Spring naar de content

NRC-columnist: grappen over Jezus zijn geestig. Grappen over Mohammed zijn gewoon nooit leuk.

Ik ben een heel mild, vredelievend en tolerant persoon maar ze moeten niet aan mijn dierbare kunstbroeder Özcan Akyol alias Eus komen. Dan word ik giftig als Gordon zonder coke in een Zuid-Afrikaanse afkickkliniek. 

Gepubliceerd op:
Geschreven door: Arthur van Amerongen

Eus en ik kennen elkander al ruim tien jaar en hij schreef het voorwoord van mijn nieuwe bestseller en pageturner Op reis door de Algarve met Arthur van Amerongen. 

In zijn Algemeen Dagblad-column van afgelopen dinsdag, ging Özcan geheel terecht in op de rellette rond Allah’s afbakbar op de Zwarte Cross.

Overigens kwam ik vroeger in een verbijsterend groot aantal kroegen in Mokum heel vaak de geweldige acteur Gerard Thoolen (google die maar eens, jongelui) tegen, al dan niet in een jurk en op naaldhakken.

Als hij dan dronken werd, brulde hij heel hard: Allah Hakkenbar!

Er was verder geen context – off topic zeg je nu – maar wij kroegtijgers moesten er onbedaarlijk hard van schuddebuiken.

Als Gerard dan ook nog eens geil als boter werd, schreeuwde hij: “Ik wil NU een klein Chineesje neuken!”

Nou, dan werd de tent afgebroken hoor, jongelui, en gingen we vervolgens polonaisegewijs de straat op.

Opa schudt deze waargebeurde anekdotes niet zomaar uit zijn ouwe versleten uitgewoonde doos hoor. Het is ter lering ende vermaeck en ik wil hier mee aangeven dat je vroeger nog grapjes mocht maken over mohammedanen en personen van kleur (valt geel daar eigenlijk onder?). 

Gerard Thoolen deugde enorm, zoals iedereen van het roemruchte Werktheater. Mijn goede vriend Kenneth Herdigein zal dit gretig bevestigen.

Er is natuurlijk al heel veel geschreven over de Hakkenbar op de Zwarte Cross maar ik offer mijzelf dan maar weer eens op als het zegel der columnisten.

Bon. Eus schreef onder andere dit:

“Dit incident toont vooral aan dat er kennelijk helemaal géén grapjes meer mogen gemaakt over de islam en andere nieuwkomers. De kleine pikkies en lange tenen vechten om voorrang, op het moment dat ze iets van vermeende ongelijkheid signaleren. Maar ze lieten juist op een andere manier zien dat er ongelijkheid is: als er zulke bakken over jezus worden gemaakt, is er geen haan die ernaar kraait. Ook met een onschuldig gebbetje over joden kom je makkelijker weg. Maar o wee als iemand met een kwinkslag, zonder racistisch motief, iets over etnische minderheden zegt, dan zijn de rapen gaar.”

Hear hear!

Fatsoenlijke mensen zoals Eus en ik weten dat in Nederland de humor gegijzeld is door een bont collectief van staatsruiveniers, feministen, antifa’s, muzelmannen en biefstuksocialisten. Een collectief dat ik geen humorpolitie maar humorgestapo noem want bij politie denk ik aan veldwachter ‘wat staan wij hier te lachen, Swiebertje?’ Bromsnor.

Ik ben eens gaan grasduinen in mijn humorarchief en sloeg steil achterover van de racistische lolbroekerij (onder een progressieve dekmantel) van de jaren zestig en zeventig: Koot & Bie met meneer Pamuk, Gerard Cox die de draak steekt met Surinamers, Ton van Duinhoven met zijn poepchinezen en natuurlijk Aggesus van Alexander Curly. Goeie humor was dus altijd rechts, maar gestoken in een links jasje: leedvermaak over huidskleur, religie, etniciteit, spraakafwijkingen en andere lichamelijke gebreken zoals bochel, waterhoofd, klompvoet, open rug en hazenlip.

In Nederland vormen moslims de ruggengraat en de stoottroepen van de humorgestapo. Iedereen is doodsbang om grappen te maken over de islam omdat die gehonoreerd worden met lijfelijk geweld. Islamofascisten en antifa’s zijn allergisch voor humor. Een mopje over Allah’s Afbakbar of de Hakkenbar is gevaarlijker dan Alexandria Ocasio-Cortez als president van de Verenigde Staten van Amerika. Boeddhisten reageren heel anders. Als je een grapje over hun Goddelijke Dikke maakt, steekt een bedelmonnik zichzelf in de fik.

Boeddhisten reageren heel anders. Als je een grapje over hun Goddelijke Dikke maakt, steekt een bedelmonnik zichzelf in de fik.

Ik was het dus roerend eens met Eus, zoals ieder fatsoenlijk mens het met hem eens zou moeten zijn. Maar wie schetst mijn verbijstering toen ik gisteren in het NRC Handelsblad de column van Maarten Boudry las!

Maarten zit in mijn rolodex onder de V van Vlaamse islamknuffelaars en ik volg hem al jaren op de voet. Leest en huivert!

Neem Özcan Akyol, de columnist van het Algemeen Dagblad. Die heeft op het eerste gezicht een wat bruinere huidskleur, maar in zijn column van dinsdag bestempelde hij de activisten die de Zwarte Cross aanvielen als ‘humorloze engerds’, gewoon omdat zij zich om slachtoffers van racisme ontfermen. Akyol heult dus met witte supremacisten en islamofoben, wat betekent dat hij een huisallochtoon is, een identitaire bounty: bruin van buiten, wit van binnen. Een beetje zoals Martijn de Koning, maar dan andersom. En dat racismebestrijders ‘humorloos’ zijn, mag geen verwijt heten. Al te vaak is humor een witte dekmantel om kwetsbare groepen te stigmatiseren, uit te sluiten en zwart te maken. Als witte mensen de strijd tegen racisme willen steunen, kunnen ze (behalve hun privileges en witte schuld erkennen) humor beter afzweren. Strikt gezien is het niet ondenkbaar dat sommige grappen geen enkele minderheid kwetsen, maar het is op voorhand onmogelijk te voorspellen welke onherstelbare emotionele en psychische kwetsuren je zal toebrengen, ongeacht je zogenaamde ‘bedoelingen’. Beter is het om humor veiligheidshalve volledig te mijden. En ‘satire’, dat geniepige sluipgif van witte onderdrukkers, al helemaal.

Het wemelt in de media van de useful idiots die met hand en tand een ideologie waar ze geen biet van snappen verdedigen. Stalin was dolblij met nuttige dwazen als H.G. Wells, Doris Lessing en George Bernard Shaw.  In Nederland en Belgikistan vecht een roedel islamknuffelaars voor de onvoorwaardelijke acceptatie van de salafistische islam als zuil in een volledig ontzuilde samenleving. 

Fellowtravellers als David Van Reybrouck, Tom Lanoye, Diyab Abou Jahjah, Sunny Bergman, Francisco van Jole, Anja Meulenbelt, het politbureau van GroenLinks, Bassie & Adriaan, Sylvana Simons, Dood aan Zwarte Piet-beweging en nu dus ook NRC-coryfee Maarten Boudry. Het gekakel der islamknuffelaars is voor mij een permanente bron van inspiratie & vermaak en daarom slingerde ik deze twiet cyberspace in.

Het draadje er onder is hilarisch want vrijwel alle reaguurders stonken er in. Het Twitterriool barstte open, en dat bij een temperatuur van tegen de veertig graden. Het stuk van Maarten, een van de weinige vrije geesten in België en een gekend islam-criticus, was namelijk ironisch bedoeld. Ik moest met deze column dus over Maarten heen.

Bij deze.

P.s. naar aanleiding van mijn column waarschuwt het NRC nu in de aanhef van Boudry’s stuk met “satire”