Spring naar de content
bron: Beeld: Joke de Wolf

Waarom teletijdmachineproject Esonstad angstaanjagend is

Wekelijks schrijft Joke de Wolf op zaterdag een column over kunst. Deze week: een bezoek aan Esonstad: Geen dorpsgekken, geen eenzame bejaarden, geen huisdieren, niets van wat steden steden maakt. En dat maakt het een uiterst onbehaaglijke plek.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Joke de Wolf

Professor Barabas was een van de zeldzame uitvinders die liever naar het verleden keek dan naar de toekomst. Zijn teletijdmachine was mijn belangrijkste reden de avonturen van Suske en Wiske te verslinden. De twee Vlaamse kinderen met onbegrijpelijke teksten kregen automatisch passende kleding, als ik het me goed herinner. Ze integreerden in hun kostuumpjes perfect bij de lokale bevolking, zelfs pop Schanulleke kwam aardig mee, en losten voortvarend de grootste mysteries uit de wereldgeschiedenis op.

Afgelopen week was ik op een plek waar ze nog wel wat hulp van de professor kunnen gebruiken. De huizen lijken zeventiende-eeuws. Sommige hebben trapgevels, andere klokgevels, de een rode baksteen, een ander keurig zwart afgewerkt. Deze kern van het Friese Esonstad, want daar was ik, noemt beheerder Landal een vestingstad. Nu hoort een vestingstad een strategisch punt te verdedigen, en zijn er rondom Esonstad weinige strategische punten te verdedigen, of je moet vroegere afvaartsplek van de pont naar Schiermonnikoog als strategisch opvatten, maar wel is er, net als in Nederlandse vestingsteden als Zwolle of Amersfoort, een echte stadspoort en het stadje water rondom. Daar houdt de vergelijking met historische plaatsen wel op.

Groots in bescheidenheid zijn de meeste van die Nederlandse middelgrote oude steden. Ongepoetste parels met lome grachten, onverwachte doorkijkjes, havens met platbodemschepen, de één nog pittoresker dan de ander. Ik kom er graag. De meeste zijn onontdekt door het massatourisme, ondanks verwoede pogingen van de stadspromotie. Leiden probeert zich bijvoorbeeld te profileren als de zoveelste Rembrandtstad, Schiedam heeft de slogan ‘S’dam’ bedacht. Het helpt allemaal niets, ook met een nieuw station is de rode loper van Leiden nog steeds bezaaid met belwinkels, kappers en shoarmazaken, in Schiedam is de belangrijkste winkelstraat al jaren aan het strijden tegen de leegstand en is er, naast de prachtige bibliotheek in de vroegere beurs, ook een heel treurig jarentachtigwinkelcentrum.

Treurig natuurlijk voor ondernemers die hun zaak failliet zien gaan, jammer voor de nieuwe bewoners die liever alles aangeharkt zien, maar het houdt het pretpark wel buiten de poort. Esonstad is het omgekeerde van die vestingsteden. Achter de facades van zeventiende-eeuwse historische gebouwen strekken zich namelijk luxe vier-, zes- tot zelfs twaalfpersoonsbungalows uit. Met hufterproof Ikeameubilair, flatscreen-tv’s, cd en dvd-spelers voor de senioren, gratis wifi voor de jeugd en tweepersoons-infraroodsauna’s voor papa en mama. Waarschijnlijk ziet de ideale woning van veel Nederlanders er precies zo uit als op de plaatjes online, daar wil ik niet te veel over nadenken.

Gelukkig houden de Esoniërs hun deuren stevig dicht. Waar ik als bezoeker, toerist zo u wilt, in zo’n stadje wél mee te maken krijg, is de beangstigende eenvormigheid van de buitenkant. Het publiek, de bevolking, heeft geen enkele poging gedaan zich te kleden op de omgeving. Afritsbroeken, lekker makkelijk kort haar, veel overbodig bloot spierwit of rood mensenvlees, voor zo’n uiterlijk hadden ze je in de zeventiende eeuw meteen voor naar het schavot gebracht. Maar modern is Esonstad ook niet. Het heeft geen schimmige belwinkels, coffeeshops of shoarmazaken, geen stoffig antiekzaakje dat nooit open gaat. Geen uitgestorven jarentachtigwinkelcentrum. Geen dorpsgekken, geen eenzame bejaarden, geen huisdieren, niets van wat steden steden maakt. En dat maakt het een uiterst onbehaaglijke plek.

In Esonstad ligt in de ruimte tussen twee huizenrijen een uitgestrekte kinderspeeltuin waar je autoluw kunt spelen. Het centrale plein heeft een gebouw dat doet denken aan een voormalige waag, met arcades op de begane grond, daarboven ramen met luiken ertussen en op het dak een klein torentje waar een klok in had kunnen zitten. Hier geen waag maar ‘Brasserie De Waegh’. Ik heb de tent niet eens opgemerkt tijdens mijn bezoek, er was namelijk een minikermis aan de gang op het pleintje ervoor. Je kon er kinderen tegen betaling meters omhoog laten slingeren in een schommel aan elastiek met de kraker ‘Living next door to Alice’ keihard op de achtergrond. Het was er druk.

Dergelijke halfslachtige teletijdmachineprojecten zijn er niet alleen in vakantieparadijzen. Na de nieuwbouw-jaren-twintigwoning en de nieuwbouw Amsterdamseschool-villa’s zijn ook de nieuwbouw-grachtenpanden populair in nieuwbouwwijken. Deels begrijpelijk, want die echte originele bouwsels zijn, als ze inmiddels niet al zijn ingestort, niet meer te betalen en bovendien lastig te rijmen met het tochtvrije goedkope energielabelideaal. Wat er jammer, misschien zelfs een beetje beangstigend aan is, is dat projectontwikkelaars en daarmee hele volksstammen die goedkope nostalgie verkiezen boven moderne experimentele architectuur.

Teruggrijpen op het verleden is een eeuwenoude traditie, ook daarin niets nieuws. De Romeinen kopieerden van de Grieken, in de Renaissance werd de klassieke oudheid het ideaal. En in de negentiende eeuw keek de helft naar de zeventiende eeuw, de andere helft zocht inspiratie in de middeleeuwen. Of dat werkelijk interessante architectuur oplevert valt te betwijfelen, meestal zijn zulke gebouwen – het Witte Huis bijvoorbeeld – vooral een politiek statement, om te laten zien dat wat erbinnen gebeurt, ook zou voortborduren op wat er ooit in Griekenland bedacht was, over democratie enzo. En ik begrijp die vakantiehuisjesbouwers best: de meeste moderne prefab-vakantiehuisjes in vakantieparken zijn om te huilen zo lelijk en fantasieloos, dan is zo’n nep-vestingstadje al een stuk beter.

De enige geruststelling kwam op het parkeerterrein, waar ik zag dat meer dan de helft van de auto’s een Duits kenteken hadden.

De meeste vakantievierders willen weg van de dagelijkse werkelijkheid, zich onderdompelen in een sprookjestuin. Een hyperrealiteit noemde filosoof Jean Baudrillard kunstmatige plekken zoals het Amerikaanse Disneyland.  Even geen lastige mensen die er anders uitzien dan jij, die andere gewoontes hebben, een andere smaak. Even geen bijdehante Suskes en Wiskes die de boel wel even recht gaan zetten, die iets onverwachts doen, iets nieuws. Allemaal mensen die geloven in een sprookje over een oud vestingstadje waarin je ongestoord kunt meebrullen met ‘Who the fuck is Alice’ en dat volgend jaar weer. Een gated community die pretendeert de enige echte werkelijkheid te beschermen, met archaïsch klinkende winkelnamen en een weekendje hoogseizoen vanaf 489 euro. De enige geruststelling kwam op het parkeerterrein, waar ik zag dat meer dan de helft van de auto’s een Duits kenteken hadden.