Er is iets mis met de islam

De aanslagen op het WTC hadden als doel zo veel mogelijk mensen te doden. De grimmige boodschap van de aanvallers. God staat aan onze kant, mensenlevens tellen niet, wie niet gehoorzaamt, sterft. Wat is er mis met de islam?

De aanslagen op het World Trade Center en het Pentagon zijn te beschouwen als een aanval op de westerse beschaving. De vorige twee aanvallen, die door de Duitsers en de Japanners, werden beantwoord met de Tweede Wereldoorlog, die duurde totdat Duitsland en Japan waren bezet, zodat aldaar een op westerse waarden gebaseerde regeringsvorm kon worden ingevoerd.

Nu zoeken we het juiste antwoord op de derde aanval, die niet van een natiestaat komt. We weten wie deze aanval heeft uitgevoerd. Die personen zijn dood. Hun ideologie, zo neemt bijna iedereen aan, is het islamitische geloof.

Dat is op z’n minst aanleiding om de vraag te stellen of in dat geloof een mensenleven misschien te weinig telt. Dat vermoeden heb ik sinds de terreuraanslag op de Olympische Spelen in München, waarvoor we in 1972 enige minuten stilte in acht namen, en het wordt versterkt doordat ik vaak hoor dat de Koran voorschrijft dat wie afvallig is of de profeet beledigt, de dood verdient. Dat zijn grimmige regels.

Enkele minuten stilte acht ik geen passende reactie meer, juist omdat onze normen en waarden in het geding zijn. De democratie werd door Pericles duizend jaar voor Mohammed immers al gedefinieerd als: Wij verschillen van anderen door de man die zich aan het openbare debat onttrekt, niet te beschouwen als een rustige burger, maar als een nutteloos mens.

Er heerst al te lang een stilte die juist doorbroken moet worden. Tot op heden is de islam inhoudelijk onvoldoende bekritiseerd. De aanslagen op het World Trade Center zijn reden om dat wel te doen. Want eisen stelden de terroristen niet. Dat die aanslagen van doen hadden met het ‘vredesproces in het Midden-Oosten’, gelooft alleen Marcel van Dam. De aanslagen waren gericht op symbolen van de westerse beschaving. De twee saaie torens die de terroristen onbewust misschien zagen als de horens van Satan, en het Pentagon, dat staat voor de militaire macht van het Westen. Maar de aanslagen, tijdens het spitsuur gepleegd, hadden als praktisch doel om zo veel mogelijk mensen te doden. De boodschap van de aanvallers luidde: God staat aan onze kant. Mensenlevens tellen niet. Wie niet gehoorzaamt, sterft.


Dat is niet de echte boodschap van de islam, horen wij nu alom. Gematigde moslims weten wel beter, alleen fundamentalisten denken zo. Maar uit de reacties van veel gematigde moslims, zoals de president van Egypte, blijkt dat ze begrip hebben voor de motieven van de daders en zich emotioneel nauwer verbonden voelen met die daders dan met westerse normen en waarden. Welhaast wanhopig wordt in Nederland desondanks gepoogd door middel van enqutes aan te tonen dat de gematigden onder de moslims de meerderheid vormen. Wetenschappers nemen echter aan dat juist fundamentalisten de meerderheid vormen. In het afsluitende essay van Fundamentalisms and Society, een uit 1992 daterend boek dat onderdeel vorm van het omvangrijke ‘fundamentalismeproject’ van de universiteit van Chicago, legt de historicus William McNeill uit waarom.

Fundamentalisme ontstaat binnen iedere religie, van Zuid-Amerika tot in China, door de eeuwen heen steeds uit de onvrede onder boeren en ex-boeren die naar de stad zijn geëmigreerd op zoek naar een beter bestaan. Die zijn kwetsbaar en labiel wanneer ze in de achterbuurten van steden een nieuw sociaal leven opbouwen. Het simpele feit dat de meerderheid van de mensheid bestaat uit boeren en ex-boeren, betekent dat hun onvrede, voor zover deze in religieuze vorm tot uiting komt, fundamentalistisch zal zijn. Daarom stelt McNeill: “Het staat eigenlijk wel vast dat fundamentalistische bewegingen op positieve reacties van miljoenen en misschien zelfs miljarden zullen kunnen blijven rekenen, van mensen die wanhopig op zoek zijn naar nieuwe gemeenschapsvormen, omdat de gewoonten en tradities van het dorpsleven zo drastisch verstoord zijn.”


Bovendien waag ik te betwijfelen of onderscheid maken tussen gematigde en fundamentalistische moslims wel hout snijdt, wanneer we ons een oordeel over de ideeën van de islam proberen te vormen. Fundamentalisme is inherent aan enkele godsdiensten. De classicus Peter Jones traceert het naar het Hebreeuwse geloof in een gekozen volk met exclusieve toegang tot de ene ware god. ‘Heidense’ geloven hadden vroeger niks fundamentalistisch, Grieken, Romeinen en alles daartussen hadden geen geopenbaarde geschriften, geen goddelijke roeping. Het was onder heidenen gebruikelijk vriendelijk en respectvol te zijn voor elkaars goden. Het christendom, eveneens fundamentalistisch begonnen, verwoestte dit tolerante systeem. In plaats daarvan kwamen exclusiviteit, dogma’s en – erger nog – de vermenging van godsdienst met politiek. Vandaar was het maar een kleine stap naar fanatisme. Jones noemt het dan ook niet verwonderlijk dat de Romeinen de eerste christenen argwanend bekeken.

Ik doe hetzelfde met de islam. Het christendom heeft de laatste vijf eeuwen een ontwikkeling doorgemaakt die de socioloog Norbert Elias omschrijft als ‘een civilisatieproces’. Dat heeft de gewelddadige kantjes eraf gevijld. Geen fundamentalistische christen wil nog een ketter verbranden. De islam is zo ver nog niet gevorderd. De korantekst die op 14 september werd uitgezonden door de Nederlandse Moslim Omroep, laat dat zien: “Zij die ongelovig zijn, hun bezittingen en hun kinderen zullen hun bij Allah volstrekt niet baten. Zij zijn brandstof voor het vuur.” Snel bood de omroep excuses aan. De uitzending was op dat moment niet gepast. Maar de week daarvoor nog wel.


Natuurlijk weet ik dat er in de Koran ook heel mooie gedichten staan en dat in de Bijbel gruwelijke passages voorkomen. Maar dat is niet aan de orde. De vraag is of de islam een ideologie is die naar onze normen te weinig respect voor een mensenleven aan de dag legt. Die vraag mag – en moet – gesteld worden na de aanslag op het World Trade Center. Die aanslag heeft de wereld niet veranderd, maar is wel reden om een intellectueel en moreel standpunt ten opzichte van de islam in te nemen, als we aannemen dat de islam de daders motiveerde.

Tot op heden ging de gedachtenvorming niet verder dan dat de islam een godsdienst is net als andere godsdiensten. Het vellen van een moreel, kwalitatief oordeel over de islam paste niet in de hier heersende doctrine van de multiculturele samenleving, waarin iedere cultuur geacht wordt een verrijking te brengen.

Vanuit deze naïeve doctrine zijn aberraties van de islam tot dusverre afgedaan als schoonheidsfoutjes.

De gedachte was dat met wat goede wil met islamieten viel samen te leven. ‘Appeasement’ werd in verschillende vormen gepredikt. Door het CDA, dat moslims opnam in de partij omdat ze ook ‘gelovigen’ waren. Door GroenLinks-Kamerlid Mohamed Rabbae, toen die weigerde het doodvonnis uitgesproken over Salman Rushdie wegens diens boek De Duivelsverzen te veroordelen. Door het Openbaar Ministerie, dat sinds mei onderzoekt of discriminerende uitspraken van een Rotterdamse imam strafbaar zijn. Door laks optreden tegen de straat- en zwembadterreur van Marokkaanse jongeren. Door leraren op ‘zwarte’ scholen die geen drie minuten stilte in acht durfden te nemen om de slachtoffers van de terreuraanslagen te herdenken. De lijst is veel langer te maken.


Na 11 september 2001 kunnen we onze ogen echt niet langer sluiten voor de mogelijkheid dat de islam naar onze maatstaven te gewelddadig is. De Koran predikt wel verdraagzaamheid ten opzichte van joden en christenen, maar alleen als die belasting betalen en zich onderwerpen. Dat geweld schering en inslag is in gebieden waar moslims met anderen moeten samenleven, van Nigeria via de Soedan tot de Molukken, laat zien wat die leer in de praktijk betekent. Dat is geen nieuws. Wie iets verder terugkijkt, herinnert zich ook het geweld dat gepaard ging met de opdeling van Brits-Indië in een moslimstaat en een seculiere staat.

Die neiging tot agressie dateert uit het verre verleden. Dat de islamitische ideologie vele middeleeuwse trekken heeft, wordt door weinig mensen bestreden. Maar wat moeten we met die constatering? Die moeten we zorgvuldig onderzoeken. Zouden we dan concluderen dat het islamitische gedachtengoed niet deugt, dan moeten we daar ook de consequentie uit trekken. Dan moet de islam als niet passend in een rechtsstaat verboden worden, net zoals politieke partijen met onfrisse denkbeelden verboden worden. Zoals de vrijheid van partijvorming niet mag worden misbruikt, zo mag immers ook de vrijheid van godsdienst niet worden misbruikt.

Ik weet dat veel mensen huiverig staan ten opzichte van deze gedachte. Men is bereid neonazistische uitingen of de ontkenning van de Holocaust te verbieden, maar het communisme hebben we nooit verboden en een godsdienst verbieden gaat velen te ver. Dat doet te veel denken aan de strijd tussen protestanten en katholieken.

Er bestaat echter geen principiële reden waarom een ideologie wel kan worden verboden, maar een godsdienst niet. Zo protesteerde niemand toen de Japanse sekte die gifgas in de metro van Tokio liet ontsnappen, verboden werd. Bovendien zijn godsdiensten en ideologieën volgens vele vooraanstaande denkers met elkaar vergelijkbaar. Joseph Schumpeter bijvoorbeeld stelde in zijn Kapitalisme, Socialisme en Democratie: “In één belangrijke betekenis is het marxisme een godsdienst. In de eerste plaats biedt het de gelovige een systeem van hoogste doeleinden die de zin van het leven bevatten en die de absolute maatstaven verschaffen volgens welke men gebeurtenissen en daden moet beoordelen.” Ook biedt volgens Schumpeter het marxisme voor de verwezenlijking van deze doeleinden een gids die een plan tot verlossing inhoudt en die het kwaad aanduidt waarvan de mensheid of een uitverkoren deel ervan kan worden gered.


Het nationaal-socialisme past in dezelfde mal. Daar vertegenwoordigde de joods-bolsjewistische samenzwering het kwaad. De islam ziet westerse ideeën als het kwaad. Van de idealen die sinds de Franse revolutie bij ons gemeengoed zijn geworden, wijst de islam vrijheid af voor zover het godsdienst betreft en gelijkheid waar het gaat om man en vrouw. Slechts broederschap voert hij hoog in het vaandel. Natuurlijk past voorzichtigheid wanneer we wat dan ook vergelijken met het nationaal-socialisme. Maar als het marxisme met een godsdienst is te vergelijken, is ook het nationaal-socialisme met een godsdienst te vergelijken. Dus ook met de islam.

En er is reden genoeg om die vergelijking te maken. De kern van de bezwaren tegen beide is immers dezelfde. De nazi-ideologie plaatste zich buiten onze normen en waarden, niet door haar economische of sociale opvattingen, maar door haar gebrek aan respect voor mensenlevens. Een nazi-criterium voor wie moest sterven was ras. De sociale en culturele aspecten van de islam staan niet ter discussie. Wel het feit dat – in ieder geval sommige – islamieten willekeurige andere mensen doden.

We hoeven daar geen doekjes om te winden. Zoals Youp van ‘t Hek het formuleerde: “Bush was wel zo slim om te melden dat de oorlog niet tegen de moslims gericht is, maar tegen het terrorisme. Maar geen enkele Ali Baba zal hem geloven.”

Ik begrijp dat het voor gezagsdragers vanuit een kortetermijnperspectief niet verstandig is de vraag aan de orde te stellen of de islam wel deugt. Op korte termijn willen we allemaal rust. Dus als de Amsterdamse officier van justitie zegt dat hij militairen nodig heeft om de orde te kunnen handhaven, raakt burgemeester Cohen ontstemd. Die zegt dan: “In de wereld lijken culturen tegenover elkaar komen te staan. Die culturen zijn hier ook in de stad. Ik wil dat wij hier in vrede blijven leven en al onze inspanningen moeten daarop gericht zijn.”


Die analyse is juist. Maar stilzitten is voor de langere termijn niet het goede antwoord. De meest populaire naam voor nieuw geboren jongens in Amsterdam is Mohammed. Wat doen al die Mohammedjes over twintig jaar, als ze in de tussentijd worden blootgesteld aan een ideologie die niet deugt? Wat te doen als er dan reden is om de dienstplicht weer in te voeren? Het zou onverantwoordelijk zijn om al deze kinderen twintig jaar bloot te stellen aan niet-gecontroleerde indoctrinatie door imams van wie we weten dat ze er mogelijk strafbare ideeën op na houden en dan maar te hopen dat die kinderen geen ‘fundamentalistische’ volwassenen worden. Dat is als voorstellen om in Duitsland na 1945 de schoolboeken niet aan te passen.

De neiging om kritiek op de islam taboe te verklaren, is echter nauwelijks te onderdrukken. De laatste tijd zien we de termen ‘moslimhaat’ en ‘islamofobie’ in de kranten opduiken. Dat zijn misleidende kreten, bedoeld om een inhoudelijk debat over de islam te voorkomen. Zo’n debat mag altijd gehouden worden. Na de aanslagen in de Verenigde Staten hebben we zeker het recht om de vraag te stellen of de gedachten die de islam uitdraagt door de beugel kunnen. Door onze beugel, wel te verstaan. Dat is geen haat. Dat is geen fobie. Dat is zorg. Wij lijken immers verwikkeld in een oorlog om onze normen en waarden. Verliezen we die, dan verliezen we alles wat wij belangrijk vinden.

Winnen vraagt om gedecideerd optreden, maar niet iedereen was zich daar al meteen van bewust. De Nederlandse minister-president riep in eerste instantie op tot een gematigde reactie. Dat is dezelfde houding die de meeste politici hadden na Hitlers annexatie van het Sudetenland: “Laten we met hem praten, dan draait hij wel bij.” Dat werkt niet bij gelovigen, zo weten wij inmiddels. Die hebben jegens tegenstanders immers dezelfde houding als die Schumpeter bij marxisten aantrof: ‘Voor hen is de tegenstander, zoals bij iedere aanhanger van een geloof het geval is, niet slechts een verdoolde, maar een zondaar.’


Met elkaar in gesprek gaan, zoals minister Van Boxtel in mei vergeefs probeerde met een homofobe imam, kan nooit kwaad, maar lost niets op. Militair gezien is een antwoord nodig dat vergelijkbaar is met wat we in Duitsland en Japan op veel grotere schaal gedaan hebben. In het Midden-Oosten is de al dan niet ‘fundamentalistische’ islam – door Leon de Winter onlangs omschreven als: “De islam verschaft de arme en machteloze zelfrespect en identiteit” – behalve een geloof ook een sociale protestbeweging. In die veelal door despoten geregeerde islamitische landen is voor protest echter geen ruimte. Dat draagt ertoe bij dat de onvrede wordt afgereageerd op de bliksemafleiders Israël en – sinds Khomeini’s revolutie van 1979 – de Verenigde Staten. Aldaar de boel op orde stellen, vergt dus het invoeren van democratische regimes in het hele gebied tussen Marokko en Iran. Dat is een formidabele, maar geen onmogelijke, vooral politieke, en tevens militaire opdracht voor het komende decennium.

De Nederlandse bijdrage daaraan kan slechts beperkt zijn, zo leert – vergeef mij enig cynisme – onze ervaring met het verdedigen van onschuldige moslims in Bosnië door grondtroepen en van iets minder onschuldige moslims in Kosovo door bombardementen op Servië. Maar in eigen huis kunnen we wel orde op zaken stellen door hier en in de hele Europese Unie vast te stellen of we de opvattingen van de islam accepteren. Doen we dat niet, dan moeten we deze opvattingen verbieden en tegen eenieder die die ideologie aanhangt of verspreidt net zo optreden als we nu doen tegen aanhangers van andere verkeerde ideeën. Tegen het nationaal-socialisme traden we voor de oorlog niet op, tot onze spijt. Tegen de marxisten hoefden we dat niet te doen, omdat ze ons niet rechtstreeks aanvielen. Daarom hebben we ondanks Stalins misdaden in het Tweede-Kamergebouw de Marcus Bakkerzaal. Een godsdienst vergt echter wel ideologische bestrijding. Politieke ideologieën beloven hun aanhangers de hemel op aarde en vallen dus na verloop van tijd vanzelf door de mand. Godsdiensten beloven echter de hemel in het hiernamaals en ontberen daarom dit praktische correctiemechanisme.


Hebben we zelfs nu de moed niet om de islam maar ter discussie te stellen, dan valt te vrezen dat onze kindskinderen zullen zuchten onder een terreur die vergelijkbaar is met de deken van barbarisme die in de Middeleeuwen Europa duizend jaar lang bedekte. Dat is de reden waarom ik de moraliteit van de islam aan de orde stel.

De moed om de islam ter discussie te stellen, die Paul Frentrop node miste in 2001, ontbreekt in het huidige debat allang niet meer. PVV-leider Geert Wilders – die pleit voor afschaffing van artikel 1, dat discriminatie verbiedt – vindt met zijn felle kritiek op de islam veel gehoor.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Paul Frentrop