Afscheid van de tien kilometer

De tien kilometer gaat eraan. Ik las het en dacht nog: ze zullen wel een andere tien kilometer bedoelen. Maar het ging wel degelijk om die ene tien kilometer. Niet om een andere.

Gisteren, in Minsk, werd vermoedelijk een van de laatste tien kilometers bij een allroundschaatstoernooi verreden. Een grote fout. De tien kilometer is de parel in de kroon van de schaatssport. Je hebt de mannenfinale op Wimbledon, de honderd meter vrije slag in het zwembad en de vijftienbanenloop van Appelscha in de wereld van het bowlen. Dat is de tien kilometer: een gebeurtenis van formaat.
Het zijn, ik vertel niets nieuws, onzekere tijden. Manchester United wint wedstrijden, Ria Stalman blijkt haar discussen niet altijd op een glas appelsap en een aspirientje naar Oost-Duitse afstanden te hebben gesmeten en David Bowie blijkt sterfelijk.
Als je een ding niet moet doen in onzekere tijden, is het vrijwillig tornen aan die paar zekerheden die over zijn. De tien kilometer op de zondagmiddag is (of: was) zo’n zekerheid.

Het verrukkelijke aan de tien kilometer is natuurlijk dat er geen einde aan komt. Dertien minuten. Per rit. In dertien minuten kun je een klein afwasje doen, je dagelijkse buikspieroefeningen afwerken of een gedicht schrijven dat tot honderd jaar na je dood op alle scholen wordt gedeclameerd.
En dat is dan nog maar een enkele rit.
De tien kilometer was de tantra onder de sportevenementen: hoe lang hij ook duurde, een climax kwam er nooit. Van opwinding was ook niet vaak sprake – je kunt niet een hele middag opgewonden blijven en bovendien: vaak lag de uitslag van tevoren al wel zo’n beetje vast – maar wat die mensen bij de ISU toch zouden moeten begrijpen: dat is precies waar het om gaat. De tien kilometer is een laatste baken van rust. Er gebeurt nog maar zo zelden Niets.
Nooit meer languit op de bank, op zondagmiddag, nooit meer langzaam wegdoezelen bij het zingen van de sirenen Herbert Dijkstra en Martin Hersman. Steeds zachter klinken de rondetijden, steeds vager het geluid van dat verdomde dweilorkest. Je hoort nog een eindtijd, 12:48 en nog iets. Er gebeurt niet veel en wat er gebeurt, kan je eigenlijk niet schelen.
De tien kilometer op zondagmiddag is een mensenrecht, en ze zijn bezig het ons te ontnemen. Ik begrijp dat er zelfs stemmen opgaan om de tien kilometer te vervangen door de duizend meter. Je zou dat nog het beste kunnen vergelijken met het bezit van een antieke vaas. Je hebt een vaas, hij is nog van je oma geweest en die heeft hem ooit gekregen van een lichtmatroos met wie ze nog eens wat heeft gehad en die kort na overhandiging aan scheurbuik is bezweken. Die vaas komt van een eiland in de Stille Oceaan en is gemaakt van klei, bananenschillen en de schedel van de laatste dodo. Veertig dorpelingen hebben hem drie maanden lang dag en nacht droog staan blazen en vervolgens hebben ze de God van de Zon en de Cocktails gebeld en die heeft ‘m ingezegend en een paar weken later kwam de lichtmatroos langs en die zag die vaas staan en zodoende staat hij nu bij jou op het dressoir. Mooi is ie niet, maar je kent het verhaal en dat is voldoende. En dan komt er op een dag een nieuwe vriendin op bezoek, eentje met een goede smaak. Ze ziet die vaas, veegt hem ogenblikkelijk op de grond en zegt: ‘Bij de Blokker hebben ze heel leuke dingetjes, ik ga vanmiddag wel even voor je kijken.’
Ik houd er nooit zo van als mensen zeggen dat dit of dat ‘als het leven zelf’ is – het leven zelf is vaak niet eens als het leven zelf – maar voor de tien kilometer op de schaats maak ik graag een uitzondering: die is verdorie meer als het leven zelf dan het leven zelf. Kleine momenten van geluk en verdriet, verder vooral eindeloos vaak exact dezelfde rondjes en aan het eind ben je kapot.

Dag, lieve Tien
Op Radio 1 werd Gianni Romme vrijdag gevraagd wat er zo mooi was aan de tien kilometer. Fout. Je moet natuurlijk nooit aan sporters vragen wat er zo mooi is aan hun sport. Weten ze niet. Sporters geloven dat sport mooi is omdat zij er goed in zijn. Gianni Romme zei: ‘Iedereen heeft in huis wel een trap. Ren die drie keer hard op en neer en je hebt in je benen het gevoel dat wij als schaatsers na drie rondjes op de tien kilometer hebben.’ Je komt, zoals Romme het omschreef, ‘tegen een muur op te rijden’.
Het lijkt erop dat de laatste tien kilometer in z’n puurste vorm is verreden in Minsk. Dat had natuurlijk in Thialf gemoeten, in het bijzijn van Bob de Jong, hogepriester van de verveling en de verzuurde bovenbenen. Hij had nog enkele woorden moeten spreken (‘Dag, lieve Tien’) en daarna had hij, heel symbolisch, de verwarming in de hal moeten opendraaien, zodat alle toekomstige tien kilometers letterlijk in het water zouden vallen.

Kijk, je zult mij niet horen zeggen dat de tien kilometer niet uit het programma mag worden geschrapt. Zoals Ab Krook op de radio zei: de wereld verandert. Ik juich het zelfs toe – zolang er maar een 25 kilometer voor in de plaats komt.
Of een vijftig. Op zondagmiddag. Live. Alle ritten. Alvast bedankt.