Spring naar de content
bron: Hollandse Hoogte

Afrekenen met het verleden

De anti-racisten hebben gelijk: Nederlanders weten te weinig over hun koloniale geschiedenis. Daaruit zijn stereotypen als Zwarte Piet te verklaren. Maar moet het witte volk zich daarom maar voortdurend verontschuldigen?

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: De Redactie

Toen ik een jaar of dertien was – de leeftijd waarop je je voor van alles en nog wat begint te schamen en natuurlijk nog het meest voor jezelf – kwam een buurvrouw op de onzalige gedachte dat ik de Sinterklaasavond van haar kinderen zou kunnen opluisteren door me als Zwarte Piet te laten schminken en haar als goedheiligman verklede echtgenoot te seconderen als zijn trouwe knecht. Mijn moeder vond het ook een leuk idee, echt geweldig leuk, en samen praatten ze net zo lang op mij in tot ik niet meer durfde te weigeren.

 

[blendlebutton]

Met een geblakerde kurk maakten ze elke zichtbare vierkante millimeter van mijn huid pikzwart. De paniek die me beving toen het eenmaal zover was, was zo verlammend dat ik ter plekke bevroor – in plaats van tomeloos rond te springen, met mijn roe te zwaaien en dingen te roepen als: “BOEHOE, zijn hier ook nog STOUTE kinderen Sinniklaas?!” Ik stond aan de grond genageld van afgrijzen en gêne, en wilde niets liever dan zelf in de juten zak kruipen die ik bij me had, om voor eeuwig uit ieders zicht te verdwijnen. Terug naar Spanje, of naar de krochten van de hel voor mijn part, als ik maar ontslagen mocht worden van de plicht om me aan te stellen als een volslagen idioot, een dommekracht die uiteraard huizenhoog opkeek tegen zijn gedistingeerde baas, en niets anders kon uitbrengen dan wat primitieve kreten en onbeholpen gebrabbel.

Dat was een van mijn eerste kennismakingen met ‘mensen van kleur’, het moment dat ik er zelf een moest uitbeelden, en me realiseerde dat die rol traditiegetrouw vereiste dat ik me had te gedragen alsof ik niet helemaal goed snik was: als een achterlijk maar o zo vrolijk kind, dat er gelukkig geen weet van heeft hoe quasi-welwillend maar in feite neerbuigend de blik is waarmee normale mensen naar zo iemand kijken. De kleur waarmee ze me bij die gelegenheid hadden opgescheept, deed er eigenlijk niet eens zoveel toe, want als het stereotiepe beeld van Piet er een was geweest dat respect afdwong, had ik toch op zijn minst nog wel een zwakke poging gewaagd om iets toonbaars van mijn performance te maken; als dappere zwarte schildknaap bijvoorbeeld, de evenknie van onze eigen vlasblonde Floris, of als beeldschone Moorse prinses, maar nee, het moest zo nodig een knecht zijn en geen al te snuggere bovendien. Koddig, dat is het juiste woord voor zo’n clownesk bedoeld personage, al kende ik dat woord op mijn dertiende waarschijnlijk nog niet.

Aan die ervaring moest ik denken toen ik onlangs het omstreden boek van Gloria Wekker zat te lezen, Witte onschuld – Paradoxen van kolonialisme en ras, en schoorvoetend tot het inzicht kwam dat de Zwarte Pietdiscussie toch niet zo onzinnig is als ik lange tijd heb gedacht. Weliswaar vond ik dat de beleefdheid gebood om de bezwaren van de (veelal gekleurde) tegenstanders te honoreren en naar een andere, meer neutrale presentatie te streven, en waarom ook niet, maar diep in mijn hart vond ik het allemaal nogal flauw en vooral onbeduidend: de spreekwoordelijke mug die werd opgeblazen tot het formaat van een olifant.

Kleinzerig ook, echt iets voor mensen die op zoek waren naar een grief bij gebrek aan echte problemen om zich druk over te maken. Als dát al racisme moest heten, dan moesten die scherpslijpers misschien nog maar eens wat beter kijken naar de op leven en dood gevoerde strijd om de zwarte burgerrechten in het Diepe Zuiden van Amerika en de brandende kruisen van de Ku Klux Klan, in plaats van met een boos spandoek langs de route te gaan staan bij de intocht van Sinterklaas. Een folkloristische figuur die op een wit (veelzeggend – daar heb je het al!) paard is geklommen, in een verkleedpak en getooid met een valse baard, om een publiek te gerieven dat voornamelijk bestaat uit kinderen onder de tien, die hopen dat ze de volgende ochtend een chocolademuis in hun schoentjes zullen vinden.

Maar bij nader inzien moet ik Gloria Wekker en haar medestanders gewoon gelijk geven: zulke stereotypen – de lelieblanke bisschop en zijn zwarte ondergeschikte – komen ergens vandaan en zij situeert die plek terecht in ons koloniale verleden, toen niet alleen geluk maar ook slavernij nog heel gewoon waren, en dat is een geschiedenis waar de huidige ‘witte’ inwoners van dit land weinig weet van hebben. En niet omdat daar niets over bekend is, maar omdat het ze in wezen niet interesseert.

Je zou ook kunnen zeggen dat ze dat verleden hebben ‘verdrongen’, zoals Wekker stelt, en ze maakt dat aannemelijk door er op te wijzen dat de discussie over het enig juiste en door de traditie geheiligde uiterlijk van Zwarte Piet wel érg heftig wordt gevoerd, ook, of juist door de mensen die alles bij het oude willen laten en kennelijk vinden dat er iets heel belangrijks van ze ‘afgepakt’ dreigt te worden. En dat gepassioneerde verzet is alleen te verklaren, zegt Wekker, omdat ze vrezen voor een schending van hun zelfbeeld als in wezen ‘onschuldig’, en van ‘het krachtige verhaal over Europa als een kleurenblind continent, dat grotendeels onberoerd is gebleven door de verwoestende ideologie die het over de hele wereld heeft geëxporteerd’. “Dit verhaal, dat het continent beschouwt als een plek die vrij is van ‘ras’ (en, als gevolg daarvan, van racisme), is niet alleen cruciaal voor de manier waarop Europeanen naar zichzelf kijken, maar is ook bijna in de hele wereld geaccepteerd.” En voor het ‘kleine, brave, ethisch altijd hooggestemde Nederland’ zou dat nog in verhevigde mate gelden, omdat ‘ons’ slavernijverleden zich niet binnen ons blikveld afspeelde maar in vreemde buitenposten, in de Oost en in de West, ver van het eigen bed.

Het is een strenge diagnose, die wijst op het bestaan van een ernstige kwaal, als we Gloria Wekker moeten geloven, maar gelukkig levert zij er meteen een remedie bij, en dat is dat witte mensen zich eens wat meer bewust zouden kunnen worden van de onverdiende privileges die aan hun historische positie verbonden zijn, bijvoorbeeld door zich te bekwamen in zelfreflectie en door hun inlevingsvermogen aan de hand van film en literatuur te verruimen. Dat heb ik dus maar opgevat als een sportieve uitdaging, en de resultaten van dat (zelf)onderzoek waren verrassend.

Mijn eigen ‘witte onschuld’, hier even opgevat als een vorm van geloochend en verdrongen racisme, vindt zijn oorsprong in Den Haag, waar ik ben geboren, en waar het na de oorlog wemelde van de Indische repatrianten die daar tegen wil en dank terecht waren gekomen toen Indonesië onafhankelijk werd. Mijn ouders waren links en lazen De Waarheid (in het geniep – die krant werd bij ons in een blanco couvert bezorgd). Die hanteerden geen termen als ‘ras’: dat woord kwam uit het begrippenarsenaal van de nazi’s en daar hielden ze zich verre van. De enige bevolkingsgroep die bij mijn vader op diep wantrouwen kon rekenen waren de ‘papen’, want het Vaticaan was fout geweest in de oorlog, en van Marx had hij geleerd dat religie sowieso niet deugde, in haar hoedanigheid als ‘opium van het volk’.

Pas toen ik een jaar of twintig was, kwam ik erachter dat Meyer een ander soort achternaam was dan De Wit, zoals wij heetten, want Joden bestonden eigenlijk ook niet bij ons thuis, evenmin als antisemieten, wat je wel een ideologische krachttoer mag noemen, zo vlak na de Duitse bezetting. Je had de arbeidersklasse en de kapitalisten, dat was het enige onderscheid dat mijn vader relevant vond.

Maar dat betekende nog niet, of waarschijnlijk juist niet, dat mijn moeder zich ongevoelig toonde voor de eigenaardige trekjes van onze Indische buren, die ze met nauwverholen afkeuring bejegende. Omdat ze het altijd iets te zeuren hadden over tempo doeloe, de goeie ouwe tijd dat ze nog in kasten van huizen woonden en zich lieten bedienen door het inheemse personeel, door de slecht betaalde baboes en de kokkies die op het achtererf in hutjes woonden. Alsof dat iets was om trots op te zijn!

Nogmaals, over ras werd in dat verband niet gerept, maar het zal mij niet ontgaan zijn dat je die verwaten oud-Indiëgasten kon herkennen aan hun bruine ‘kleurtje’. Als kind vond ik zulke mensen behoorlijk eng, met dank aan onze onderbuurvrouw, die ’s avonds weleens op mij kwam passen en me dan angstaanjagende foto’s liet zien uit een medisch handboek voor tropische ziekten. Daar had ze een aanzienlijke mate van smetvrees aan overgehouden, want ‘je wist tenslotte maar nooit met welke besmettelijke kwalen die inlanders je huis binnen kwamen’, en met die fobie stak ze mij weer aan, zodat ik altijd een hygiënisch verantwoorde afstand tot haar bewaarde.

Op school werd je omtrent dat soort zaken beslist niet veel wijzer gemaakt. Ik kan me tenminste niet herinneren dat ik ooit iets anders heb geleerd over de vaderlandse geschiedenis in den vreemde dan een paar wapenfeiten van echt Hollandse helden als Jan Pieterszoon Coen en Jan van Riebeeck van de VOC. Die was onlosmakelijk verbonden met onze Gouden Eeuw en met de bollende zeilen van onverschrokken zeevaarders die de handel in specerijen mogelijk hadden gemaakt, de verkorte aanduiding voor een periode van nationale groei en bloei, die vervolgens weer prachtig in beeld werd gebracht door Rembrandt en zijn tijdgenoten. Over onze imperialistische praktijken in de West, over Suriname en de uit Afrika geroofde slaven die daar de plantages bewerkten, hoorde je nooit iemand.

Heel lang heb ik in de veronderstelling verkeerd dat het dus wel niet veel voorgesteld zou hebben, die plantages, en dat een klein maar dapper landje als Nederland (lees: onschuldig!) er vast een vrij humane slavernijpraktijk op nagehouden had. Die illusie sneuvelde pas toen ik zo rond mijn 35ste een paar Amerikaanse antropologen ontmoette die archief-onderzoek deden in Paramaribo, en van hen te horen kreeg dat de Nederlandse slavenhouders bekendstonden als de wreedste, meest meedogenloze representanten van hun toch al niet bijzonder zachtzinnige soort. Onlangs zapte ik toevallig langs een scène uit Steve McQueens 12 Years a Slave waarin getoond wordt hoe een in razernij ontstoken Amerikaanse plantagehouder een jonge zwarte slavin afranselt met een bullepees, en daarmee doorgaat tot de lappen bloedend vlees er los bij hangen. Dat maakte in één oogopslag duidelijk waarom deze gruwelijke bladzijde natuurlijk nooit had mogen ontbreken in het geschiedenisonderwijs dat ik heb gekregen, of nauwkeuriger: dat ik niet heb gekregen.

Gloria Wekker memoreert dat Paul Witteman naar eigen zeggen niet naar sommige beelden in die film had kunnen kijken, en interpreteert dat – gek genoeg – als bewijs van het feit dat Witteman (what’s in a name) zich niet met dat zwarte meisje maar met haar beul had geïdentificeerd, terwijl ik er juist het tegenovergestelde uit afleid: juist omdat McQueen het de kijker onmogelijk maakt om zich níet met het slachtoffer te identificeren, wordt die scène ook voor de toeschouwers heel letterlijk een ondraaglijke kwelling. Je moet jezelf dwingen om je ogen open te houden en er kennis van te nemen, want je ogen ervoor sluiten is precies even ondraaglijk.

Ooit was ik te gast bij een Brits echtpaar – beiden antropoloog van beroep – dat die avond een currymaaltijd had gekookt voor een bont gezelschap kosmopolitische vrienden en collega-academici dat zojuist uit alle mogelijke windstreken was komen aanvliegen voor een driedaags congres in Hull. En zoals te voorzien was, gingen de gesprekken tijdens en na het eten vooral over het onderzoek waar iedereen mee bezig was en dat hield in bijna alle gevallen verband met de Britse koloniale geschiedenis en de na-ijleffecten daarvan in de gebieden van dat voormalige imperium. Mijn toenmalige echtgenoot en ik zaten er tamelijk stilletjes bij, omdat we diep onder de indruk waren van de kennis van zaken die daar even achteloos als briljant tentoon werd gespreid. Opwekkende verhalen waren dat over het algemeen niet, en er kwam een moment in de conversatie dat de enige twee geboren en getogen (witte) Engelsen zich genoopt voelden om op te staan en met de hand op hun hart en een diepe buiging te verklaren dat het ze – met terugwerkende kracht – meer speet dan woorden konden uitdrukken. “We are soooo very, very sorry!” – waarop het hele gezelschap in bevrijd gelach uitbarstte en het glas hief op betere, postkoloniale tijden.

Kijk, dat is de spirit, en van die tongue-in-cheekbenadering kunnen de al dan niet witte Nederlanders die elkaar nu regelmatig in de haren vliegen over de postkoloniale schuldvraag nog wel het een en ander van leren. Gloria Wekker en haar aanhang – want soms lijkt die aanhang waarachtig wel een beetje op een heuse sekte, al is het maar vanwege het hermetische taalgebruik, dat voornamelijk bedoeld lijkt te zijn voor ingewijden – krijgen vaak het verwijt dat ze de nazaten van de Hollandse imperialisten een schuldcomplex willen aanpraten, terwijl die achter-achter-achter-achterkleinkinderen er niet eens bij geweest zijn en er toch écht niks aan kunnen doen dat sommige van hun voorouders op dit punt misschien niet helemaal zuiver op de graat waren.

En inderdaad, de terminologie van Wekker riekt ernaar: onverdiende witte privileges, en je daar dan nog niet eens bewust van willen worden ook, de hele smerige geschiedenis gewoon glashard ontkennen en tot overmaat van ramp die eenzaam maar o zo moedig strijdende Sylvana Simons voor rotte vis uitmaken – als je dat maar vaak genoeg naar je hoofd geslingerd krijgt, begint het wel degelijk op een beschuldiging te lijken. En daar houden mensen niet van, ongeacht de kleur die ze toevallig in hun wiegje hebben meegekregen.

En wat zou dat witte volk ook moeten of kunnen doen om de pijn te verzachten? Zich voortdurend verontschuldigen, al dan niet ironisch, zoals die twee Britten deden? “We are so sorry?” Dat lijkt niet haalbaar en ook niet wenselijk, want je kunt mensen die kansen hebben gekregen moeilijk verwijten dat ze die kansen daadwerkelijk hebben benut, zoals je gezonde mensen ook moeilijk kunt verwijten dat ze zich kiplekker voelen terwijl er nog zoveel zieken rondlopen die ook liever gezond hadden willen zijn. En voortdurend dankbaar zijn omdat je toevallig hebt gemazzeld in de grote oneerlijke loterij die het leven nu eenmaal is, dat houd je ook niet lang vol.

Maar je kunt wel kennisnemen van het feit dat zulke verschillen in herkomst ertoe doen, omdat ze soms consequenties hebben, zoals ik lang geleden eens heb geleerd van HP-collega Ischa Meijer, toen ik me erop beriep dat ik geen antenne had voor Joods-zijn of niet-Joods-zijn, omdat ik als kind nooit had geleerd dat er überhaupt zoiets bestond als Joodse mensen, met een Joodse identiteit, en met een aangrijpende Joodse voorgeschiedenis. Niet zonder enige zelfingenomenheid, alsof ik daarmee tot in alle eeuwigheid had bewezen dat ik van elke antisemitische smet vrij was. Waarop Ischa antwoordde dat als zijn familie de Holocaust had doorstaan, terwijl de mijne nergens last van had gehad, ik toch op zijn minst de moeite zou kunnen nemen om me er eens in te verdiepen.

Die les heb ik later nog hard nodig gehad, toen ik eindelijk mensen ontmoette die wel degelijk een niet te missen ‘kleurtje’ hadden – laten we dat maar zwart noemen – en ik andermaal dacht dat het een aanbeveling zou zijn als ik dat ‘niet zag’. Jij, noem jij jezelf zwárt, zei ik vol ongeloof tegen mijn beste vriend, die een Afrikaanse vader heeft, al zou je dat misschien niet dadelijk verwachten als je zijn bekakte accent hoort, dat eerder een hockeyclub in Aerdenhout doet vermoeden dan een hutje met een dak van golfplaat in Kaapstad. Maar zo simpel liggen die dingen natuurlijk niet, want kleur is niet iets wat je voor het kiezen hebt, of wat de mensen die van je houden het liefst zouden willen bagatelliseren, maar een wisselvallig gegeven dat iedere keer opnieuw tot stand komt als je getroffen wordt door de blik van een ander. Die blik is onvoorspelbaar en helaas niet per definitie welwillend.

Ik denk dat Gloria Wekker dat bedoelt, of ik hoop in ieder geval dat ze dat bedoelt, want ik blijf geloven in de beschaving.

[/blendlebutton]