Spring naar de content
bron: Kemal Rijken

Laat dat slavernijmuseum maar komen!

Er is een slavernij-hype gaande in de museumwereld, observeert Kemal Rijken. En dat is maar goed ook, want die zwarte bladzijde uit onze vaderlandse geschiedenis mag niet vergeten worden. Het aangekondigde slavernijmuseum in Amsterdam kan een uitkomst bieden.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Kemal Rijken

Onlangs werd in de Nieuwe Kerk in Amsterdam de ‘Grote Suriname-tentoonstelling’ geopend. Terwijl een drumband over de Dam ratelde, stroomde de kerk vol met hotemetoten uit de culturele bovenlaag. Er was een programma met zang en toespraken, en iedereen mocht de expositievloer op. Met belangstelling wandelde ik door de kerk om de kunstvoorwerpen uit Suriname te aanschouwen. Aan alle noodzakelijke onderdelen wordt voldoende aandacht besteed – slavernij, plantages, de Marrons, de Hindoestanen, Paramaribo, Desi Bouterse – ondersteund door audiovisuele fragmenten. Het is een tentoonstelling die een redelijk overzicht geeft van de turbulente geschiedenis van het gewezen wingewest, en daarnaast de positieve kanten van het land belicht, waar verschillende etnische groepen vreedzaam samenleven.

Tijdens de openingsavond viel het echter op dat leden van de Surinaamse gemeenschap behoorlijk waren ondervertegenwoordigd. Naar schatting vier op de vijf aanwezigen was ‘wit’. En dat terwijl deze expositie juist een feestje zou moeten zijn voor Surinaamse Nederlanders. Oud-nieuwslezeres Noraly Beyer was er wel, druk aan de praat met iedereen. Presentator Humberto Tan, cabaretier Jörgen Raymann en antropologe Gloria Wekker heb ik eveneens gezien. Maar ik miste mijn Surinaamse sporthelden van vroeger, zoals ex-voetballers Edgar Davids, Michael Reiziger en Winston Bogarde of oud-boksers als Regilio Tuur en Raymond ‘Hallelujah’ Joval. Wat zouden zij er van gevonden hebben?

Naast hem waren muzikanten als Typhoon in de Hollandse elitekleding van weleer op de foto gezet.

De volgende dag kwam ik alsnog zo’n sporter tegen. In het Amsterdamse stadhuis liep ik tegen een levensgrote foto aan van oud-voetballer Ruud Gullit, gestoken in zeventiende-eeuws adellijk kostuum. Naast hem waren muzikanten als Typhoon in de Hollandse elitekleding van weleer op de foto gezet, nota bene door dezelfde Humberto Tan. De onderschriften verwezen naar een andere expositie waarin de slavernij ook een prominente rol speelt, in museum De Hermitage, even verderop. Blijkbaar wil de dependance van het beroemde Russische museum de boot niet missen.

De boot niet missen. Zo voelt het wel een beetje, want in het Museum van Loon loopt momenteel nog een slavernijtentoonstelling en in het Tropenmuseum is er eveneens een Suriname-expositie gaande. Volgend jaar komen er soortgelijke tentoonstellingen in het Rembrandthuis, het Centraal Museum in Utrecht en het Textielmuseum in Enschede. ‘Black awareness’ is een populair onderwerp, want het Rijksmuseum opent ook nog eens een grote overzichtstentoonstelling over de slavernij. Die zal doorlopen tot in 2021. Mogelijk imiteren de musea elkaar of zijn ze bang om niet politiek correct genoeg te zijn. Neem bijvoorbeeld de beslissing van het Amsterdam Museum om de term ‘Gouden Eeuw’ uit te wissen, net zoals Stalin vroeger hem onwelgevallige personen en gebeurtenissen uit de geschiedenisboekjes liet poetsen. Gelukkig denken de andere musea minder zwart-wit en blijven ze deze term gewoon hanteren als historische duiding.

Mogelijk imiteren de musea elkaar of zijn ze bang om niet politiek correct genoeg te zijn.

De huidige slavernij-hype in de museumwereld lijkt op die uit de jaren na de Vluchtelingencrisis van 2015, toen in musea ineens veel kunst over de migrantenstroom opdook. Ondertussen is die trend voorbij en nagenoeg in de vergetelheid geraakt. Als over anderhalf jaar de laatste tentoonstellingen met een link naar het koloniale slavernijverhaal afgelopen zijn, is de kans net zo groot dat we overgaan tot de orde van de dag. Maar dat mag eigenlijk niet gebeuren, want deze zwarte bladzijde uit de vaderlandse geschiedenis mag niet vergeten worden. Het aangekondigde slavernijmuseum in Amsterdam kan daarom uitkomst bieden. De regering heeft al één miljoen euro per jaar in het vooruitzicht gesteld, maar er moet nog veel gebeuren.

Momenteel buigt een werkgroep met experts van onder andere slavernij-instituut NiNsee zich over de vraag hoe zo’n museum eruit moet zien. Ik heb er wel ideeën over. Naast een permanente tentoonstelling over de slavernij in de West zou in dat museum ook aandacht besteed moeten worden aan slavernij in de Oost. Op de eilanden van Nederlands-Indië, maar ook in een Nederlandse kolonie als Formosa (Taiwan) waren de tot slaaf gemaakten alom aanwezig. Zij worden vaak vergeten. Tegelijkertijd kan een Slavernijmuseum stilstaan bij moderne slaven, zoals degenen die zwoegend hun steentje bijdragen aan Qatarese voetbalstadions en wolkenkrabbers. Verder zou het mooi zijn als het museum gevestigd zou worden in een nieuw gebouw in het Amsterdamse stadsdeel Zuidoost, een plek waar veel Afro-Caraïbische Nederlanders wonen en die wel een impuls kan gebruiken.

De bewustwording over het tropische deel van de Nederlandse samenleving stopt niet na deze tentoonstellingengolf. Gewone burgers, maar ook schoolklassen, bedrijven en andere groepen moeten in de toekomst kennis kunnen blijven nemen van dit deel van de Nederlandse geschiedenis. Daarom zeg ik: Laat dat slavernijmuseum maar komen!