Misschien is Peter Sagan helemaal geen wielrenner

Tja, Peter Sagan. Probeer daar nog maar eens iets nieuws over te zeggen. Ho, nee, stop maar. Kan niet, is al gezegd. Dat ook. Ja hoor. De woorden over Peter Sagan zijn allemaal al eens gebruikt, het zijn tweedehands begrippen. Ze zijn wel waar, ja, dat wel, maar er is weinig aan om er nog een superlatief aan toe te voegen. Je hebt toch het gevoel dat je je koffie drinkt uit een kopje met lippenstift op de rand.

Van alle wielerwedstrijden die er op de wereld bestaan is de Ronde van Vlaanderen de meest traditierijke en van alle Rondes van Vlaanderen was die van gisteren een van de geweldigste.
De geweldige Ronde begon met de dood. Op een door honderden agenten geobserveerd marktplein in Brugge – angst is een doordringende geur die ook in de sport altijd wel een openstaand keukenraampje vindt om doorheen naar binnen te zweven – werd een minuutlang gezwegen, ter ere van Antoine Demoitié. Even waren de gedachten bij een jongen van 26 die nog geen week dood was. Gestorven in koers.
De vriendin keek verstoord op van haar boekweitpancake en mompelde: ‘Ze zijn gek.’
“Ze”, dat waren Karl Vannieuwkerke, Sven Nys en Eddy Planckaert, die achter een kop koffie de dag zaten voor te beschouwen alsof er geen morgen bestond. Conclusie: het weer was goed, de moraal was goed, de Belgen waren nog beter en de Ronde was het best.
‘We gaan naar de start!’ riep Vannieuwkerke.
‘Je doet je best maar,’ mompelde de vriendin boven haar feestelijk gekleurde glas bloedsinaasappelsap.
Renaat Schotte, voor eeuwig vastgeklonken aan het achterzitje van een volgmotor, deed verslag van de passage door Aartrijke.
‘Eirtrikke Berg, zoals ze hier zelf zeggen.’
‘Zeg dan niks,’ gaapte de vriendin en slurpte van haar gemberthee. Daarna volgden beelden uit wat dan de “rijke geschiedenis van de Ronde” heet: wat korrelig zwartwit, een ouwe gek die beweerde ook ooit te hebben gewonnen en een schuimbekkende Johan Museeuw. Dit was voor de vriendin het moment om te gaan douchen.

Greg
Nog voor de Ronde zondag goed en wel op gang was, lag Tiesj Benoot er al uit. Tiesj is alles wat je van een sporter wil dat ie is – aanvallend, slim, jong, nuchter en vreselijk goed – en daarom loopt heel Vlaanderen met ‘m weg. De kans dat Tiesj de Ronde zou gaan winnen, was ongeveer 85 procent. Helaas was dat buiten de omstandigheid gerekend dat in de Ronde van Vlaanderen jaarlijks tenminste een held over de kop gaat en zo het lokale krankenhuis in kukelt.
Die held was dit jaar Tiesj Benoot, de renner aan wiens naam altijd wordt toegevoegd dat hij tot voor kort nog studeerde. Alsof je over Superman zegt: ‘Hij werkte tot voor kort bij de lokale krant.’
En toen ging het pas echt mis. Greg, De Grote Greg, de eeuwige Nummer 5 die sinds dit jaar plots steeds maar eerste wordt, de Greg van wie zelfs de vriendin geen achternaam hoeft te horen om te weten dat hier niet Lemond, of R., of Nottrot betreft; Greg, de underdog die een, nou ja, dog werd. Die Greg ging ter hoogte van het marktplein van Sint-Blasius-Koepel over de kop en eindigde op het trottoir met een puzzel als sleutelbeen.
Met zijn goeie arm smeet hij zijn helm weg.
In de commentaarcabine werd gezwegen.
‘Ik begrijp het als u thuis even op tafel stampt,’ mompelde Michel Wuyts met de stem van een begrafenisondernemer. Greg werd afgevoerd naar het ziekenhuis van Zottegem. Dat klonk, op de een of andere manier, toch minder ernstig.
‘Greg is gevallen!’ riep ik naar de badkamer.
‘Ik sta op mijn hoofd,’ riep ze terug.
Het duurde even voor Wuyts en De Cauwer hun olijke zelf weer terug hadden, maar toen het peloton de Kaperij en de Kanarieberg naderde, keerden de raadselachtige dialogen terug in het commentaar.
‘We gaan naar de Kanarieberg. De fluitende berg. Bovenop de Kanarieberg ligt het Muziekbos. Wist jij, José, dat het Muziekbos drie miljoen jaar geleden aan zee lag?’
‘Het zal hier duur geweest hebben dan.’
En, bij een aanval van een handjevol onbelangrijke renners: ‘Dit is anticiperen. Anticiperen om te isoleren.’
‘Ik weet niet of je met dit weer moet isoleren.’
‘Ah, daar is Svein. Tuft. Onzen Tuffer.’
De vriendin stak haar hoofd om de deur: ‘Kan dat geraaskal iets minder hard? Ik zit effe naar buiten te kijken.’

En voort, richting Oudenaarde. Via Michelbeke en de Zwalm, via de ravitaillering (‘Oppassen voor zakjes die beginnen zwadderen!’) en de Berendries (‘er is hier geen soelaas van het gootje’). Voorop reden Erviti, een onverstoorbare Bask, en Dimitri Claeys, een Vlaming die vergeten was zijn jasje dicht te doen en zodoende een hele dag door de Vlaamse Ardennen wapperde als een leeg boterhamzakje.
Op en neer ging het, steeds lagen er andere, weer nieuwe onbekenden voorop. De ene wiggelwaggelbeweging volgde de andere op. Het was krasselen op het grote mes, het was van tuttuttutut en zoef rakketakketak. Hoe het allemaal zou gaan aflopen bleef ongewis – zelfs de wichelroede van Jose de Cauwer weigerde te trillen.
Tot Peter Sagan vertrok. Toen wist zelfs de vriendin op het balkon hoe laat het was.
Je zou de kracht van Peter Sagan kunnen beschrijven, maar welk nut heeft het? Je gaat ook geen orkaan beschrijven door te schrijven dat het ‘hard waaide, met hier en daar een bui’. Wat ik bedoel: de gangbare wielerwoorden zijn onvoldoende geëquipeerd om zijn pletwalsachtige manier van fietsen op papier te vertegenwoordigen. Misschien volstaat het om te beschrijven wat hij deed, zondag: eerst liet hij, op de door de wat viezige supermarktketen Lidl gesponsorde Oude Kwaremont, Michal Kwiatkowski zijn peren zien, om vervolgens een bergje verder Sep Vanmarcke, de enig overgebleven Vlaming, af te schudden als een op hol geslagen paard zijn berijder. Vanaf dat moment raasde Peter Sagan solo over het macadam, op de hielen gezeten door Vanmarcke en Cancellara.
‘Ze naderen!’ riep Wuyts.
‘Omdat ze dichterbij komen,’ vulde De Cauwer aan.
‘Allemachtig,’ zuchtte de vriendin vanuit de keuken.

Sagan geen coureur
Sagan won.
Wuyts: ‘Hij is fantastisch. Hij is in alles fantastisch.’
De Cauwer: ‘Hier ga ik even voor recht staan.’
Daar was de vriendin alweer. ‘Afgelopen?’
Ik knikte verslagen, de finish van de Ronde van Vlaanderen is toch als het einde van een heel leuk feestje: je wordt er treurig van, omdat je al je vrolijkheid hebt opgebruikt.
‘En hij heeft gewonnen?’
Ze wees. Daar zat hij. Correctie: daar zat Hij.
‘Wat een gek stemmetje. En wat heeft ie nou op z’n hoofd? Een knotje? Is dat nou een wielrenner of een barista die op een eenwieler denneboomvormpjes in een zelfgeblazen koffieglas giet?’
De regie zwenkte naar de studio van Vannieuwkerke, waar dezelfde postcoïtale vermoeidheid leek te zijn neergedaald. Naast Sven Nys en Eddy Planckaert zat Stijn Vandenbergh, die rechtstreeks uit de Ronde van 1931 gefietst leek.
‘Kijk, dat,’ zei de vriendin en ze stak een partje mandarijn in haar mond, ‘dat is een wielrenner. Die andere toch niet? Ik weet niet wat het wel is, maar een wielrenner in elk geval niet. Zet ‘m zo effe op 4; ‘Carlo’s TV-café’ begint.’
De beste wielrenner ter wereld geen wielrenner? Peter Sagan geen coureur?
Het leek me onzin, maar het was in elk geval iets nieuws.