Herman Brusselmans: “Ilja Leonard Pfeijffer is een pretentieuze eikel”

Acht columns per week, twee boeken per jaar: Herman Brusselmans (1957) is een veelschrijver. Op 17 mei verschijnt zijn zeventigste boek: Zeik en het lijk op de dijk. Heeft hij tussen het schrijven door nog wel tijd om te lezen, muziek te luisteren en films te kijken?

Boeken
“Het hangt er natuurlijk van af hoe dik een boek is, maar in principe lees ik toch wel vier à vijf boeken in de week. De boeken die ik deze week heb gelezen, zijn toevallig drie brievenboeken: De kunst is mijn slagveld van Nanne Tepper, Frans Kellendonk – De brieven en Brieven uit Genua van Ilja Leonard Pfeijffer.
“De boeken waren stuk voor stuk interessant, maar de brieven van Nanne Tepper sprongen er toch wel uit. De rode draad is zijn worsteling met het manuscript van zijn debuutroman, maar bovenal: de worsteling met zichzelf. Met zijn drank- en drugsprobleem. Hij beschrijft dat heel erudiet. Nog erudieter zijn de brieven van Frans Kellendonk. Zijn werk, waaronder zijn bekendste boek Mystiek lichaam, sprak me nooit zo aan, maar zijn brieven zijn interessant. De kracht van deze brieven, en dat geldt ook voor de brieven van Nanne Tepper, is dat ze niet geschreven zijn om gepubliceerd te worden. Daarom geven de schrijvers zich makkelijk bloot. Heel anders zijn de brieven van Ilja Leonard Pfeijffer, die wel geschreven zijn met de intentie om ze te publiceren. Het schrijven van de brieven is zelfs het onderwerp van de brieven – metaliteratuur. Pfeijffer blijkt een ongelooflijke pretentieuze eikel.”

Hij schrijft bijvoorbeeld dat hij vindt dat hij de ECI Literatuurprijs en de Libris Literatuurprijs móet winnen voor zijn roman La Superba. Hij schrijft ook dat hij niet normaal over straat kan omdat hij continu wordt lastiggevallen door bewonderaars. In het begin dacht ik nog: hij neemt ons allemaal in het ootje. Hij zal op een bepaald moment wel zeggen: ik ben helemaal niet zo fantastisch. Maar hij blijft het volhouden. En het gaat ook maar door. Hij beschrijft bijvoorbeeld hoe alle meisjes zich dolverliefd aan zijn voeten werpen. Meisjes die hij dan ook nog eens beschrijft als ‘absolute schoonheden’. Ik weet uit ervaring dat het weleens gebeurt, maar niet zoals hij het beschrijft. Heb je die man weleens gezien? Hij draagt Crocs omdat zijn voeten in puin liggen van zijn enorme buik. Over dat lange haar zal ik maar zwijgen. Maar ik geloof er dus niets van. Je moet het lezen om te geloven hoe zelfingenomen die man is. Maar juist daarom heb ik me er wel mee geamuseerd.
“Ik lees veel jonge schrijvers. Ik wil op de hoogte blijven van wat er allemaal verschijnt. Bijvoorbeeld de jongens en meisjes van Das Mag. Schuld van Walter van den Berg heb ik halverwege weggelegd. Ik heb het wel een beetje gehad met die boeken over de Amsterdamse penoze. Het was ook nog eens niet goed geschreven. Maar het was wel Boek van de Maand bij De Wereld Draait Door. Daar begrijp ik dus al niets van, maar van dat boekenpanel begrijp ik nog minder. Vier boekhandelaren die hetzelfde boek kiezen als boek van de maand? Dat is toch bullshit. Ik ben er zeker van dat er achter de schermen gelobbyd wordt om een boek tot boek van de maand te bestempelen. Waarom die vier dooie planten iets vragen? Vraag het aan vierhonderd boekhandelaren. Maak een enquête. Dan krijg je een veel beter beeld van wat goed is en wat niet.
“Die Lize Spit, ook van Das Mag, is nu een hype met haar debuut Het smelt. Ik heb het gelezen, maar ik vond het absoluut geen goed boek. In de eerste plaats wemelt het van de taalfouten. ‘Kwart na vier moesten wij…’ Iedere schrijver hoort te weten: het is niet kwart na vier, maar kwart over vier. De premisse is ook heel zwak. Het boek begint met een raadseltje van een man die zich heeft opgehangen in een huis, maar nergens is een stoel of wat dan ook te bekennen – alleen een plas water onder zijn voeten. Iedereen weet dan al dat hij op een blok ijs heeft gestaan. Verzin eens iets beters om de spanning erin te houden. En zo waren er nog wat dingen. Maar ik snap de hype wel enigszins. Er zitten bepaalde scènes in het boek die blijven hangen. Bijvoorbeeld wanneer dat meisje wordt verkracht met een ijzeren pin en haar kut daarna wordt dichtgelijmd met lijm. Mocht ik zoiets schrijven, ben ik een vrouwonvriendelijke perverse sadist, maar schrijft Lize Spit het dan is het een genie. Nee, dan lees ik liever De kinderen van Calais van Lara Taveirne of Boek (256 blz.) van Robert van Eijden. Die verkopen een stuk minder boeken, maar zijn stukken getalenteerder.”

Muziek
“We komen nu op een punt, en dat geldt voor alle vormen van kunst, waarop alles al eens is gedaan. Ik ben van 1957. Ik heb de opkomst van de popmuziek meegemaakt, van de rock, van de punk, van de disco, van de house… Welk nieuw muziekgenre kan er nu nog komen dat ons zodanig van de sokken blaast als bijvoorbeeld The Beatles hebben gedaan? Ik zou het niet weten. Alles wat vanaf nu wordt gemaakt, zal tweederangs zijn.
“Natuurlijk zullen oude genres zich steeds opnieuw blijven vernieuwen. Taylor Swift, om maar eens iemand te noemen, maakt lekkere popnummertjes. Haar album 1989 vind ik erg goed. Ryan Adams heeft dat album trouwens ook prachtig akoestisch gecoverd, ontdekte ik. Misschien nog wel mooier dan het origineel. Bad Romance van Lady Gaga vind ik een wereldnummer. Er staat een paard in de gang van André van Duin vind ik ook een wereldnummer. Dat vind ik echt. ‘Er staat een paard in de gang, bij buurvrouw Jansen.’ Dat is fantastisch.
“Als ik zou moeten kiezen tussen muziek en literatuur, zou ik het moeilijk krijgen. Ik heb zelf altijd muziek willen spelen. Ik heb ook heel lang een drumstel gehad. Maar toen ik een kat kreeg en ruimte moest maken voor de kattenbak, was ik genoodzaakt om mijn drumstel te verkopen. Ik kon het ook niet maken tegenover mijn buren om op dat ding te spelen. Dus nu drum ik achter mijn computer, op mijn bureau. Als ik op YouTube naar muziek luister. Het nummer Wings van Birdy – een zeventienjarig zangeresje uit Engeland – is fantastisch om bij mee te drummen. Of iets van Kensington: All For Nothing vind ik een fantastisch nummer. Streets ook. Home Again idem dito. Ze hebben een heel vreemde drummer, die linkshandig rechts speelt. Het is jammer dat ze hier niet zoveel worden gedraaid. Dat komt: de meeste Vlamingen haten Nederland. Als je zegt dat het een Amerikaanse band is, vinden ze het fantastisch. Maar zeg je dat het Nederlanders zijn, dan is het niets. Frank Zappa vind ik ook geweldig. Laatst zag ik een interview met hem, een paar dagen voor zijn dood opgenomen. De interviewster, die zwaar onder de indruk was van hem, durfde toch te vragen: ‘Je bent nu wel ziek, maar je zit toch te roken. Hoe zit dat?’ En Zappa antwoordde: ‘Tobacco is my favorite vegetable.’ Eigenlijk zei hij: ik heb me doodgerookt, maar ik ga ermee door tot ze me het graf in pleuren. Als roker (Brusselmans rookt drie pakjes per dag – red.) heb je daar wat aan.
“Ik merk wel dat ik gevoeliger word met de tijd. Je zou denken: je stompt af als je ouder wordt, je hebt al zoveel ellende gezien – oorlogen, Biafra, creperende kinderen – maar het tegendeel is waar. Dat komt misschien ook wel door mijn privétoestand. Ik ben alleen, ik ben vaak eenzaam, en als je dan in het diepst van de nacht eenzaam naar een cheesy nummer… Van de week zat ik te kijken naar Bloed, Zweet & Tranen, een film over het leven van André Hazes. Er zit een scène in dat zestigduizend mensen Zij gelooft in mij meezingen in de ArenA. Ik moest huilen. Vroeger had ik Tania, mijn ex-vrouw, of mijn vriendin die dan in bed lag, of kwam mijn hond Eddie vier keer per nacht kijken of ik er nog wel zat… Maar Eddie is vaak bij Tania en de vriendin is er niet meer, dus meestal is er niemand in huis behalve ik. En dat maakt me dan melancholisch.”

Theater
“Over theater kan ik, net als over beeldende kunst, weinig zeggen omdat ik weinig mijn huis uit kom. Ik ben een huismus. Dus eigenlijk moet ik hier mijn bek over houden. Toneel trekt mij sowieso niet. Ten eerste vind ik de afstand te klein. Acteurs in een film zijn ergens anders, maar in het theater staan ze vlak voor je neus. Ik zie zo’n acteur op de fiets naar het theater gaan, zichzelf aankleden en opdoffen en dan het toneel op gaan. Je moet denken: ik zie geen acteur, maar ik zie een personage. En daar heb ik het moeilijk mee. Ooit hoorde ik het verhaal van een acteur die, kort voordat hij als Hamlet het podium op moest, in te coulissen stond te sakkeren dat hij een belastingaanslag had gekregen. En meteen daarna liep hij het podium op: ‘To be or not to be…’ Dan denk ik: ik kijk naar mensen die eigenlijk wel wat anders aan hun hoofd hebben dan hier voor mijn neus een beetje spelen.
“Ik heb wel veel theater gelezen. William Shakespeare, Tennessee Williams, Eugene O’Neill… Ik vind toneelstukken op papier vaak ook sterker dan wanneer ze op de planken worden gebracht. Ik heb samen met Tom Lanoye, in alle bescheidenheid, ook een soort van classic geschreven: De Canadese Muur. Dat stuk is inmiddels honderden keren opgevoerd en wordt nog steeds wel gespeeld, vooral door amateurtheatergroepen. Ik ben zelf ook weleens wezen kijken naar zo’n uitvoering, maar dan denk ik toch: als je het leest, is het beter. Waar ik ook een beetje moe van word, is dat er altijd zo’n belang aan wordt gehecht aan het vertalen van een stuk naar de moderne tijd. Een hiphopversie van Macbeth om maar eens wat te noemen. Doe maar niet. Gesubsidieerd regisseurstoneel is het. Nog een laatste reden waarom ik niet graag naar het theater ga, is dat ik psychosomatisch moet plassen. Altijd als ik in het midden van de zaal zit, denk ik: shit, als ik tijdens de voorstelling moet plassen, moet iedereen voor mij opstaan. En dan gebeurt het, hè.”

Kunst
“De beeldende kunst volg ik wel, maar vanuit huis. Je hebt in Vlaanderen bijvoorbeeld de drie ‘mansen’: Dillemans, Tuymans en Borremans. Drie schilders die wereldwijd beroemd aan het worden zijn. Maar een tentoonstelling bezoeken vind ik te veel gedoe: je moet je verplaatsen, je moet een kaartje kopen, je moet je in een mensenmassa begeven… Ik google ze liever. Dan heb ik al hun werk in één oogopslag voor me.
“Ik ben een groot fan van Jan Fabre. Hij schrijft ook ongelooflijk kuttoneelstukken, maar zijn beelden, zoals De man die de wolken meet, vind ik fantastisch. Kamagurka maakt geweldige schilderijen. Zijn schilderijen liggen in het verlengde van zijn cartoons. Ik ben laatst bij een tentoonstelling van hem geweest waar ik zijn schilderijen zag en die maken, dat moet ik eerlijk toegeven, in het echt veel meer indruk dan wanneer je ze op een beeldscherm ziet. Ik werd overdonderd door de kleuren. En er is een schrijver, een heel bijzondere schrijver trouwens, die ook fantastische doeken maakt: Pjeroo Roobjee. Een zeer eigenzinnige man. Hij verkoopt geen boek, maar toch blijft hij schrijven. Hij schrijft in zeer, zeer archaïsche taal, bijna niet te lezen, maar ik lees het wel graag. Zijn schilderijen hebben allemaal heel rare titels. De dag dat Hitler zijn wandelstok niet vond, of zoiets. Maar ook dat kan ik wel waarderen.
“Mijn absolute held is René Magritte. Die had romanschrijver moeten zijn. Zijn schilderijen – de man met de wolken door zijn hoofd, de pijp die geen pijp is – hadden boeken moeten zijn. Mocht Magritte schrijver zijn geweest, dan had hij boeken geschreven als Zazie dans le métro en Exercices de style van Raymond Queneau. Boeken waar ik erg veel van houd.”

Film
“Ik ben een trouwe filmkijker. Dat wil zeggen: als iemand goede films heeft gemaakt maar ineens slechte films gaat maken, val ik hem niet af. Vaak zijn de slechte films van die mensen nog vele malen beter dan de goede films van vele anderen.
“Woody Allen heeft een enorm oeuvre en, toegegeven: daar zitten ook wel wat mindere films bij, maar ik zou nooit niet naar een film van hem gaan. In mijn toptien van beste films aller tijden staat zijn Manhattan onbetwist op een. Dat is de perfecte film. Het is grappig, het heeft fantastische dialogen die fantastisch worden gebracht en de thematiek – een man van in de veertig die verliefd wordt op een meisje van zeventien – spreekt me ook erg aan, omdat ik als man van bijna zestig ook date met meisjes van in de twintig. Van de Coen Brothers wil ik ook alles zien. En van Quentin Tarantino. Pulp Fiction gaf me destijds echt een enorme klap op mijn kop. Dat komt onder meer door die gekke opbouw. Het verhaal eindigt op het moment dat Bruce Willis met zijn vriendinnetje achterop wegrijdt op zijn motor, terwijl die scène in het midden van de film zit. Tarantino heeft in de montage gehusseld met de tijd. Aan het eind komt John Travolta bijvoorbeeld in beeld, terwijl hij eerder in de film al is doodgeschoten. Zijn Jackie Brown en Kill Bill waren minder aan mij besteed, maar Django Unchained en Inglourious Basterds vond ik dan wel weer fantastisch. Zijn nieuwste film, The Hateful Eight, heb ik nog niet gezien. Ik heb zoveel slechte kritieken gehoord, dat ik maar wacht tot hij op televisie is.
“In Gent heb je een historisch café: Charlatan. De vader van regisseur Felix Van Groeningen – een dertiger die al vijf films op zijn naam heeft staan, waaronder De helaasheid der dingen – heeft dat café ooit opgericht. Twee broers namen het café een jaar of vijftien geleden over. Sex, drugs & rock-’n-roll was het gevolg. Die Felix heeft nu een speelfilm gemaakt over de twee broers en hun café, dat in de film Belgica wordt genoemd. Dat is dan ook meteen de titel: Belgica. België heeft sowieso wel een goede filmcultuur. De beste Belgische film ooit gemaakt vind ik C’est arrivé près de chez vous van Rémy Belvaux, André Bonzel en Benoît Poelvoorde. Zij hebben met zijn drieën die film geschreven, geregisseerd en gespeeld. Het verhaal: een cameraploeg volgt een seriemoordenaar, gespeeld door Benoît Poelvoorde. Die legt dan uit: ik ga nu een postbode vermoorden, want zijn gezicht staat me niet aan. Die mensen filmen dat dan. En aan het eind, en dat is de crux, gaat die cameraploeg er zo in mee dat ze zelf ook gaan moorden. Het is een enorm grappige film. De manier ook waarop die Benoît Poelvoorde met die dwaze kop alles uitlegt… Op een gegeven moment gaat hij een oud vrouwtje vermoorden. Maar vlak voor het moment dat hij haar dood wil schieten, gaat hij bij haar naar het toilet. Daar ziet hij dat ze medicatie heeft staan voor een hartziekte. Vervolgens laat hij haar zo hard schrikken dat ze aan een hartaanval sterft, om zich daarna tot de camera te richten en te zeggen: ‘Zo, alweer een kogel bespaard.’”/