The art of being Freddy

wpk-admin 13 nov 2009 Leven

‘Een lelijke vent als ik moet toch wát. Als ik nou lang en knap geboren was, dan was ik natuurlijk nóóit zo leuk geworden.’ Ontmoetingen met Freddy ‘never a dull moment’ Heineken.

De jongen bij wie hij wil afrekenen, herkent hem niet. Die is nog niet helemaal wakker of realiseert zich simpelweg niet dat dit de man is wiens naam een halve meter hoog op de gevel van de broodjeszaak prijkt. “Kunt u dat even bij de kassa doen?” vraagt hij, als Freddy Heineken hem een paar bankbiljetten toesteekt. Eén gebiedend handje richting lijfwachten die aan belendende tafeltjes opvallend onopvallend koffie zitten te drinken, zou volstaan. Of misschien een ongeduldige hoofdbeweging naar de bedrijfsleidster van het etablissement die wel degelijk wist met wie ze van doen had en knipmessend de broodjes ros kwam aandragen.

Maar nee, de bierbrouwer verheft ietwat moeizaam de 71-jarige gestalte, hinkt – hij heeft last van zijn achillespees – naar de kassa en betaalt. Hij is immers maar een gewoon mannetje. Niks interessants aan, zegt hij, moe van de mystiek die zijn naam aankleeft, het feit dat alles wat hij doet of laat wordt uitvergroot, het nooit zeker weten of er aardig wordt gedaan tegen zijn miljoenen of tegen hemzelf.

Een ander zou er cynisch of blasé van worden. Maar Freddy is er niet de man naar om zijn achternaam tussen hem en het leven te laten komen. Dat hij die naam op de gekste plaatsen ter wereld tegenkomt, vindt hij zelfs wel leuk – ha, als iemand hem wat rottigs heeft geflikt, blijft ‘Heineken’ hem zijn leven lang achtervolgen.

Dus nee, hij voelt zich geen gevangene van dat immense fortuin dat hij waard is. Hoe groot dat precies is, dat kan iedereen, zegt hij, zo uitrekenen door naar de beurskoers te kijken. Veel, veel méér dan zijn gewicht in goud in ieder geval. “Wat verdien jij nou eens?” vraagt hij op een gegeven moment. En na het antwoord – peinzend, alsof hij er zelf ook nog aan moet wennen: “Hmmm… Raar idee: dat heb ik hier in de laatste vijf minuten bij de broodjes verdiend.”

De prijs die hij daarvoor betaalt, zoals het feit dat hij zich alleen maar kan bewegen in zwaar gepantserde auto’s en met minstens vier lijfwachten op z’n hielen, negeert hij zo veel mogelijk – letterlijk. “Ik ken hun namen soms niet eens,” zegt hij over de mannen die dag en eventueel nacht om hem heen zwermen. “Ze komen van de politie, geloof ik. Ze mogen alles, Italiaans leren, studeren. Maar het enige dat ik ze zie doen, is blaadjes lezen. Als ik me niet vergis, worden ze eens in de zes, zeven jaar ververst.”

Zijn dochter zegt altijd dat hij als world champion zapping in het Guinness (“Is dat wel handig, een ander drankmerk erbij?”) Book of Records thuishoort, en dat lijkt, even afgezien van zijn kijkgewoonten, vooral op hemzelf van toepassing. Een gesprek met Freddy is als het volgen van een televisietoestel met een op hol geslagen afstandsbediening, waarvan tot overmaat van ramp het geluid niet meer helemaal je dat is. In duizelingwekkend tempo flitst hij van het ene onderwerp naar het andere – high culture, low culture, amusement, wetenschap, levenswijsheden, alles door elkaar.

Over het leven, over mannen en vrouwen en al het gerommel tussen die twee (“Dat is leuk,” zegt hij vergenoegd), over slimme zakendeals, over boeken die hij interessant vindt, over huizen inrichten, over wat iets of iemand mooi maakt (“de afstand tussen bovenlip en neus moet kort zijn, dan krijg je bij het minste of geringste een glimlach zonder het tandvlees te zien – alle filmsterren hebben dat”) en soms ja, ook even over dat verdomde geld.

“Tja, al die kerels denken dat je daar op dat jacht zit met allemaal mooie wijven, maar je zit er natuurlijk gewoon met je schoonmoeder. Niet dat ik geen leuke schoonmoeder heb…”

“Trouwens, weet je wat me zo opvalt aan die echte social climbers, mensen die van klasse veranderd zijn: eerst omringen ze zich gewoon met kennissen die ook onder de zonnebank liggen, de tosti’s zeg maar; vervolgens met nette mensen, bij voorkeur getitulatuurd, en als dat gaat vervelen dan zoeken ze het in de wetenschap: een professor is toch chiquer dan een baron.” En dan, zonder ook maar naar adem te happen of een andere indicatie te geven dat we weer op een nieuwe golflengte zijn beland: “Ken je die van die vent die naar de dokter gaat…?”

Of: “Wat is het verschil tussen…?”

Of: “Weet je waarom een meisje…?”

Terwijl nog diep nagedacht wordt over een antwoord, komt dat al en dan zijn favoriete afmaker: “Leuk, hè?”

Waarop het alweer tijd is voor een wat intellectueler intermezzo. “Ik lunchte gisteren met Max Pam (of Pierre Vinken of Frénk van der Linden of Kees van Kooten of iemand anders uit zijn zeer, zeer gevarieerde kennissenkring) en we hadden het over de toestand in de wereld (dan wel die in Europa, dan wel die in Amsterdam)…”

“…en we hebben toen maar besloten dat we tot de intellectuele elite van dit land behoren. En weet je wat, jij mag er ook bij. Ik las trouwens nog in een boek (of tijdschrift of krant) dat…”

Steevast gevolgd door: “Sylvie…!” (zijn secretaresse of anders een van de schier onuitputtelijke voorraad goed in het pak zittende majordomussen waarover hij beschikt) “Hebben wij niet nog een extra exemplaar van dat en dat boek (of een pak van die thee, of waar het op dat moment maar over gaat) liggen?”

Het is opmerkelijk hoeveel energie een man die door iedereen en alles met de grootste egards behandeld wordt, erin steekt om het zijn gezelschap naar de zin te maken

Freddy ‘never a dull moment’ Heineken. Charmant is het woord, maar er zit ook een andere, gevoeliger kant aan. “Een lelijke vent als ik moet toch wát,” zegt hij, terwijl hij zijn gezicht in de meest ontwapenende clownsgrijns trekt. “Als ik nou lang en knap geboren was, dan was ik natuurlijk nóóit zo leuk geworden.”

Om er meteen – want Freddy is niet zo van analyse van zijn psyche – een goedgemutst verhaal aan vast te knopen over schoenen met van binnen opgehoogde hakken, die hij ooit had aangeschaft om tijdens het dansen niet de hele tijd z’n neus in de oksel van zo’n mevrouw te hoeven hebben. De schoenen zaten lousy en belandden al snel in de prullenbak.

Freddy is op zijn eigen manier immers groot genoeg.

We rijden – nee, we glijden – in de gepantserde Cadillac door de in zichzelf gekeerde straten van Amsterdam Nieuw-Zuid. Achter ons de tweede bolide, een blik lijfwachten. Vanuit een auto als deze oogt het huis aan de Cornelis Schuytstraat waar Alfred Henry Heineken in 1923 ter wereld kwam, nogal gewoontjes. Toch werd hij geboren met een gouden lepel in zijn mond – hij was de zoon van de chemicus Henry Pierre Heineken, erfgenaam van de brouwerij.

Een poor little rich kid was hij. “Mijn vader was van voor de Eerste Wereldoorlog, mijn moeder van daarna en dat werkte niet erg, en ik werd ondergebracht bij een leraar en het was niet leuk,” zegt hij, zijn schouders ophalend, ongemakkelijk schuivend in het Cadillac-pluche en zo snel mogelijk de wijk nemend naar een ander ‘conversatiestuk’. (“Wist je dat ik bezig ben met een nieuwe berijming van het Wilhelmus? Het is toch belachelijk, vooral als Gullit het moet zingen: ‘Ben ik van Duitsen bloed’. Ik ben er nog niet helemaal uit, maar laatst had m’n dochter een goeie – zet gewoon een vraagteken achter die zin, dan kan hij zingen: Ben ík van Duitsen bloed?”)

Een reactie als deze is gebruikelijk als er persoonlijke zaken ter tafel komen. Freddy wil namelijk over alles filosoferen, behalve over zichzelf. En zeker niet over de minder gezellige aspecten van het Freddy-zijn – in zijn opinie noch interessant noch amusant, dus zonde van de tijd.

Het hoe en waarom van criminelen bijvoorbeeld, dat interesseert hem nou helemaal niets. “Who cares?” vraagt hij met een vies gezicht. “Die mensen zijn toch helemaal niet leuk.” Boeken over zijn eigen ontvoerders koopt hij uit principe niet, en waar zijn toenmalige chauffeur geestelijk nog steeds niet helemaal van de gebeurtenissen van elf jaar geleden is bekomen, is Freddy, zegt hij, de hele geschiedenis praktisch vergeten. “Heb ik toch nog voordeel van dat slechte geheugen van me,” zegt hij, net zo matter-of-factly als wanneer hij vertelt dat Ab en Gerrit-Jan Heijn een paar dagen voor de ontvoering van de laatste nog bij hem lunchten. “Ik zei nog: jongen, je kunt het in deze tijd niet meer maken om helemaal onbeveiligd rond te lopen. Vonden ze onzin. Maar had Gerrit-Jan alleen al een systeem in zijn auto gehad waarmee hij alleen zijn eigen portier kon ontgrendelen in plaats van alle vier, dan had die gek ‘m nooit kunnen pakken.”

Niet dat Freddy vermijdt om over nare dingen te praten omdat ze traumatisch zouden zijn. De ontvoering bijvoorbeeld komt regelmatig en passant ter sprake (“Ik ben dol op muziek van de vrouw van Willem Duys. Maar ja, toen ik in die loods zat, draaiden ze continu hetzelfde bandje, een soort Chinese torture, en daar stond een nummer van haar op. Het staat me nu tegen, en dat is jammer, want eigenlijk is het heel mooi. Dát noem ik nu een misdaad”), maar hij heeft het kenmerk van een gelukkig mens: hij schudt onaangename herinneringen van zich af als een eend het water van zijn veren.

Gelukkige herinneringen daarentegen, daar kan hij lang en uitgebreid over vertellen. Over zijn eerste echte verovering, toen hij zeventien was: “Ze was blond en mooi, en op de rest let je op die leeftijd nog niet zo. Maar vertel ‘s, hoe oud was jij eigenlijk de eerste keer?”

Voor Freddy – daar moeten mensen die hem net kennen weleens aan wennen – bestaan er geen taboe-onderwerpen. Hij kan zich veroorloven om te zeggen – en te vragen – wat hij denkt en doet dat met overgave. Seks, vindt hij, behoort tot de goede dingen des levens, en daar kan men dus net zo gezellig over babbelen als over wijn, kunst, muziek of lekker eten. (“Heb jij dat weleens, dat je in een restaurant zit en rondkijkt en je voorstelt dat die mensen het straks met elkaar doen. Dan lach je je toch suf – dat relativeert alles.”)

Misschien is erover praten zelfs nog wel leuker: “Uitkleden, aankleden – brrr, wat een gedoe.”

Al heeft hij zich nu toch al een jaar of vijf officieel uit de zaak teruggetrokken (“…maar ik blijf president van de Heineken Holding, ik heb het echt wel zo geregeld dat ik het nog steeds voor het zeggen heb”), hij brengt zijn middagen nog steeds meestal door op zijn kantoor aan het Amsterdamse Weteringplantsoen, schuin tegenover de voormalige brouwerij. Van buiten is het niet meer dan een onopvallend rijtje negentiende-eeuwse panden, op de grens tussen de grachtengordel en een volkswijk. Slechts het kleine messing bordje met één bel en de letters ‘Pentagon’ geven een indicatie van wat en wie zich achter deze neutrale façade verbergt.

Eén stap over de drempel en we zakken tot onze enkels weg in de wondere wereld van Freddy Heineken. De herenhuizen blijken van binnen helemaal uitgebroken en getransformeerd tot een bepaald on-Amsterdams palazzo van marmeren hallen, zachte tapijten en gedempt licht. Terwijl aan de andere kant van het pantserglas de stad raast, heerst hier een wezenloze stilte. En hoewel een van Freddy’s basistheorieën ‘the perfection of imperfection’ is, is hier wel degelijk alles toonzaal-perfect – krasjes, vuiltjes en stofjes worden eenvoudig niet getolereerd. Even griezelig volmaakt ogen de overwegend mannelijke personeelsleden, met hun scherp gesneden pakken, dito koppen en getrainde lijven. Of de fiets hier met één slot veilig staat? “Tuurlijk,” zegt eentje nonchalant. “Er staan acht camera’s op. We houden ‘m wel in de gaten.”

Gezellig is het eigenlijk alleen maar waar Freddy is, en dat is bij voorkeur in een in vergelijking met de rest simpel kantoortje aan de achterkant, waar hij graag zit te geinen met de even gevatte als onverstoorbare Sylvie. Maar nu schenkt hij ter ere van het bezoek thee in zijn officiële werkkamer, waar een gezin met twee kinderen een ruim appartement aan zou hebben. Natuurlijk niet zonder een klein college over theezetten: welk merk, waar gekocht, welk bronwater en hoelang aan de kook.

Hij toont met een trots die haast ontroerend is, de in wit leer gebonden fotoboeken van de vele huizen waarvan hij zich eigenaar mag noemen. “Moet je hier eens kijken. Een halfronde gang, zo gebouwd dat je aan het begin het einde niet ziet. Dat zag ik een keer in Jamaica en dat vond ik leuk, dus dat heb ik in Antibes ook laten bouwen.”

Inrichten is een hobby van hem. Net als fotograferen – hij begon er zijn carrière mee en is een verdienstelijk portretfotograaf. Net als grappen verzinnen – Wim Sonneveld heeft daar nog dankbaar gebruik van gemaakt. En net als componeren – de Amerikaanse zanger Kenny Colman heeft onlangs een stel composities in het easy listening-genre van hem op cd gezet. “Sylvie, breng ‘s zo’n cd’tje. Kijk, ‘t is een aardige jongen. Maar het is net of zingen bevorderlijk is voor de haargroei – al die zangers hebben zo’n mat in hun nek.”

Vervolgens dient er gewandeld te worden in het optrekje aan het Weteringplantsoen. Hoewel hij hier nog nooit een nacht heeft doorgebracht – liever laat hij zich terugrijden naar het grote huis in Noordwijk waar Steve, de butler die hij van Donald Trump heeft overgenomen, wacht met de spaghetti bolognese – heeft Freddy hier voor de zekerheid toch maar een voor zijn doen bescheiden woongedeelte ingericht. Rumor has it dat de jongens van Oranje het weleens van Oom Freddy mogen lenen, maar dat ontkent hij. “Ik heb eergisteren wel nog met Willem-Alexander en zijn nieuwe vriendin gegeten. Het is, echt waar, een heel aardige jongen. Goed,” zegt Freddy, wijzend op zijn hart.

In het slaapgedeelte kijken Sluyters’ naakten sereen neer op het hemelbed, in het souterrain wachten wit leren banken in een middelmaat bioscoopzaal – “Hmm, gebruiken we zelden” – en de bovenverdieping wordt behalve door de immense werkkamer vooral in beslag genomen door een kunstgalerie waar menig gevestigd museum toch wel een redelijke misdaad voor zou willen begaan. De gangen hangen vol met wat hij niet meer kwijt kon, hier een Picasso, daar een Appel.

Over het algemeen kocht Freddy, die erom bekendstaat niet onnodig met geld te gooien, de kunstwerken in een tijd dat ze nog niet zulke astronomische bedragen opbrachten. “Da’s het leuke, de sport ervan,” zegt hij, duidelijk pleased met zichzelf. “Ik heb net op de veiling voor een koopje een mooi winterlandschap gekocht. Het was zo vuil, het leek niet veel, maar nu is het schoongemaakt en het is prachtig, prachtig. Ik geef het als kerstcadeautje aan mijn dochter – dat is ook voordelig in verband met de btw.”

Als Freddy tijdens de rondleiding iets wil hebben, knipt hij vriendelijk met de vingers en prompt rijst er dan zo’n scherpgesneden heer uit het tapijt om dat te gaan regelen.

Zelf lijkt hij ondertussen nog het meest op een klein jongetje dat zijn speelgoed laat zien. Opmerkelijk genoeg zijn het niet de kunstwerken die aan de wand onbetaalbaar hangen te zijn of de dure meubels die hij met het meeste enthousiasme toont. Het zijn de foefjes, de handigheidjes in de inrichting, die de meest onbeschaamde trots bij hem losmaken. “Kijk”, zegt hij – we zijn inmiddels in de kleedkamer, waar perfect gesteven overhemden wachten tot hij ze komt aantrekken – “de voorkant van deze laden heb ik van plexiglas gemaakt. Dan kun je zien wat erin zit.” Gevolgd door zijn tweede favoriete afmaker: “Handig hè?”

Alweer een van Freddy’s hartstochten: uitvinden. Hij kan begeesterd vertellen over de theepot waarop hij patent heeft aangevraagd (“Jaaa, we blijven wél zakelijk”). Aan het deksel zit een roermechanisme, afgekeken van de machines in de brouwerij, zodat de thee beter trekt. Of over een dodemansknop die elke tandartsstoel zijn inziens zou moeten hebben. “Een knop waarmee je als patiënt zelf het boren kan stilzetten. Niemand zou hem ooit gebruiken, maar het zou zó schelen in de angst. Ik heb het er weleens met zo’n man over gehad, maar ze willen er niet aan. Stom, want het zou een groot succes worden.”

Zo’n uitspraak dient letterlijk genomen te worden, want Freddy’s vaardigheden strekken zich uit tot handlezen en in de toekomst kijken. “Nee, lach nou niet. Dat is namelijk helemaal niet zo leuk – in de persoonlijke sfeer kan dat zelfs heel vervelend zijn. Voor het bedrijf was het natuurlijk wel weer handig.”

Een paar weken later, een winderige herfstavond in de Amsterdamse Nieuwe Kerk: Freddy geeft een avondje en als hij dat doet, dan gebeurt dat goed. De kaarsen in de kroonluchters zijn echt, de gasten zijn gedistingeerd, de entourage perfect, de toespraakjes geestig, de bekroonde wetenschappers van niveau, de prijsuitreiker van koninklijken bloede en het diner van sterrenniveau.

Op de plek waar ooit Beatrix tot koningin gekroond werd, reikt nu haar echtgenoot de tweejaarlijkse prijzen van de Koninklijke Academie – gesponsord door de Heineken Foundation en de A. Heineken Fondsen Stichting – uit aan vier buitenlandse wetenschappers en één Nederlandse kunstenaar. De prijzen variëren van één tot tweeënhalve ton.

Hoewel hij zegt een gruwelijke hekel te hebben aan sociale verplichtingen (“Die dineetjes… Blhh, dat eindeloze zitten”), is hij hier, omringd door interessante mannen en mooie vrouwen, in zijn element. Zijn dochter Charlene, moeder van zijn vijf kleinkinderen, is er: ze heeft net zo’n ontwapenende lach als haar vader. Zijn schoonzoon Michel, een Britse bankier, is er: hij heeft net zulke stoute oogjes als zijn schoonvader. En zijn vrouw Lucille, statig en very much her own person, is er ook, een zeldzame gelegenheid, want zij vertoont zich niet vaak in het openbaar.

Lucille Heineken houdt niet van dure kleren, society, plastisch chirurgen of al die dingen waarmee andere rijke vrouwen hun tijd doorbrengen. Ze is dol op tuinieren bij hun villa aan Cap d’Antibes, die, omringd door een gigantisch park en geoutilleerd met maar liefst vijf zwembaden, een van de mooiste huizen aan de Cte d’Azur heet te zijn. In de zomer zijn ze daar meestal samen. “Dan zitten we op het terras en breng ik haar de Herald Tribune en zij mij De Telegraaf. Dan spelen we van miljonair tot krantenjongen. Leuk hè?

“De vraag is natuurlijk hoe zij het al die jaren met mij heeft uitgehouden,” peinst de vermaard liefhebber van vrouwelijk schoon. “Maar ik ben op mijn manier een echte family man. Ik bel elke dag met mijn dochter, ik ben absoluut gek van de kleinkinderen. Ik heb nogal een zorgcomplex,” en daar is de clownsgrijns weer – “ik vind het heerlijk voor anderen te zorgen. Soms, denk ik, weleens een beetje te veel.”

Dat laatste is wellicht een van de redenen dat er in de loop van de tijd zo weinig nare dingen over Freddy Heineken het publicitaire daglicht zagen: de loyaliteit van zijn medewerkers is legendarisch. En wat publiciteit over zijn privéleven betreft is Freddy altijd onaantastbaarder geweest dan het koningshuis zelf. Hoe en met wie Freddy zich ook in het openbaar vertoonde, de roddelpers zweeg in alle talen. De macht van Freddy reikte eenvoudigweg te ver. “Ach, ja,” zegt hij achteloos. “Die Van der Meyden is nog het een en ander aan me verplicht.” Insiders weten dat Freddy ooit de naam van de pagina Privé verzonnen heeft. “Het is een fantastische naam, perfect. Het is mijn vak, hè.”

Toch is zelfs het Heinekenparadijs niet zonder adders, en afgezien van de gezondheid die hem parten speelt (“Ja, al die pillen moet ik nemen, anders ga ik dood”) is de voornaamste nagel aan zijn doodskist op dit moment een Britse journaliste van Nederlandse afkomst, Barbara Smit, die, zoals hij zegt, ‘meent rijk te moeten worden door een roddelboek over me te schrijven’.

Eerst had hij het nog met charme geprobeerd. Hij had haar zelfs op de thee genood, maar ze had niet om zijn grapjes kunnen lachen en geweigerd op wat voor manier dan ook tot een vorm van samenwerking te komen. “Ik zei nog tegen haar: maar everyone has skeletons in the closet, jij net zo goed.”

Desondanks bereiken hem nu van alle kanten berichten over de wijze waarop zij rondsnuffelt in de verborgen hoeken en gaten van zijn leven. Ze concentreert zich daarbij in het bijzonder op die dingen waar niemand hem ooit eerder over las- tig gevallen heeft, variërend van zijn slech-te cijfers op de middelbare school, vermeende onechte kinderen en de lange reeks vrouwen die hij in zijn leven ‘gekend’ zou hebben, tot schandalen die op de brouwerij zouden hebben plaatsgevonden – waar hij overigens niets van afweet.

“En ze schijnt er verdorie nog subsidie voor gekregen te hebben ook,” moppert hij boven de garnalenkroketjes bij café-restaurant Keijzer. “Van het Fonds voor Bijzondere Journalistieke Projecten nog wel. Bijzonder, ha! Geld van de Nederlandse staat om een roddelboek over mij te schrijven. Dat dat in dit land zomaar kan. Maar ze moet oppassen – mijn sterrenbeeld is Schorpioen. Als ik word aangevallen, kan ik heel venijnig worden.”

Tot dusver is hij er, tot zijn frustratie, niet in geslaagd haar tegen te houden. Het maakt hem moe en boos. “Kijk, mijzelf maakt het allemaal niet uit,” zegt hij. “Het gaat om anderen die gekwetst zullen worden. Als die er niet meer zijn, dan schrijven ze maar raak.”

Het is met twee van die buitenmodel auto’s verdomd onhandig manoeuvreren in de smalle straatjes van de Amsterdam-se binnenstad. Maar Freddy is een heer en de verslaggever is een vrouw en dus wordt de verslaggever thuisgebracht. “Een gentleman is vooral dát,” doceert Freddy, “gentle.”

Blijkbaar wordt de plaats van bestemming een hoog risico toegedicht, want eenmaal gearriveerd, springen de lijfwachten en masse uit de auto. Benen uitgedraaid voor de wendbaarheid, losjes in de heupen, ogen op waakzaam, wordt er eerst druk geconfereerd over de mobilofoons alvorens een van hen het gepantserd portier opent.

Ten afscheid buigt Freddy zich bezorgd naar voren: “Zeg, heb ik niet te veel geluld?” Hij oogt moe, moet soms erkennen dat hij de jongste niet meer is. Eerder die middag had hij daar nog een vrolijk verhaal van gemaakt; hij is een graf in Noordwijk aan het uitzoeken en had al bedacht wat hij erop ging laten zetten: he brew. “Vat je ‘m? Leuk hè?”

Freddy Heineken overleed in 2002 op 78-jarige leeftijd. Hij heeft de publicatie van Barbara Smits ‘roddelboek’ over zijn bedrijf niet kunnen tegenhouden. Uit haar boek kwam naar voren dat de charmante brouwer ‘graag manipuleert en uiterst wraakzuchtig is’. Heineken is nog steeds de op drie na grootste brouwer ter wereld.

Reageer op artikel:
The art of being Freddy
Sluiten