Deze Marokkaan uit Ede is mijn held

Mensen die mij kunnen kennen weten dat ik gediplomeerd Marokkanoloog ben en tevens niet graag over mijn bakermat Ede schrijf. Welnu: in dit vertoog – zeg maar mijn vrijdagmiddagpreek voor de ongelovigen – zal ik proberen een brug te slaan tussen deze twee heikele kwesties.

Diversiteit is mijn middelste naam. De kleine Tuurtje had een mateloze fascinatie voor alles wat een kleurtje had. Van jukbeenderloze mannen met melkboerenhondenhaar die Henk heetten en spichtige vrouwtjes met uitgeteerde melkklieren die steevast Anja heetten en collecteerden voor het Rode Kruis en Jantje Beton moest ik niks hebben.

Ik meen dat mijn eerste echte held de Afro-Afrikaan Steve Mokone was, de zwarte meteoor van de Almelose voetbalvereniging Heracles. Die slecht zittende pruik van Studio Sport, Egbert Egbertszoon, is destijds helemaal binnengelopen op dat onderwerp terwijl het een idee van mij kwam. Story of my life.

De eerste moslims die ik ooit zag waren Turken en Marokkanen. Ze vestigden zich in het midden van de jaren zestig in mijn uit de kluiten gewassen geboortedorp waar de verveling hoogtij vierde. Slechts dwangmatig rukken op posters van Steve Mokone schonk mijn vertroebelde geest tijdelijke verlichting. De komst van de besnorde, donkere migranten met een vreemd geloof in woestijnkabouters veroorzaakte dan ook de nodige opschudding. Ze werkten op het industrieterrein aan de rafelrand van het kutdorp. De zeer vrome Edenaren hadden geen besef van de islam, want daar schreef de Bijbel niet over. De uitdrukking ‘vieze Turk’ kenden ze wel want de angst voor de Ottomanen had zich in het collectieve bewustzijn van de christenen genesteld. Nie wieder Wien!

Ooit waren de islamitische legers gestrand bij Poitiers en Wenen, nu kwamen ze via de achterdeur toch binnen. Uit christelijke naastenliefde brachten mammie en ik af regelmatig tweedehands kleding en andere afdankers naar de armetierige knoflookpensions waar de gastarbeiders bivakkeerden. Ze droegen mutsjes en rare jurken en boden ons thee aan die we niet opdronken. Ik was gefascineerd door deze buitenaardse wezens met hun onbegrijpelijke gebrabbel en dwaze mutsjes besloot reeds op zestienjarige leeftijd mohammedanologie en koranitisch Arabisch te gaan studeren, al geloofde ik uiteraard niet in de profeet Mohammed want volgens mama was alleen de Heere Jezus een echte profeet en de rest trok fles.

Enfin. Wij hadden het niet echt breed thuis en ik moest van mama gaan werken op de beruchte plasticfabriek van Rebedex in Ede. Rebedex maakte fluitjes en andere kankerverwekkende zooi die we nu van onze gele vrienden betrekken voor een habbekrats. Ik moest dan van die kankerkorrels in een soort trechter gooien en dan verschenen er op de lopende band fluitjes, je gelooft het niet. In die trechter zat een rode streep, daarboven mochten geen korrels. Ik ontdekte al snel dat de lopende band stopte als ik er te veel kankerkorrels in pleurde. Ik ben een geboren reactionaire anarcho-liberaal. Bij Rebedex werkte een moddervette Marokkaan die verrassenderwijs Mo heette. Die kwam gewoon in zijn Berber-streepjesjurk naar de zaak. Op een dag floot hij mij. Zat-ie aan zijn lul te kneden, dwars door zijn mohammedaanse soepjurk heen. ‘Iek dieke loel, viel kiender maak. Jij voel, dieke gaile loel?’ Ik chargeer niet. ‘Geef eerst maar een tientje, Aggesus,’ antwoordde ik vastberaden, ‘voor niks gaat de zon op.’ Begon die smeerlap gewoon te rukken in de tijd van de baas. Hij kwijlde als een mastino napoletano. Ik heb het later tegen mama verteld, dat ik gepest werd op het werk door dikke Mo. Toen zei ze, in al haar Rotterdamse en zakelijke nuchterheid: ‘Je hebt toch wel een tientje voor de moeite gevraagd, lief Tuurtje van me? Een heitje voor een karweitje.’

Goed, ik heb de oude Mo regelmatig vergezeld naar het Edesche badhuis en dan liet ik altijd mijn zeepje vallen, tegen een kleine vergoeding.  Mijn liefde voor de Marokkaanse medemens was een feit. Ik heb jarenlang het 4 mei-kransenvoetbaltoernooi in Ede verslagen voor de Groene Amsterdammert en mijn pageturner Brussel Eurabia is één grote hommage en liefdesverklaring aan de Marokkaanse medemens.  Tot nu toe was mijn grootste Barbarijnse held de jonge romancier Hafid Bouazza, met wie ik menig kruikje absint burgemeester heb mogen maken. Maar nu heb ik een nieuw Marokkaanse held! Salman Ezzamoury. Ik las de afgelopen weekeinde een ontroerend interview met hem in De Barneveldse Courant.

Ik citeer: “Hij noemt zichzelf vrijdenker, humanist en atheïst. Maar Salman Ezzammoury (57) groeide in Marokko op in een islamitische omgeving. In Nederland nam hij later het christelijk geloof onder de loep. De fotograaf en beeldend kunstenaar uit Ede neemt ferme standpunten in, zeker als het gaat om de Islam.”

“Ik was heel verbaasd dat Nederlanders de Islam zoveel ruimte geven. Want deze religie is zelf zeer intolerant. De moslims krijgen hier alle kans om deze kwade ideologie te verspreiden. Ik werd actief in Ede en voor de Marokkaanse gemeenschap, maar toen ze merkten dat ik een ongelovige was, werd ik lastiggevallen. Nu word ik nog in de gaten gehouden. De moslims doen niet mee aan de samenleving en zonderen zich af. Ze isoleren zichzelf, waardoor ze ook eenvoudig onder controle te houden zijn vanuit Marokko en de ambassade. Veel mensen zijn niet tevreden, maar durven niet uit de eigen gemeenschap te stappen, want dan worden ze uitgestoten. Maar toen ik dat deed, werd ik wereldburger en voelde ik de vrijheid. Ik geloof niet in grenzen, want daar ontstaan conflicten door. Ik ben heel internationaal gaan denken. Nationaliteit interesseert me niet. Overal zijn mooie mensen. Maar de meeste Marokkanen hebben zichzelf opgesloten en leven binnen een muur. Alle anderen daarbuiten zijn volgens hen slechte mensen. Dat komt door de islamitische instituten, die de mensen dom en bij elkaar willen houden. Anders ben je een afvallige.”

Enfin, leest u het zelf maar.  Wat een dappere kerel! Er zijn mensen om minder vermoord zeg je dan. Goed, ik ga Salman nomineren voor een lintje van onze koning, want dat heeft de beste man dik verdiend. Ik wil hem dat dan persoonlijk overhandigen op lintjesdag, of hoe die toestand ook genoemd mag worden. Dat zal dan maar in Ede moeten gebeuren. Je kan mij uit Ede rukken, maar Ede niet uit mij.

Ik heb geprobeerd om in mijn paspoort mijn geboorteplaats op te pimpen tot Dronten, Zoetermeer en Hardinxveld-Giessendam maar de betreffende ambtenaar was onverbiddelijk, alsof hij nog directe oekazes kreeg van ir. Mussert en de Duitse bezetter. Overigens moet ik bij ir. Mussert altijd denken aan die vetbol van een Kuzu, immers ook een fascist maar dan van de mohammedaanse persuasie in de Vijftig Tinten Grijs van de Turkse Wolf. Goed, na a mijn schaamteloze onthulling dat ik uit Ede kom, sluit ik af met met een flard van een vrolijk gedicht van Hans Dorrestijn, mijn illustere dorpsgenoot. Het is – heel toepasselijk en verrassend – getiteld Ede, Gelderland.

‘k Woon in Ede, boze droom
Het leven is daar saai en sloom
En tevens woest.
En tevens leeg
Zodat ik een depressie kreeg
En ook eczeem en wat niet al
Een maagsteen, nierzweer, haaruitval

Refrein:

’t Is geen dorp, ’t is geen stad
Maar een groot en gapend gat
De domheid schreeuwt er van de daken
Ongeschooldheid is in tel
Ze munten uit in herrie maken
Per man tienduizend decibel
Een gevoelig oor wordt aangerand
Daar in Ede, Gelderland