Met een uurtje maatschappijleer verwerken leerlingen zo’n aanslag niet

De aanslagen in Brussel zijn ook in veel klaslokalen onderwerp van gesprek. Leerlingen kunnen extreem reageren en delen vaak niet dezelfde opvattingen. De een heeft vragen, de ander is bang, weer een ander is boos en dan lazen we deze week ook nog dat bericht over die Amsterdamse leerlingen die euforisch waren. Hoe ga je hier als leerkracht mee om?

Een Twitterbericht opstellen is misschien niet altijd de meest wenselijke reactie, bleek uit het feit dat er afgelopen dinsdag drie politieagenten voor de deur van een yogaleraar uit Breda stonden.

De politie meldde Mol dat de tweet voor een slecht een imago van de stad zorgde en het gevaarlijk zou zijn zulke haatzaaiende berichten te verspreiden.

Minister Asscher stelde woensdag in een debat in de Kamer dat de leraar het debat aan moet gaan met zijn klas. Leerlingen zouden volgens Asscher moeten leren om kritisch na te denken. Ook Nieuwsuur besteedde woensdag in een item aan aandacht voor terreur bespreken in het onderwijs met als conclusie dat de aanslagen in Brussel ook voor docenten een uitdaging is.

Diversion
Diversion, een bureau voor maatschappelijke innovatie, ontwikkelde samen met het Nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling (SLO) een methode voor leraren in opleiding die bijvoorbeeld zoiets als een terroristische aanslag moeten verwerken in de klas.

Dieuwertje de Graaff, werkzaam voor Diversion, hielp deze methodiek ontwikkelen. Ze deed een rondgang in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs en concludeerde dat er verschillende werd gereageerd door leerlingen op de aanslagen in Brussel. De een is angstig, de ander verongelijkt. Een leraar moet dus enerzijds reageren op vragen als ‘Gaat het hier ook gebeuren?’ en anderzijds op de vraag waarom er zoveel aandacht is voor deze aanslagen, terwijl er veel meer wereldellende is waar minder aandacht voor is.

Maatschappijkritische vragen
Volgens De Graaff zijn de maatschappijkritische vragen het lastigst te beantwoorden. “Naar aanleiding van de aanslagen in Parijs in november ontstonden er in de klas veel complottheorieën en bij de aanslag op Charlie Hebdo vonden veel leerlingen dat ze zelf agressie hadden uitgelokt door spotprenten te publiceren.” De gesprekken kunnen behoorlijk verhit raken en de leerlingen doen vaak ongenuanceerd, felle uitspraken.

“Het uurtje maatschappijleer is niet genoeg om met deze vragen om te gaan, maar het is wel belangrijk dat het gesprek gevoerd wordt,” en daarom is het aan alle docenten om leerlingen in hun discussies te begeleiden en vragen te beantwoorden.

Dat de yogaleraar de tweet over de applaudisserende leerlingen de wereld inbracht noemt De Graaff spijtig. “Zoiets kan stigmatiserend werken en het is bovendien niet representatief voor hoe er gereageerd wordt. Het percentage waarbij leerlingen zo reageren is miniem. En hoewel leerlingen heftige uitspraken kunnen doen, is dat vaak heel impulsief en het kan ook een manier van angst formuleren zijn.”

Meer leuke content? Like ons op Facebook