Spring naar de content
bron: ANP

‘De goede zoon’ van Rob van Essen: verzoening met het onbegrijpelijke

Rob van Essen met De goede zoon is dan eindelijk doorgebroken bij het grote publiek – hij won maandag de Libris Literatuurprijs. Op overdonderende wijze en met de nodige humor en ironie stelt hij de kenbaarheid van de waarheid ter discussie.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Thomas van den Bergh

Rob van Essen is het prototype van een writer’s writer. Hij publiceerde tot op heden negen romans, een verhalenbundel, en een autobiografisch verslag van een jeugd in de jaren zestig, zeventig en tachtig. Al die boeken werden zonder uitzondering goed ontvangen. Collega-auteurs roemen hem en nemen Van Essen op in hun lijstjes favoriete schrijvers, waar hij prijkt tussen bekende namen als Grunberg en Wieringa.

En toch wil hij zelf maar geen bekende naam worden. Zijn uitgever noemt hem zelfs een ‘cultschrijver’ – dat is misschien wat veel gezegd, maar feit is dat Van Essen, alle lof ten spijt, niet doorbreekt naar een groter lezerspubliek.

Waar ligt dat aan? Van Essens boeken zijn toegankelijk genoeg, intelligent zonder topzwaar te worden. In zijn schrijfstijl zit altijd een zekere lichtheid ingebakken, een ironie die veel lezers zou moeten aanspreken. Wel zijn het vaak essayistische, poëticale romans, waarin – direct of indirect – via de literatuur ook iets wordt gezegd over de literatuur. Wellicht dat ze juist om die reden veel weerklank vinden bij collega-schrijvers.

In Van Essens vorige boek, Winter in Amerika, ging het bijvoorbeeld over een bejaarde schrijver die zijn memoires optekent. Dat stelde Van Essen niet alleen in de gelegenheid het literaire bedrijf te parodiëren, hij kon ook zijn gedachten over de grenzen tussen herinnering en fantasie, waarheid en verbeelding de vrije loop laten.

De romans van Van Essen doen wel wat denken aan die van Arie Storm, nog zo’n veelgeprezen schrijver die tot de marge veroordeeld lijkt. Dat zit hem ook in de surreële, droomachtige sfeer die beiden weten op te roepen. Zelf knipoogt Van Essen in zijn nieuwe boek naar buitenlandse grootmeesters als Paul Auster, Philip K. Dick, Jorge Luis Borges en Franz Kafka, schrijvers die houden van het literaire spel en die graag de grenzen van de verhaalrealiteit opzoeken.

In Van Essens nieuwste, ambitieuze roman De goede zoon komen al deze elementen op een gloedvolle wijze samen. Het is zijn beste boek tot nu toe en zou nu echt de opstap naar dat grotere publiek moeten vormen.

De futuristische setting kan daarbij van dienst zijn. De goede zoon speelt ergens in de nabije toekomst, over pakweg vijfentwintig jaar. Van Essen heeft zich uitgeleefd in het verzinnen van sciencefiction-elementen, zoals kruipende schooltassen, receptierobots en een wc-pot die je ontlasting analyseert en je levensverwachting berekent – waarop de advertenties op je ‘palio’ (de nieuwste generatie smartphones) onmiddellijk worden afgestemd. De Markerwaard is ingepolderd en er is een dorp gecreëerd waar permanent carnaval wordt gevierd, met de naam (wink wink, nudge nudge) Mersbergen.

De naamloze hoofdpersoon is een ongeveer zestigjarige, alleenstaande schrijver. In lange, terugblikkende passages vertelt hij over zijn jeugd in een strenggelovig gezin, zijn gefnuikte studie kunstgeschiedenis, zijn jaar op ‘het Archief’. Dat studentenbaantje brengt hem in contact met Lennox, Guido en De Meester, drie schimmige figuren die later bij de Dienst blijken te werken. Wat dat precies voor instelling is, blijft onduidelijk, het heeft iets met virtuele realiteiten te maken, en is hoe dan ook erg geheim. De hoofdpersoon, intussen tamelijk succesvol als auteur van een reeks ‘plotloze thrillers’, raakt bij de Dienst betrokken als De Meester een nieuwe identiteit aangemeten moet krijgen. Dat wordt ‘Bonzo’, en aan de schrijver de taak de jeugdjaren van Bonzo te bedenken.

Dit speelde zich allemaal ongeveer twintig jaar eerder af. In het vertelheden loopt de schrijver met zijn ziel onder z’n arm. Hij heeft juist zijn oude, demente moeder begraven, voor wie hij vele jaren gezorgd heeft, en het manuscript van zijn laatste ‘plotloze thriller’ is door zijn uitgever afgewezen vanwege ‘een teveel aan plot’.

Juist op dat moment duikt Lennox weer op. Hij heeft de schrijver opnieuw nodig. Ditmaal moet hij de verzonnen jeugd van Bonzo uit zijn eigen geheugen laten halen, aangezien de nieuwe identiteit van De Meester ‘is uitgedoofd’. Hier krijgt De goede zoon de trekken van een dystopische road novel. In de auto naast Lennox raast de schrijver door onbekende gebieden naar een al even onbekend eindpunt. Het regent, er zijn bosbranden, modderstromen, desolate dorpjes, duistere nachtclubs. Van Essen citeert de beroemde beginzin van Dantes Divina Commedia: “In het midden van het leven bevond ik mij in een donker bos.” Met Lennox als gids daalt de schrijver af in de hel.

De hoofdpersoon blijft bij dit apocalyptische spektakel een passieve beschouwer. Dat is wel zo effectief. Hij stelt niet veel vragen, en laat alles vrij laconiek over zich heen komen. Daardoor blijf je als lezer betrokken bij het verhaal en wil je weten wat deze zoektocht gaat opleveren, maar tast je, net als het hoofdpersonage, voortdurend in het duister naar het hoe en waarom van alles.

Toch is het niet slechts duisternis wat deze roman kenmerkt. Van Essen zorgt op gezette tijden voor comic relief, bijvoorbeeld in de dialogen tussen de schrijver en zijn zelfrijdende auto Jerôme. Die auto is op een aandoenlijke manier dienstbaar en nieuws- gierig, en tegelijkertijd irritant betweterig; hij heeft immers alle kennis van Wikipedia en Google in zijn chips opgeslagen. De verbroedering tussen de twee leidt op zeker moment zelfs tot een hilarische seksscène, waarbij de autostoel zich behendig om de ontklede schrijver heen weet te plooien.

‘Veel sfeer en stemming, weinig plot’ concludeert Jerôme, als hij in luttele seconden het complete oeuvre van de schrijver tot zich heeft genomen. Dat geldt ook voor de romans van Van Essen. In De goede zoon wordt het verschijnsel ‘plot’ juist ter discussie gesteld.

Ja, er is sprake van diamanten, die ooit na de gijzeling van een biermagnaat van de aardbodem zijn verdwenen. En de met diamanten bezette schedel van Damien Hirst, For the Love of God, speelt ook een zijdelingse rol. Zo leg je als lezer verbanden en zoek je houvast, maar vergeefs. Van Essen brengt je continu aan het wankelen, door de scènes als in een visioen aaneen te rijgen. Voor Van Essen lijkt in die zinsbegoocheling juist een diepere waarheid te schuilen. De ware plotbouwers gaan uit van de kenbaarheid van de werkelijkheid. Van Essen daarentegen laat zien dat een schrijver de echte wereld wel kan benaderen, maar nooit kan kopiëren. Dat fictie in wezen altijd surrogaat blijft.

Overal in de roman zitten dat soort surrogaat-werkelijkheden verstopt. Politieagenten die oude moordzaken reconstrueren door er maquettes van te maken. Een studentenflat die nimmer wordt betreden maar slechts wordt bespied. Een man die zijn eigen woning tot museum bestempelt. Aliens die zich voordoen als demente bejaarden. In feite is het hele leven anno 2050 een surrogaat geworden, met herinneringen die naar believen kunnen worden in- of uitgeschakeld.

Het zijn allemaal pogingen om greep te krijgen op de realiteit. Met De goede zoon laat Van Essen overtuigend zien dat kunst en literatuur ons geen verwrongen kopie van de werkelijkheid dient voor te houden, maar ons juist kan verzoenen met de onbegrijpelijkheid van alles. Dat resulteert in een groots en overdonderend boek.

Rob van Essen, De goede zoon
Atlas Contact €21,99