een oliebol van de middelste variant aan. Abraham keek bars toe hoe haar gezicht opklaarde toen Kaplan zei dat de bol lekker was, waarmee hij bedoelde dat deze maar een fractie minder lekker was dan een gekochte bij een kraam.
Zonder iets te zeggen liep Abraham naar de slaapkamer, terwijl Judith de bollen in een schaal legde en het stilleven met haar telefooncamera vastlegde. Kaplan vroeg: “Wat doe je, je bent toch geen Aziaat?” Toen ze naar de keuken liep om bieten en wortels schoon te maken, volgde hij haar en vroeg: “Let je wel goed op Abraham? Misschien doet hij wel weer iets raars.”
“Hij vermaakt zich, dat is alles. Geen wantrouwen, geen angst, weet je nog?” Hij knikte. “Verder heb ik wat rondgebeld. Er zijn geruchten over de zigeunergevangenis, maar niets concreets. Schijnbaar heeft een journaliste een tijdje geleden geprobeerd de boel bloot te leggen, maar toen het in druk verscheen, was de school al ontruimd en waren alle bewijzen verdwenen.”
“Voortvarende lui,” mompelde hij.
“Kijk eens niet zo schuw,” zei ze. Hij glimlachte.
“Verder heb ik gevraagd of er een mogelijkheid is hem onder te brengen bij andere groepen asielzoekers. Maar ik betwijfel of hij daarbij gebaat is.”
“Dat weet ik ook niet,” gaf hij toe.
“En naar de instanties kunnen we dus niet gaan. Aan de andere kant zouden ze hem ook niet zomaar het land uit kunnen zetten. Er is zoiets als een laissez-passer, een soort wild card die Nederlandse ambtenaren kunnen aanvragen, waarmee de lastige gevallen te allen tijde de grens over kunnen worden gezet. Maar goed, vanaf morgen zijn er officieel gezien geen beperkingen voor een EU-land als Roemenië. Dan zal zelfs een laissez-passer weinig uithalen.” Ze wierp de schillen in de prullenbak en pakte een ovenschaal.
“En, dus?” vroeg hij.
“Ja, en dus niks. We zullen even moeten afwachten. Ik kon mijn contacten ook niet duidelijk maken met welke nood ik ze dit allemaal vroeg, begrijp je? Onder de radar is onder de radar.”
“Dank voor je begrip.” Hij zou kunnen aanbieden te helpen maar wist niet waarmee. De groente, de verse olijfolie, de biologische bulgur – het was een huishouden dat in weinig nog leek op het zijne. (–)

Waarom had hij hier zo slecht over nagedacht? Met Judith in huis kon Kaplan niet vrijelijk aan het manuscript werken; het gevaar dat ze de zinnen van haar vader herkende, was veel te groot. Maar hoe minder hij in staat was te werken, hoe groter het verlangen daartoe, het verhaal bleef trekken. Misschien was Judiths hulp niet genoeg.
Het was inmiddels 2 januari 2014, de winkels waren weer open, regen had de urine van de jongen van straat gespoeld, en getuige het uitblijven van perskoppen over immigrantenrampspoed functioneerden de landsgrenzen nog. (–) Rond het middaguur trok hij zijn jas aan en blies het stof van de aktetas die hij tijdens zijn korte betrekking als leraar had gebruikt: “Ik moet er even uit. Werken.”
Ze keek niet op van haar tijdschrift, de jongen pakte zijn potlood, drukte de punt door het papier heen. “Waar schrijf je aan?” vroeg ze. “Een boek.” Te prikkelbaar om te liegen, te berekenend om de hele waarheid te vertellen. De bekentenis luchtte hem op, misschien dat die ze dichter bij elkaar zou brengen. Haar nieuwsgierigheid ontvlamde direct. “Waar gaat het over?”
“Kunnen we het er een andere keer over hebben?”
“Is goed, hoor. Leuk, dat is alles wat ik wil zeggen. Je zou trots moeten zijn.”
“Goed. Dank je.” Hij liep naar de woonkamer, haalde de lade van het slot en haalde het manuscript eruit. De PlayStation had hij vannacht, zonder Judith ervan op de hoogte te stellen, bij het vuilnis gezet. Het risico dat ze het apparaat zou beschouwen als een educatief middel, zoals hij dat zelf ooit had gedaan, was te groot. En Abrahams vocabulaire zou heus niet ineens zo verbeteren dat hij onder woorden kon brengen wat hem was ontnomen. Bovendien waren de ontwenningsverschijnselen minder hardnekkig dan gedacht, vermoedelijk dankzij de aanwezigheid van Judith. Het was om gek van te worden hoe braaf de jongen zich in haar bijzijn gedroeg, elk van haar didactische overwinningen was een vernedering voor Kaplan. Ooit hadden ze werkelijk met elkaar gepraat, de jongen en hij, en daar hadden ze haar niet voor nodig gehad.
Ze keek om het hoekje van de slaapkamer. “Is dat het boek?”
“Een deel ervan. Maar stel alsjeblieft niet te veel vragen. Daar word ik maar zelf ewust van. Ik moet vrij zijn om te schrijven.”
Ze knikte. “En zorg je ervoor dat Abraham niet te veel herrie maakt? Het nieuwe jaar is begonnen, we moeten extra voorzichtig zijn.”
“Oké,” zei ze, weinig onder de indruk. “Ik zal oppassen. Sterkte met werken. Kun je ook wat kleren kopen?”
“Kleren?”
“Voor Ábraham!”

De krant van 6 januari lag opengeslagen op tafel, het uitblijven van berichten over de grenssituatie was niet minder dan een persoonlijke terechtwijzing. Wel viel een uitspraak van Ze’ev Elkin, Israëls plaatsvervangend minister van Buitenlandse Zaken, in het oog: Israël zou vasthouden aan de grenzen van 1967, de zogenaamde ‘Auschwitz-grenzen’.
Voor het eerst in zijn leven twijfelde Kaplan aan de eeuwigheidswaarde, of ten minste de universele geldigheid van de schuld van de mensheid ten opzichte van de staat Israël. Zijn loyaliteit lag bij mensen, niet bij naties. Zou hij een Auschwitzgrens herkennen als hij er een zag?
Aan de overzijde van de tafel nam Judith een trage slok van haar koffie. De afgelopen dagen was ze als vanzelfsprekend bij hem gebleven, zij bereidde de maaltijden, verzorgde de jongen, schiep de randvoorwaarden waaronder Kaplan zou moeten kunnen functioneren. Maar de woorden kwamen niet. Misschien was hij te betrokken aan het raken bij de mannen in het kamp. Het idee dat hij als alziende regisseur over hun lot kon waken, viel hem steeds zwaarder.
Telkens wanneer Kaplan ’s ochtends, na gedrieen te hebben ontbeten, de deur uit ging, rilde hij in zijn overjas. En wanneer hij ’s avonds, na de hele dag in het eenzame gezelschap van de mannen in het kamp te hebben geschreven, de deur weer opentrok, rilde hij nog steeds. Hij schoof de krant opzij. Judith en hij voegden zich bij de jongen op de bank. Kaplan zette het History Channel op. Het programma heette: WW II Europe’s Secret Army.
Judith: “Is dit wel geschikt?”
Kaplan: “Stil nou even.”
Een zware voiceover nam het over. “Stel dat jij in bezet Nederland leefde; wat zou jij doen? Zou jij je leven wagen?” Kaplan zag mannen en vrouwen die niet anders waren dan Judith en hijzelf, zouden Abraham en zij hetzelfde zien? Zodra er Duitse soldaten in beeld kwamen, herkenbaar aan hun Stahlhelm, maakte de jongen van zijn hand een pistool en begon schietgeluiden te maken naar het scherm. Judith keek Kaplan beschuldigend aan.
Toen de jongen op het punt stond zich over te geven aan een energie-exces waarvan Judith de brokstukken zou moeten opvegen, pakte zij de afstandsbediening en zette de televisie uit. Abraham bedaarde pas toen hij zag dat niet Kaplan maar Judith op het knopje had gedrukt. Met gebaren stelde ze hem voor te gaan douchen. En terwijl ze hem meenam naar de badkamer, deed Kaplan zijn best blind te blijven voor het contrast met de tegenstand die Abraham steevast had geboden bij zijn pogingen om hem te wassen. De jongen dreef van hem weg, en hij had niemand om het aan te wijten, of het moest Judith zijn. Misschien was hij wel te jaloers om ooit een echte vader te kunnen zijn.
Maar het boek was nog te redden, zag hij in. Hij moest Judith de waarheid zeggen, vandaag, nu./

Daan Heerma van Voss
De laatste oorlog
De Bezige Bij
€19,90