Spring naar de content

José Rentes de Carvalho: ‘Arturinho, wij lijken heel lief, maar we zijn een heel wreed volk’

Arthur van Amerongen had een ontmoeting met de schrijver van zijn favoriete reisgids: José Rentes de Carvalho. “Zie je nou wel dat je helemaal niet bang voor mij hoeft te zijn, Arturinho.”

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Arthur van Amerongen

José Rentes de Carvalho schreef een van de alleraardigste reisgidsen die ik ooit las.

Abboneer op een lidmaadschap

Hoe sympathiek!

Dit artikel krijg je van HP/De Tijd cadeau. Om ons te steunen en meer artikelen van en uit HP/De Tijd te lezen, word je vanaf slechts vier euro per maand lid in minder dan een minuut. Voor dat luttele bedrag lees je ook alle stukken uit het maandelijkse magazine digitaal.

Kies een lidmaatschap

Portugal, een gids voor vrienden verscheen in 1989 en werd maar liefst twintig keer herdrukt. Het boek geniet een cultstatus en is officieel niet meer verkrijgbaar maar ik kom het regelmatig tegen op vlooienmarkten in de Algarve.

De gelauwerde romancier heeft een uitgesproken mening. Zo schrijft hij in de inleiding, bijna dreigend:

“Het alleen of in groepsverband op een gebied neerstrijken van toeristen lijkt in zijn gevolgen op een ware plaag, ook al krijgt die plaag over het algemeen de zegen van overheden, neringdoenden en zelfs van hen die er op korte of lange termijn onder te lijden hebben.

Vandaar dat met de ondertitel – Een gids voor vrienden – gemeend werd onderscheid te maken tussen hen die Portugal binnenvallen met het geweld en de lompheid van een wild invasieleger en hen die beseffen dat doordringen in andermans intimiteit – of dat nu een huis is of een landterughoudendheid vereist, bescheidenheid, eerbied voor andere zeden en gewoonten en het respecteren van een aantal formaliteiten.”

Aan het einde van Portugal, een gids voor vrienden schrijft Rentes de Carvalho bijna achteloos dat men de Algarve gerust kan overslaan. Een man naar mijn hart dus.

Het motto van de gids is van Confucius:

Wie veel reist wordt wijs,
Wie wijs is blijft thuis.

Rentes de Carvalho (1930) doceerde Portugese taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam en is een van de meest gevierde schrijvers in zijn geboorteland.

Met zijn charmante echtgenote Loekie woont hij half in de streek Trás-os-Montes in het uiterste noorden van Portugal en half in Amsterdam.

Voor mijn nieuwe boek Saudades, dat tegen de feestdagen de AKO en de Bruna uit moet vliegen, bereis ik Portugal per trein en er ontbreekt nog één traject: de Douro-spoorlijn.

Eigenlijk ben ik wel klaar met sporen, want de hele dag in de trein zitten met een mondkapje op is geen pretje. Daarom wil ik vanaf Porto met de auto naar Trás-os-Montes reizen, gechaperonneerd door Arie Pos, vertaler en de biograaf van Gerrit Komrij.

Arie woont al dertig jaar in Portugal en weet veel van het land, de taal en de cultuur. Hij zit vol anekdotes over van alles wat met Lusitania te maken heeft.

Zo kan hij smakelijk vertellen hoe Rentes de Carvalho midden in de woelige jaren zeventig gewoon in een keurig kostuum doceerde, in een tijd dat zijn collega’s op de Universiteit van Amsterdam woeste baarden hadden en in fletse spijkerpakken liepen. Rentes de Carvalho’s collega August Willemsen was net zo’n eigenzinnige academicus.

Bij de opening van het academisch jaar gaf Willemsen – Guus voor intimi – voor de eerstejaarsstudenten Portugees ‘s morgens vroeg een college caipirinha’s-maken, ‘om de ziel van Brazilië beter te kunnen doorgronden’.

De belangrijkste reden was natuurlijk dat de notoire innemer Willemsen zo de dag kon starten met een herstelpikketanussie.

Mijn belevenissen in Trás-os-Montes heb ik al summier beschreven in mijn Volkskrant-column van deze week, met veel couleur locale en – om iedereen in het treurige moederland lekker gek te maken – het vermelden van de temperatuur (33 graden) en het onvermijdelijke trio Wein, Weib und Gesang.

We stoppen onderwel bij het treinstation van Pocinho, het eindpunt van de Douro-lijn. Er vertrekt net een trein naar Porto en het lome, ouderwetse en vooral onthaaste sfeertje doet me denken aan mijn interrailtoer door Portugal in 1980.

Het station van Mirandela, veertig kilometer verderop, is immens maar er gebeurt niets omdat er geen treinen meer komen. We struinen wat langs de diverse gebouwen en zien dat er een juffrouw achter het loket zit. Hier werden vroeger de kaartjes verkocht. We vragen de vrouw wat precies haar functie is nu er geen reizigers meer zijn. Ze zegt dat er op de in ongebruik geraakte spoorlijn wellicht over een jaar een lightrail komt, maar dat kan ook over twee of drie jaar zijn. Arie kijkt eens naar de overwoekerde sporen en de verlaten gebouwen en zucht: ik denk dat hier nooit meer iets gaat rijden.

In de auto zeg ik dat ik best een beetje bang ben om bij José op audiëntie te gaan. Ik geloof dat ik een keer een Portugees woord in mijn Volkskrant-column verkeerd had geschreven en dat hij toen een brief naar de krant heeft gestuurd. Arie stelt mij gerust en weet mij bovendien te vertellen dat José mijn columns én mijn boeken met plezier leest.

We hebben afgesproken voor de lunch in het schattige bergstadje Moncorvo, op een half uur rijden van zijn huis in het gehucht Estevais waar we na de dis uitgenodigd zijn voor een afzakkertje. 

In boekhandel Clássica in Moncorvo heeft de schrijver een eigen plank met zijn oeuvre en in het plaatselijke kantoor van de VVV ligt hij pontificaal in de vitrine. Het meisje in de boekhandel zegt dat ‘o doutor’ net met zijn vrouw in de boekhandel was en al zijn daar aanwezige boeken heeft gesigneerd.

We hebben voor de lunch afgesproken in restaurant O Lagar (Het Pershuis). Om twaalf uur is de tent afgeladen, men luncht hier veel vroeger dan in de Algarve.

José en Loekie ontvangen ons met alle egards en we gaan meteen lekker aan de wijn, zoals het hoort in het Zuiden (vraag maar aan Jeroen Dijsselbloem). Het echtpaar is zeer recentelijk aangekomen met de auto, vanuit Nederland, en ik vraag José hoe het was, om in deze tijden van pestilentiën als negentigjarige die enorme rit te maken.

“Ach, je zet dat ding op de weg en verder gaat het vanzelf. Normaal rijden we twee per jaar naar Estevais, dit jaar maar één keer, mede omdat de Frans-Spaanse grens dicht was. Met de Kerst gaan we weer terug.”

We eten op dringend aanraden van José een stevige bonenschotel (feijoada) vol varkensribbetjes, diverse soorten worst, kool, varkensoren en spek. Krachtvoer voor de nijvere landman, want in tegenstelling tot valse beweringen van de zojuist genoemde Dijsselbloem (de Portugees is lui en zit de hele dag te zuipen en is ook nog eens een rokkenjager) wordt hier keihard gewerkt.

Overigens zag ik Dijsselbloem een keer lunchen in het Europese parlement met twee bammetjes kaas en een glas karnemelk. Verderop zaten de Italianen, de Spanjaarden en de Portugezen gezellig mediterraan te pimpelen dus ik begrijp wel waar die kinnesinne van onze katholieke calvinist vandaan komt.

Ik wil vooral weten hoe mijn favoriete reisgids destijds tot stand is gekomen.

José: “Ik was aan het lunchen met Theo Sontrop, de directeur van de Arbeiderspers. Hij was net terug van een vakantie in Portugal. Alleen Lissabon vond hij de moeite waard, verder was het maar een somber land met oude vrouwtjes op straathoeken en heel stomme kerken. ‘Weet je wat’, zei ik tegen Theo, ‘we maken een deal: jij geeft mij de vrije hand, dan maak ik iets voor jou. Mijn onkosten van de reis vergoeden jullie’. Ik heb toen het hele land twee keer doorkruist, van noord naar zuid. Al mijn impressies nam ik op met een cassetterecorder, ik droeg voortdurend een microfoon om de nek. Als ik iets echt leuk vond, maakte ik schriftelijke aantekeningen. Ik vond het helemaal niet leuk. Het was een vervelende, zware tijd. Ik had geen voorbeeld van andere reisgidsen. Enfin, ik heb er anderhalf jaar aan gewerkt, alles uitgetikt en toen was ik klaar. Ik had nog twee eisen: zelf de lay-out maken en het omslag bepalen. Toen ik met het omslag kwam, viel Theo Sontrop bijna flauw en zei: een reisgids met een zwarte omslag met een kleine foto op de voorkant verkoopt absoluut niet. Ik zei: ik wil het zo en niet anders. Het ging naar de drukker en ik werd twee weken later gebeld door Theo: je gelooft het niet José, maar de eerste druk in in twee weken uitverkocht. Een oplage van 5000! Ik krijg nog steeds brieven van mensen die door mijn gids helemaal dol zijn op Portugal.”

In 2005 publiceerde Rentes de Carvalho een nieuwe, wederom zeer onderhoudende reisgids: Portugal. Een gids voor ontdekkers.

In de inleiding gebruikt hij met opzet het woord ‘reiziger’ in plaats van ‘toerist’ want het boek is niet bedoeld voor apathische lieden die zich, doorgaans zonder te weten waar ze zijn, van het ene monument naar het andere slepen met het idee dat bier drinken in de schaduw van een kathedraal ook iets cultureels is.

De Algarve ontbreekt in de gids. 

Het leek Rentes de Carvalho een tegenstrijdigheid deze provincie op te nemen in een werk dat als voornaamste doel heeft de reiziger aan te zetten tot het doen van ontdekkingen. Om niet te worden geplaagd door een kwaad geweten, doorkruiste de schrijver de Algarve voor de ontdekkersgids opnieuw langdurig maar hij vond niets dat nog in staat was zijn geestdrift te wekken. Zelfs de weinige punten en plaatsen die werden genoemd in de eerste Portugal-gids leken hem verder weggezakt in het moeras van eenvormigheid, banale mystificatie en commercieel winstbejag. Rentes de Carvalho: de Algarve is voor wie genoegen neemt met de zon en de menigte.

José bestelt een nieuwe fles wijn en de enorme terrine feijoada wordt bijgevuld met diverse lekkernijen van het varken.

De schrijver: “Ik ken de Algarve uit de jaren vijftig, begin jaren zestig, toen was het echt heel primitief. De Engelsen waren er nog niet. In de jaren tachtig ging ik terug voor de reisgids en ik wist niet wat ik zag. Al die lelijke hotels, echt afschuwelijk. Ik hoef nooit meer naar alles wat bezuiden Lissabon ligt.”

Portugal is zo’n beetje het laatste land van Europa waar de Nederlander nu nog op vakantie kan gaan. Het coronabeleid in mijn patrie de coeur heeft prima gewerkt. Ik vertel José dat ik op 13 maart van Amsterdam – de lockdown was net ingevoerd –  naar Faro vloog en dat ik mij vanaf die tijd keurig aan de regels heb gehouden in Portugal. Nederland is het enige land in Europa waar de regering ruim een half jaar maling had aan mondkapjes.

José: “Ik vind het verplicht dragen van het kapje een aanslag op mijn grondwettelijke rechten maar ik draag hem wel. Maar hoelang gaat dit nog duren? Vorige week zag ik op televisie een echtpaar in de Algarve in een restaurant zitten. Tijdens het hoofdgerecht ging het masker uiteraard af en toen ging het weer op tot het dessert kwam. Dat is toch niet normaal? In ons dorp reed gisteren de GNR rond en verkondigde met luidsprekers: u moet ook op straat een mondkapje dragen. Er wonen amper 80 mensen!”

Hoe vergelijkt de schrijver de aanpak van de corona in Portugal met Amsterdam? Mijn theorie is dat dictator Salazar en zijn geheime dienst, de PIDE, het Portugese volk erg braaf en gehoorzaam heeft gemaakt en dat ze van nature lief zijn.

Ik vind dat ik heel hoffelijk ben, maar vreemde mensen moeten geen dingen van me eisen, kom nou.

José Rentes de Carvalho

José is het daar niet mee eens: “Ze hebben hier een beetje van de democratie geleerd en ze zijn nog steeds heel gehoorzaam. Maar verder zijn wij een wreed volk en doen we net alsof we heel vriendelijk en zachtaardig zijn. Dat zijn wij niet. Wij hebben alles geërfd van de volkeren van het Midden-Oosten en Noord-Afrika die hier zijn geweest. Het is een vernisje. We doen aardig om te voorkomen dat je ziet dat we echt in staat zijn om iemand te vermoorden. De mensen van Trás-os-Montes lijken heel lief maar je moet geen ruzie met ze maken. Eigenwaarde en trots.”

Dat zeggen ze toch ook over de bewoners van de Alentejo?

José: “Nee hoor. Zelfs als die zingen moeten ze leunen tegen de bar of tegen elkaar. Zo lui zijn die. Ik was daar eens in het dorp Baleizão, beroemd door de communiste Catarina Eufémia. Het was in de middag en ik moest een aspirine hebben, alles was uitgestorven. Op het plein zat één man. Ik loop op hem af en zeg: ‘Goedenmiddag, weet u misschien waar de apotheek is?’ Hij keek me langdurig aan, ik zag hem denken. Apotheek, apotheek. Hij herhaalde dat woord wel tien keer. Ik dacht: of hij neemt mij in de maling of hij is gek. Toen wees hij: daar. Nee, ik heb geen goeie herinneringen aan de Alentejo.”

José lacht en zegt dat hij als schrijver rare dingen meemaakt. Hij heeft iedere zondag een goed gelezen en zeer populaire column in de Correio da Manhã, de grootste krant van Portugal, en is regelmatig op de televisie. José is een BP’er, of hij dat nou leuk vindt of niet.

“Een paar jaar geleden werd er hier op de deur geklopt, op een zondagochtend. Een man, een vrouw en een jongetje. Ze staren me aan en zeggen: wij komen uit Porto. Dat is een lange reis. Wij willen met u spreken. Ik zei dat ik het druk had. Ze zeiden: ‘Maar we hebben uren in de auto gezeten om u te zien!’ Toch heb ik ze weggestuurd, ik moest gewoon werken. Een andere keer stond er om zeven uur ‘s ochtends een man voor deur. ‘Bom dia. Mijn dochter leest uw boeken. En dat wilde ik u vertellen.’ Ik wist niet wat ik moest doen, om zeven uur ‘s ochtends. Ik ging weer naar binnen, hij ging hij weg. De man wilde gewoon even zien of ik echt bestond.”

Tegen Loekie: “Ik ben heel vriendelijk, ja toch?”

Loekie: “Tegen wie? Af en toe vind ik je wel wat lummelig. Als je iets kunt ontwijken, ontwijk je het wel. Of je stuurt mij af op mensen die je niet wilt spreken.”

José: “Ik vind dat ik heel hoffelijk ben, maar vreemde mensen moeten geen dingen van me eisen, kom nou.”

Ik tegen José: “Ik was wel een beetje bang voor je hoor, dat zei ik nog in de auto tegen Arie maar je valt reuze mee.”

José: “Ja toch!”

Breed lachend: “In 1996 gaat de telefoon in de ochtend. Loekie neemt op. Het is het paleis, zegt ze tegen mij. Grapjas, antwoordde ik. Maar het was echt het paleis. Een secretaresse vroeg heel beleefd of wij een uitnodiging voor een lunch met de koningin zouden aanvaarden.
Wij naar Huis ten Bosch. Wij waren, misschien door de zenuwen, veel te vroeg, uit gevoel voor punctualiteit. We stoppen bij het paleis, uit het niets komen vier mannen die de vier portieren van mijn auto openen. Wij gaan naar boven. Een intendant zei heel beleefd dat wij een beetje vroeg waren en of we daarom wellicht belangstelling hadden om de tafelschikking te zien.”

Beatrix zei: ‘Denkt u dat hij mij geloofd had, een vrouw van middelbare leeftijd in een hele eenvoudige jurk, op sandalen?’

“Wij hadden een lunch met 50 gasten verwacht maar we waren met zijn achten. De koningin, prins Claus, een dame van het hof, de Nederlandse ambassadeur in Denemarken, de ambassadeur van Portugal in de Den Haag, en iemand die iets met wijn deed. Ik zat links van de koningin, de ambassadeur rechts. Arthur, dit is leuk voor voor jou omdat je in de Algarve woont. De koningin was net terug van vakantie in de Algarve. Ze liep op straat, alleen, struikelde en viel. Mensen hielpen haar op de been, en een politieman nam haar mee naar het ziekenhuis in Faro. Hij droeg haar in zijn armen naar de eerste verdieping.”

De Portugese ambassadeur: “Maar majesteit, u had toch moeten zeggen dat u de koningin van Nederland bent!” Beatrix zei: “Denkt u dat hij mij geloofd had, een vrouw van middelbare leeftijd in een hele eenvoudige jurk, op sandalen?”

Ik had nog een discussie over de Nederlandse lidwoorden, ik had daar net zoveel moeite mee als Claus. Hij zei: “Weet u wat een goeie truc is? Alle woorden gewoon verkleinen.”

Loekie: “José was erg grappig tegen de koningin, vertelde veel anekdotes.”

José: “Ze vond mij grappig, Beatrix. We hadden het leuk. Zie je nou wel dat je helemaal niet bang voor mij hoeft te zijn, Arturinho.”

Voor de liefhebbers: de Nederlandstalige website van José Rentes de Carvalho en zijn blog.