‘Ik ben benieuwd naar de leegte’

Van Koos van Zomeren (65) verschijnt binnenkort een nieuwe, lijvige bundel, Naar de natuur. Het zou weleens zijn laatste boek kunnen zijn. ‘De koek is op, maar ik heb ook geen honger meer.’

Begint die natuur u nooit te vervelen?

“Nee, maar het schrijven erover wel. Ik heb een suïcidale manier van schrijven. Elke beschrijving is een afrekening van wat ik heb gezien, gevoeld en meegemaakt. De ultieme zin en beschrijving, daar gaat het om. Ik wil iets dusdanig formuleren dat ik ervan af ben. Dus ik kan zeggen dat ik van veel dingen nu af ben.”

Wanneer begon dat?

“Toen ik mijn stukjes schreef over de koeien. Er hangt hier in huis een schilderij van Johan Wijsmuller waarop je koeien op hun rug ziet, kijkend naar de boer die in het weiland loopt. Wat zien die koeien in die boer, in de mens? Een koe levert ons tienduizend liter melk, maar een kalfje heeft er maar vijfhonderd nodig. Wij jagen die koe dus zo’n twintig keer over de kop en creëren dus een gigantisch kalf. Ik schreef toen: wij nemen haar melk, wij zijn haar onbegrijpelijke kinderen. Met dat zinnetje was alles gezegd over de koeien.”

Als alles al is gezegd, waarom dan toch nog een boek, nota bene van vierhonderd pagina’s?

“Ja, ik had het er bij kunnen laten, maar er was toch nog behoefte aan een slot-akkoord. Nou ja, het is eerder een herhaling met andere accenten: wat is er gewonnen en verloren gegaan aan dieren en planten, wat heb ik zelf gehad aan de natuur? Dat soort noties.”

Mijn bezwaar is dat er te veel herhaling in zit. Het lijkt te ontbreken aan een goede eindredactie.

“Is dat zo?”

Het mooiste boek dat u hebt gemaakt, Een vederlichte wanhoop, telt 63 pagina’s.

“Grappig, mijn vader vindt dat ook het beste wat ik ooit heb gemaakt. En ikzelf misschien ook wel. Maar ja, dat boek dateert alweer van midden jaren tachtig.”


Bij Naar de natuur had ik op enig moment het gevoel: nu weet ik het wel.

“Ja, maar als je Naar de natuur vergelijkt met Een vederlichte wanhoop, dan is dat een ongelijke strijd. Een vederlichte wanhoop is een reeks vogelcolumns die amper een jaar heeft geduurd in de krant, maar die het resultaat was van tien jaar verzamelen van observaties. Na dat jaar was het dan ook op.”

Uw nieuwste boek bevat veel loze ruimtes.

“Dat kan ik me voorstellen. Het bevat 38 columns uit NRC Handelsblad, voor Vroege vogels en vijf grotere artikelen die in De Groene Amsterdammer zijn geplaatst. Daaromheen zitten dagboekachtige schetsen, die het voordeel hebben dat ze geïsoleerd kunnen staan zonder uit de toon te vallen. En met elkaar vormen ze op een of andere manier toch weer een geheel. Maar ja, kennelijk heeft dat bij jou geen effect gehad.”

Is het denkbaar dat dit uw laatste boek is geweest, althans over de natuur?

“Dat is zeer denkbaar. De koek is nu echt op. Sinds februari, toen ik het manuscript inleverde bij de uitgever, heb ik geen woord meer op papier gezet.”

De schrijver die is uitgeschreven, dat heeft iets tragisch.

“Neuh. De koek is op, maar ik heb ook geen honger meer. Elke drive ontbreekt om te schrijven, om mijn levensgevoel onder woorden te brengen. Ik heb daar volstrekt vrede mee. En of het echt mijn laatste boek is, weet ik niet zeker. Want heel eerlijk gezegd maak ik af en toe toch weer aantekeningen over bepaalde diertjes.”

Welke?

“De hazelworm, de adder, diertjes die weinig populair zijn. Dat is toch weer de oude socialist in mij hè, opkomen voor de verdrukten.”

Hoe is het om nu naar de natuur te kijken zonder erover te hoeven schrijven?


“Dat is een beetje amorf. Voorheen was je altijd aan het kijken en als je iets bijzonders zag, dan zat je de hele tijd te denken aan de zinnen, de formuleringen. Als ik dan thuiskwam, hoefde ik die vaak alleen nog maar op te schrijven. De observaties die ik nu maak, zijn betrekkelijk nutteloos.”

Maar u ziet toch nog weleens iets wat de moeite van een stukje waard is?

“Laatst nog, op een van de ijskoude dagen in de winter. Wandelde ik over de heide en stuitte ik op vijf van die Schotse hooglanders. Ze stonden midden op het pad en maakten een tamelijk verdoolde indruk. Het was net alsof ze aan mij wilden vragen waar ze waren of welke kant ze op moesten om vreten te halen.”

Vreest u het zwarte gat?

“Ik ben benieuwd naar de leegte, naar wat er komen gaat. Ik heb geen haast. Ik zie wel. Misschien ga ik toch iets anders doen straks, gedichten schrijven of een brievenboek maken, vooropgesteld natuurlijk dat de mensen aan wie ik schrijf ook terugschrijven.”

Hoezo, gebeurt dat niet?

“Nee. Ik weet niet wat er aan de hand is, maar de mensen aan wie ik de laatste jaren brieven heb geschreven, en vaak over heel interessante kwesties, laten niks van zich horen. Dichter Rutger Kopland beklaagde zich er laatst ook al over. Hij had zijn laatste bundel opgestuurd aan een aantal mensen, maar die verdomden het zelfs om een bevestiging van ontvangst te sturen. Ik heb slechts vermoedens over die nalatigheid. Dat ze liever mailen, dat ze niet meer het geduld hebben aan tafel te gaan zitten om een zorgvuldig geformuleerde, weldoordachte brief terug te schrijven.”


Waarom mailt u hun niet?

“Daar ben ik niet van. Ik schrijf ook nog gewoon op de typemachine, en een mobiele telefoon zul je ook niet bij mij aantreffen. Maar ja, het zal binnenkort wel verboden worden om geen mobiel te hebben. Ik begin me steeds meer te voelen als de man die geen rijbewijs heeft en zich altijd moet laten rijden.”

Op een afscheidstoernee kijkt men altijd terug: wat betekent de natuur voor u?

“Wat ik heb geleerd van meer dan dertig jaar schrijven over de natuur is dat de natuur er is voor zichzelf en niet om ons een lol te doen, en zelfs niet om mij m’n stukjes te laten maken. Rond natuur is een beeld opgeroepen dat de mens er altijd in moeten kunnen recreëren. Laatst kwamen mijn vrouw, Iris, en ik terug van vakantie, en iets voorbij Oberhausen zette ik de Nederlandse radio aan. Er werd een reportage aangekondigd over het eerste blotevoetenpad van Staatsbosbeheer. Ik was meteen weer thuis. Zo vermoeiend, die infantilisering van de natuur. Dat komt allemaal voort uit het voorlichtings- en festiviteitswezen dat de natuur als attractie ziet. Maar de natuur is de natuur, potdomme.”

Maar jullie, ik bedoel: de socialisten, wilden altijd dat de natuur ook voor de gewone man ontsloten werd.

“Misschien hadden we de natuur toch heel elitair moeten houden. Sommige dingen behoren nu eenmaal niet ter discussie te staan. De Nachtwacht is zo’n ding, of de doodstraf – die wordt hier gewoon nooit of te nimmer ingevoerd. En de natuur zou ook niet ter discussie moeten staan.”

Gebeurt dat dan?

“De inbreng van de mens in de natuur is te groot geworden. Het is begonnen met al die natuurorganisaties die draagvlak moesten creëren voor allerlei plannen om de natuur onder de mensen te brengen. Dat wreekt zich nu. Tuurlijk, er is veel gewonnen en verbeterd qua natuurbeheer, maar de opstelling om de natuur als vanzelfsprekendheid te beschouwen, als niet ter discussie staand fenomeen, staat onder druk. De PVV-kiezer verzucht nu: ‘Natuur, natuur, wat is het nut er allemaal van? Doe mij maar een snelweg.’ Dit kabinet, deze mobiliseerder van de haat, of het nou om buitenlanders gaat of om de natuur, draagt z’n steentje bij aan die stemming. En dan vooral die farizeeër van een staatssecretaris Henk Bleker…, haha, de Volkskrant noemt hem systematisch verkeerd – of als Hans Bleker, of ze schrijven Bleker met dubbel ee – volgens mij zit daar ergens een eindredacteur die hierin een rol speelt.”


Maar wat is het maatschappelijk nut van, ik noem maar wat, de wilde hamster?

“De vraag of dieren nut hebben, hoort er niet toe te doen. De wilde hamster zou niet ter discussie mogen staan.”

Maar waarom dan niet?

“Omdat naar mijn overtuiging in elk dier een ‘ik’ schuilt. Zelfs in de mestkever. Dat ‘ik’ is een complex van bedoelingen, van wat er in dat diertje besloten ligt, wat het moet doen en moet laten zodat pijn of gevaar vermeden kunnen worden. Dat zit in elk dier, en dat wij delen wij met hen. Ik heb God niet meer en God heeft mij niet meer, maar mijn idee is dat je het leven moet inbedden in iets wat breder is, groter en veelomvattender dan hetgeen wij doen. Maar hoe of wat, daar weten we het fijne niet van en daar komen we ook nooit achter, vrees ik.”

U zei: “In elk dier schuilt een ‘ik’…” Stelt u zich niet aan?

“Als ik per ongeluk een mestkever doodtrap, dan is dat geen drama. Maar ik, mens, deel met die kever, dier, een complex, een netwerk, een onderstroom die alle leven op aarde met elkaar verbindt. Een kieviet duikt uit de lucht op een groep kievieten, en niet op meeuwen, omdat hij weet dat hij een kieviet is. Dat is wat mij betreft een bewijs van het bestaan van individualiteit van dieren.”

U zegt dat de mens het vermogen moet opbrengen om empathie te hebben voor alles wat leeft. Daar stond ik vanochtend niet bij stil toen ik mijn jongste zoon adviseerde die ene glibberige huisjesslak in de voortuin kapot te trappen.

“Heb je hem dat echt laten doen? Dat kan toch niet. Ja, vroeger reed ik na een regenbui ook wel met mijn fiets over naaktslakken heen. En ik heb ook weleens zout op een slak gestrooid, en mussen doodgeschoten met een windbuks. Maar deze wreedheden dienen zich toch echt te beperken tot je kindertijd, hoor. Ik bedoel, die slakken of die musjes doen toch geen kwaad? Wat is dan de zin ervan om ze kapot te maken? Het getuigt ook van weinig respect voor wat er groeit en bloeit.”


Hebt u weleens een volgevreten huiskat gezien die een muis of vogel vangt en die niet doodt, maar er sadistische spelletjes mee uithaalt?

“Hoeveel wreedheid er ook is in de natuur, dat is nog geen vrijbrief voor de mens om dan ook maar wreedheden te begaan jegens dieren. Nee, nee, nee. Dat is niet soft. Die Partij voor de Dieren, die is vaak soft. Dat komt doordat ze wel gevoel voor dieren hebben, maar er niet altijd verstand van hebben. Ik zat eens met Marianne Thieme in een panel en gespreksleider Marcel van Dam probeerde haar door te zagen over wat zij met een huismuis doet. Ten slotte antwoordde ze dat ze het beestje zou proberen te vangen en dan in het bos zetten. Kijk, dan kun je hem net zo goed meteen doodslaan, want terugzetten in het bos geeft zoveel stress en andere narigheid dat die muis een gruwelijke dood sterft.”

Wat vindt u van de discussie rond het onverdoofd ritueel slachten?

“Daar heb ik niet zo’n standpunt over, maar in het algemeen vind ik dat geen enkel argument, dus ook geen religieuze, en al helemaal niet als die dateren uit de prehistorie, een rol mogen spelen bij zaken die het welzijn van dieren betreffen. Die staan, alweer, buiten elke discussie. Wat ik niet begrijp is dat gelovige mensen hun band met God verknopen met de vraag of ze hun schapen wel op de juiste manier slachten. Werkelijk, dat is me een raadsel.”

Zijn naam viel al even: God. U hebt zo veel, zo mooi en zo vol verwondering over de natuur geschreven, maar nooit over de mogelijke Schepper ervan.

“We máken de natuur uniek. Dat is onze verbeelding.”

Dat doet u toch ook?


“Veel pracht en praal van dieren staat in het teken van de survival. Er is een overschot aan schoonheid in de natuur, die wij vaak niet eens zien. Daarbij, wat is mooi? Is het dat wel? Er zijn geen objectieve criteria voor.”

Maar wat wilt u ons dan vertellen met al die columns en boeken?

“Onder andere de vraag: wat is er met ons dat wij de natuur zo mooi vinden?”

En wat is het antwoord?

“Dat is dus het raadsel. Een zingende nachtegaal raakt mij, ontroert mij. Maar hoe kan dat? Dat is een mysterie waar wij ons gedurende ons leven mee bezighouden en vermaken. Die schoonheid zit in de natuur, maar kan wat mij betreft ook zitten in de chemische samenstelling van verf, zoals Primo Levi zo schitterend heeft beschreven. Of in muziek, schilderijen, Perzische tapijten, of in het opknappen van antieke motoren, zoals een oom van mij doet. Het is een permanente zoektocht naar levensgevoel. Hoe werkt iets, hoe zit het in elkaar? Hoe? Dus niet: waarom? Zodra je de waarom-vragen stelt, kom je in de metafysica terecht.”

Misschien is dat wat ik mis in uw boek: een poging tot verklaring van al het moois.

“Nee nee, daar blijf ik bij uit de buurt.”

Meneer Van Zomeren, waar is God?

“Haha, niet in mijn werk. Daar vind je geen enkel aanknopingspunt voor religie.”

Dit is typisch een reactie van uw generatie: God is in jullie jeugd collectief afgeserveerd, en stel je toch eens voor dat je daar op je ouwe dag eventueel op zou terugkomen, zeg.

“Als je zo redeneert, heb je altijd gelijk. Maar kun je ook gewoon erkennen dat ik ontken dat er religieuze verwijzingen in mijn werk zetten? Oké. Fijn.”


Het zijn toch geen gekke vragen?

“Vragen op het gebied van zingeving zijn fascinerend, maar ik geloof gewoon niet in God, in een Schepper. Ik vind het mooi, hoor, als mensen er wel in geloven, maar voor mij is God een menselijke constructie. Voor veel mensen is hij een soort procuratiehouder die bijhoudt of iemand wel kosjer eet of niet. Belachelijk natuurlijk. Weet je, veel mensen uit confessionele kringen reageren op mijn columns. ‘Je zegt wel dat je niet gelooft,’ hoor je dan, ‘maar ondertussen…'”

U bent er nog niet aan toe, denk ik.

“Nou ja, zeg. Schandelijk. Ik ga je uit mijn huis zetten…”

Ik snap niet waarom u na dertig jaar beschrijven niet eens probeert na te gaan wat het grotere geheel zou kunnen zijn.

“Ik was eens bij een beeldhouwer op bezoek en die zei: iedere kunstenaar gelooft in God. Ik denk dat hij bedoelde: iedere kunstenaar gelooft in schepping. Maar voor mij is schepping een heel normale bezigheid van het menselijke brein. Daar zit niets bovennatuurlijks in.”

Misschien heb ik u toch op een idee gebracht voor een volgend boek.

“Jij blijft maar volhouden dat ik op weg ben naar God. Laten we dit afspreken: jij bent de eerste die ik zal verwittigen als het zover is.”

Koos van Zomeren: Naar de natuur. €22,95 Verschijnt in september bij De Arbeiderspers.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Frans van Deijl