Een sprong in de genenpoel: uw afkomst verklaard…

Beatrijs Ritsema 17 nov 2018 Leven

Steeds meer mensen laten hun DNA testen door een bedrijfje omdat ze willen weten waar hun voorouders vandaan kwamen. Maar wat wil het eigenlijk zeggen als je DNA voor zeventig procent Brits blijkt, en voor vijf procent Grieks?

Bij de 85ste verjaardag van Bonma (mijn schoonmoeder) een paar jaar geleden hadden de kleinkinderen een quiz gemaakt voor de familie. Degene met de meeste vragen goed zou de jarige het beste kennen. Een van de vragen was: “Wat zou Bonma nog het liefst willen meemaken in haar leven?” Er kon gekozen worden uit A. Een vogelnestje in de ringen uitvoeren (hilariteit in de zaal, want Bonma had zich haar hele leven bij voorkeur gemotoriseerd voortbewogen) B. Haar eerste achterkleinkind in de armen sluiten en C. Een cruise door de Caraïben.

Het merendeel van de aanwezigen koos alternatief B (het achterkleinkind), omdat de kleinkinderen heel belangrijk voor haar waren en zij ook altijd dol op baby’s was. Maar Bonma zelf, die als toetssteen in deze quiz fungeerde, had het vogelnestje als liefste wens aangekruist, waarmee ze een streep haalde door het vanzelfsprekende aan oude mensen toegeschreven verlangen naar nageslacht. Hoe meer, hoe beter toch? Als je, zoals zij, al elf kleinkinderen had, zou ze van hun baby’s helemaal gelukkig worden.

Maar dat klopte dus niet. Ze zou liever haar fysieke vermogens bij toverslag hersteld zien worden dan een nieuwe ronde baby’s. Mij verbaasde dat niet, omdat ik altijd al twijfel koesterde over hoever die veel geroemde familiale betrokkenheid zich nu eigenlijk uitstrekt. Verder dan twee generaties naar boven of beneden leek me sterk. Op de vraag “Waarom zou je kinderen willen hebben?” luidt het evolutionair-psychologische antwoord (maar ten dele een grapje): “Om drie redenen: kleinkinderen, kleinkinderen en kleinkinderen.” Mensen zijn traditioneel door het dolle heen van vreugde als hun kinderen zich voortplanten. Grootouders houden veel van hun kleinkinderen en zijn bereid om van alles voor ze te doen, tot en met de dagelijkse opvoeding aan toe, als de eigen ouders daar niet toe in staat zijn. De grootouder-kleinkind-relatie is vaak voor beide partijen belangrijk en waardevol. Maar achterkleinkinderen? Misschien als er sprake is van opeenvolgende generaties van tienermoeders, maar doorgaans is het leeftijdsverschil veel te groot. Tegen de tijd dat achterkleinkinderen zich aandienen zijn overgrootouders echt hoogbejaard en kunnen niet meer de levendige belangstelling opbrengen die nodig is om tot een betekenisvolle relatie over en weer te komen. Het interesseert hen domweg niet meer.

Genetisch gesproken is die tanende belangstelling goed verklaarbaar. Met een kleinkind heeft een grootouder gemiddeld 25 procent van zijn of haar genen gemeenschappelijk. Met een achterkleinkind is dat 12,5 procent, toch alweer de helft minder. Wie een redelijk aantal kleinkinderen heeft, kan voor de generatie daarna makkelijk op een verdubbeld aantal nazaten rekenen, waardoor je alleen al door de hoeveelheid het nageslacht niet meer uit elkaar kan houden. Stel dat je zo lang zou leven dat je je achter-achterkleinkinderen (6,25 procent DNA gemeenschappelijk) nog zou meemaken. Tegen die tijd heb je een volle schoolklas in beheer om verjaardagskaarten en cadeautjes naar te sturen.

 

Het hele artikel leest u op Blendle.
Bent u geïnteresseerd in meer artikelen van 
HP/De Tijd? Lees ze hier in onze gloednieuwe app.

Reageer op artikel:
Een sprong in de genenpoel: uw afkomst verklaard…
Sluiten