Spanje is geen Joegoslavië, maar de situatie onderschatten is gevaarlijk

Opinie: de parallellen tussen de twee brengen evenzoveel verschillen met zich mee

Spanje zit momenteel midden in de ergste crisis sinds lange tijd, dankzij het  Catalaanse referendum van afgelopen zondag. De vergelijkingen met het uiteenvallen van Joegoslavië worden hier en daar al getrokken. Maar die vergelijkingen snijden lang niet allemaal hout.

Dat neemt niet weg dat er wel degelijk parallellen te vinden zijn, maar dat is ook niet zo verwonderlijk. Een overeenkomst valt — voor wie goed zoekt — bij iedere onafhankelijkheidsstrijd wel te vinden. Vaak begint het met een referendum of een duidelijk startsein als het de kop indrukken van een (vreedzame) demonstratie of zelfs een voetbalwedstrijd. De match Dinamo Zagreb – Rode Ster Belgrado van 13 mei 1990 wordt over het algemeen gezien als het startsein voor de bloedige jaren negentig op de Balkan.

In zekere zin is dat wat nu ook in Catalonië gebeurt. Gerard Piqué die zich niet meer voor het Spaanse nationale team beschikbaar stelt, is terecht te vergelijken met Zvonimir Boban. Die vedette schopte tijdens de beladen wedstrijd tussen Dinamo Zagreb en Rode Ster een politieagent tegen de grond. Maar de onderliggende laag was in Joegoslavië complexer van aard.

De tekst gaat hieronder verder. 

Joegoslavië: vanaf de oprichting gedoemd

De socialistische staat Joegoslavië was vanaf de oprichting door Tito’s partizanen na de Tweede Wereldoorlog gedoemd tot uiteenvallen. Tito kreeg voor zijn partizanenstrijd — met steun van de geallieerden — het gezag over een lappendeken van etniciteiten, verschillende religies en heel veel oude vetes die teruggrepen naar beide wereldoorlogen en vijf eeuwen van Ottomaanse overheersing.

Genocides en etnische zuiveringen werden door de eeuwen heen gepleegd door de dominante groep die daar op dat moment de middelen toe had, en buitenlandse invasies maakten de verhoudingen in dit ‘land van bloed en honing’ — zoals de regio wel eens aangeduid wordt — er niet beter op. Grenzen waren diffuus en zo’n beetje iedere minderheid had — en heeft — zijn eigen idee over de grootte van het oorsprongsgebied.

Ter vergelijking: de grenzen van Spanje zijn al eeuwen stabiel. De grens met Portugal is zelfs sinds 1297 niet meer gewijzigd. Buitenlandse invasies die de boel overhoop gooien zijn schaars, separatistische tendensen die — zoals op de Balkan — leunen op religieus nationalisme zijn op het van oudsher homogeen katholieke Iberische schiereiland ook niet mogelijk. Wraakgevoelens over volkerenmoorden uit voorbije oorlogen zijn er evenmin in Spanje.

Dat neemt overigens niet weg dat veel Catalanen zich wel degelijk achtergesteld, anders en onderdrukt voelen. Het daaruit voortvloeiend gevoel van nationalisme en de onafhankelijkheidswens dient dan zeker niet onderschat te worden. Latente onderdrukking is wel degelijk onderdrukking, en een gevoel kan gemakkelijk aangewakkerd worden, bijvoorbeeld door hard optreden van de Guardia Civil onder Madrileens gezag tijdens de referendumdag.

Politieke spelletjes

Terug naar de Balkan. Achteraf gezien is het een wonder dat een staat als Joegoslavië überhaupt levensvatbaar was, een dergelijke constructie kon dan ook alleen voortduren met de nodige onderdrukking. Het socialisme van Tito was relatief vrij, maar voor wie zich teveel profileerde op nationalistische, religieuze, of anderzijds separatistische wijze wachtte er een bar rotseiland voor de Kroatische kust.

Na de dood van de grote leider in 1980 speelden nationalistische gevoelens weer op, en kwamen de verhoudingen als vanouds onder druk te staan. De staat die met losse steken aan elkaar vast hing zou binnen afzienbare tijd de grootste brandhaard worden die het Europese continent sinds de Tweede Wereldoorlog zou zien.

Als je anno 2017 door de landen van het voormalig Joegoslavië reist en in ieder land de oudere generatie vraagt naar de socialistische staat Joegoslavië krijg je zeer veel verschillende meningen, die uiteenlopen van romantische nostalgie naar sterke negatieve gevoelens. Over één ding zijn veel ex-Joegoslaven — aan alle kanten van de opnieuw getrokken grenzen — het vaak eens: sluwe politici hadden in het laatste decennium (1980-1990) een zeer groot aandeel in het effectief ophitsen van de bevolking en het oprakelen van oud zeer.

Oppassen geblazen

In die zin is het nu zeker oppassen geblazen. Want Spanje mag dan wel stabieler, homogener en — op papier — democratischer zijn dan Joegoslavië ooit was — het politieke klimaat in het land begint radicaler van aard te worden. De wonden tussen de Catalanen en de Spanjaarden zijn niet zo diep als die tussen bijvoorbeeld Kroaten en Serven, maar het is de vraag in hoeverre dat echt uitmaakt. Er hoeft maar één sluwe politicus op het juiste moment garen te spinnen bij een nationalistische tendens die wel degelijk gedragen wordt door een deel van de bevolking en de vlam kan ook hier in de pan slaan.

Onder het juiste vergrootglas wordt ieder verschil — hoe klein ook — tussen twee groepen naar wens uitvergroot, waardoor het wij-zij denken nog extremere vormen aan kan nemen. Een dergelijke interne crisis in een land dient daarom nooit onderschat te worden.

Laten we dan ook hopen dat het trauma dat we met zijn allen opgelopen hebben in de jaren negentig een wijze les is om hier heel voorzichtig mee om te gaan en naar een verstandige, diplomatische oplossing te sturen. Mits dat nog mogelijk is.

Meer leuke content? Like ons op Facebook