Literatuur is meer dan moralisme

De roman als zuivere kunstvorm zou zijn beste tijd hebben gehad. Is een roman geëngageerd, daar moet het nu om gaan. Schrijvers Bas Heijne, Christiaan Weijts en Marjolijn Februari vinden dat veel te boud gesteld. ‘Uiteindelijk gaat het om ontroering en herkenning als je een boek leest.’ door Hans Hoenjet, foto’s Anaïs López

Verkeert de literatuur in crisis? Thomas Vaessens, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, publiceerde onlangs De revanche van de roman, waarin hij beweert dat ‘de roman als zuivere kunstvorm’ zijn beste tijd heeft gehad. Volgens hem kalfde eind jaren zestig het gezag van de humanistische kritiek af, veranderden schrijvers in celebrities en verwerd de literatuur tot louter vormenspel.

De democratisering van de cultuur en de opkomst van het postmodernisme luidden het definitieve einde in van de roman als vehikel van universele waarheden. In de jaren negentig koketteerden schrijvers met cynisme en ironische distantie. Het was de tijd van anything goes. Maar sinds 11/9 en de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh zouden laat-postmoderne auteurs als Arnon Grunberg, Joost Zwagerman en Marjolijn Februari de ironie voorbij zijn. Met hun romans, maar ook via columns en essays zoeken ze weer het publieke debat.

Vaessens (1967) roept critici op dit nieuwe engagement serieus te nemen. Niet de vraag hoe een boek is geschreven, maar waarover het gaat, zou gesteld moeten worden. Dit pleidooi maakte de tongen los, zowel in de academische als in de literaire wereld. Ook meenden sommigen dat Vaessens zijn functie als voorzitter van de Libris-jury misbruikte om romans met meer straatrumoer voor de shortlist te nomineren.

Voldoende aanleiding om drie spraakmakende schrijvers in Hotel Ambassade uit te nodigen en met hen van gedachten te wisselen over dit thema. We verwelkomen Bas Heijne (1960), essayist en columnist van NRC Handelsblad. Ook Christiaan Weijts (1976) schuift aan, als veelbelovend representant van de jonge lichting schrijvers, wiens nieuwe roman Via Cappello 23 onlangs werd genomineerd voor de Gouden Uil. De derde gast is Marjolijn Februari (1963), die als Volkskrant-columniste, schrijfster, juriste, kunsthistorica en filosofe bekendheid geniet. Haar roman De literaire kring (2008) werd door Thomas Vaessens bejubeld als een schoolvoorbeeld van laat-postmodernistisch engagement.


Hoe is het pleidooi van hoogleraar Thomas Vaessens jullie bevallen?

Christiaan Weijts: “Vaessens is een wetenschapper die zich niet meer beperkt tot het descriptieve, maar opeens normatief wordt. Moeten we ons daar druk om maken?”

Bas Heijne: “Jawel, want de grondtoon van het boek is dat hij pleit voor literatuur die er weer toe doet. Hij stelt een aantal goede vragen en geeft een aantal foute antwoorden. Zijn betoog past in een breder betoog van een zekere opstandigheid tegenover het establishment, de elite, maar van die humanistische traditie maakt hij een enorm sjabloon. Zo van de criticus die aan zijn pijp lurkt en nog eens door zijn bril tuurt naar een boek.”

Marjolijn Februari: “Als dit soort theoretische noties ten grondslag zouden liggen aan een roman, dan zou je geen romanschrijver zijn maar literatuurwetenschapper. Thomas Vaessens heeft bijvoorbeeld mijn roman De literaire kring heel verstandig en poëticaal gelezen, maar als hij hem probeert te plaatsen in een groot sociologisch verhaal, dan gaat het verschrikkelijk mis.”

Wat vinden jullie van zijn analyse en zijn oplossing voor de crisis in de literatuur?

Heijne: “Tijdens het postmodernisme was volgens Vaessens het adagium anything goes: er zijn zo veel waarheden dat het allemaal niet uitmaakt. Ook dat is een clichébeeld. Als oplossing ziet hij dan schrijvers die zich meer met de maatschappij gaan bezighouden. Dat vult hij te simplistisch in.”

Februari: “Vaessens ziet mij als pionier van het postmodernisme, maar ik heb mij helemaal nooit kunnen vinden in dat anything goes. De ontwikkeling die ik heb doorgemaakt, is zo anders te duiden. De morele interesse is er altijd al geweest.”


Weijts: “Het is toch niet zo dat schrijvers denken: ‘O, Thomas Vaessens zegt dat het anders moet, dan ga ik maar an-ders schrijven, anders wordt mijn boek niet voor de Libris-prijs genomineerd, of pas ik niet in zo’n mooi universitair-isme.'”

Volgens Vaessens hebben schrijvers en romans aan belang ingeboet sinds de democratisering van de cultuur en de toegenomen invloed van de massamedia.

Heijne: “Dit zijn niet de puinhopen van Paars, maar van de literatuur. Hij exploreert een reëel probleem, namelijk dat er iets is in die literaire wereld dat maar niet beseft dat de samenleving anders naar literatuur is gaan kijken. Met zijn oplossing ‘het gaat er enkel om wat je te zeggen hebt’, ben ik het helemaal niet eens. Hij gooit wel een knuppel in het hoenderhok, want vroeger trokken mensen aan de universiteit al wit weg als een roman zweemde naar sociaal-realisme of realisme. Die sfeer van benauwdheid vond ik vaak deprimerend.”

Februari: “Ik hoor niet zo tot de wereld van de literatuur, dus ik heb me niet zo laten deprimeren als Bas Heijne. Het grootste nadeel van Vaessens boek is dat interviewers met mij over niets anders meer willen praten dan over de morele inzet van mijn werk.”

Weijts: “Vijfentwintig jaar geleden riep Ton Anbeek al op tot meer straatrumoer. Dat is vergelijkbaar met deze discussie. Je zou willen dat een literatuurwetenschapper wat meer begrip heeft voor de traditie van de roman als kunstvorm. Nu wordt een roman gereduceerd tot alleen wat die teweegbrengt bij lezers. Volgens Vaessens’ theorie zijn ook de partijprogramma’s van Groen Links of de PVV fantastische literatuur. Die doen precies wat hij wil: stelling nemen, iets betogen zonder dat stijl ertoe doet.”


Welke blinde vlek heeft hij dan volgens jullie?

Heijne: “In NRC Handelsblad beweerde ik dat hij het kind met het badwater weggooit. Hij ontkent het wezen van de roman en denkt de literatuur weer populair te maken door haar geen literatuur meer te laten zijn.”

Februari: “Zijn analyses van literaire invloeden kloppen niet met de werkelijkheid. Hij heeft heel sterk de neiging om vanuit de Nederlandse literatuur te denken, terwijl je ook wordt beïnvloed door de wereldliteratuur en heel andere dingen.”

Weijts: ” Door het puur moralistisch te bekijken doet hij eigenlijk iets heel geks, want in een roman is de moraal nu juist tijdelijk uitgeschakeld. Een roman is een onderzoek naar menselijke situaties. Als je schrijft met het zoeklicht van een moraal, zul je nooit iets onverwachts of nieuws vinden. Zijn blinde vlek bedekt precies het wezenlijke van literatuur.”

Was 11/9 een scharnierpunt? Namen sommige schrijvers toen afstand van het ironisch postmodernisme en vonden ze dat ze weer voor bepaalde waarheden moesten gaan staan?

Februari: “Het postmodernisme heeft erop gewezen dat het heel moeilijk is om dingen op papier te krijgen, dat er altijd iets wringt tussen de greep die je krijgt op de werkelijkheid en de werkelijkheid zoals die in feite is. Er lijkt me niet zoveel mis mee om daar eens een tijdje mee te stoeien. Dan kun je denken: we zijn er nu achter hoe dat werkt en laten we nou eens kijken, zoals Joris Luyendijk, hoe we dat kunnen toepassen op oorlogsverslaggeving. Daar zit helemaal geen ommezwaai in, dat is gewoon een doorgaan van één en dezelfde beweging.”

Weijts: “Dat is die beweging van de geschiedenis van de roman zelf. Dat is wat dat kunstwerk zelf dus doet en dat staat in een traditie van werken die dat al gedaan hebben. Alles wat je als schrijver gelezen hebt, inclusief postmoderne romanspelletjes, resoneert mee op het moment dat je zelf de roman een stapje verder gaat tillen. Na 11/9 is misschien het soort onderwerp veranderd, maar de roman zelf volgt een evolutie die onafhankelijk is van historische data.”


Heijne: “Iedereen weet dat werkelijkheid heel moeilijk te grijpen is, maar dat het gaat om iets reëels, dat spreekt voor mij voor zich. Als ik iemand een klap geeft, dan kan de werkelijkheid misschien niet bestaan, maar hij komt wel aan. De aanslagen van 11 september 2001 zijn toch wel een scharnierpunt geweest. De klap van 11/9 heeft die vrijblijvendheid wel opgeschort. De relatie tussen fictie en werkelijkheid is nu echt wel een andere dan in voorbijgaande jaren.”

Vaessens zegt dat critici te veel vormkritiek bedrijven en bereid zouden moeten zijn om romans ook serieus te nemen als bijdragen van schrijvers aan debatten over de wereld van vandaag.

Weijts: “Toen Madame Bovary verscheen was er ook een criticus, Sainte-Beuve, die zei: ‘Het vreselijke aan dit boek is dat er nergens hoop is en dat het boek nergens het goede laat zien als voorbeeld.’ Thomas Vaessens gaat weer helemaal terug naar die trant van de kritiek. Ik geloof niet dat dat zo’n vooruitgang is.”

Februari: “En ik kwam net een artikel tegen waarin stond dat T.S. Eliot indertijd Animal Farm van Orwell had afgewezen om politieke redenen.”

Heijne: “Er is altijd een neiging geweest in de wereld van de neerlandistiek om engagement uit den boze te vinden. Realisme, dat was vloeken in de kerk. Daardoor kun je een soort rare kramp krijgen, en daar reageert Vaessens op.”

Zouden schrijvers niet interessanter en belangrijker worden door zich meer te mengen in het publieke debat?

Weijts: “Ik denk dat we niet aan de literatuur moeten vragen om iets te doen, maar aan het onderwijs, zodat mensen beter leren begrijpen wat een roman is. Ze moeten beter leren lezen op de middelbare school en leren wat een roman is. Nu lezen alleen vrouwen van boven de vijftig literatuur. Betrokkenheid van een auteur wil niet onmiddellijk zeggen dat hij zich met Irak of andere actualiteiten bezighoudt. Vaessens vindt Doeschka Meijsings roman Over de liefde in zichzelf gekeerde mooischrijverij, maar je kunt natuurlijk prima over de liefde schrijven en daarmee extreem geëngageerd zijn, intens betrokken bij de menselijke natuur. Vaessens’ definitie van engagement is veel te nauw.”


Heijne: “Nu de boekenbijlagen verschralen, is het heel makkelijk om te zeggen: ‘Waarom moest dat ook alweer, al die aandacht voor boeken?’ Als die vraag ons gesteld wordt, zijn er mensen nodig die kunnen uitleggen wat een roman is en wat hem uniek maakt.”

Weijts: “Dat is alleen niet zo’n makkelijk verhaal. Dat kun je niet in vier minuutjes bij De Wereld Draait Door uitleggen.”

Moeten we pessimistisch zijn over de huidige impact van literatuur?

Februari: “Van het werk van Virginia Woolf werden tijdens haar leven niet meer dan enkele duizenden exemplaren verkocht. Op dit moment heeft de literatuur een veel groter bereik. Als je door Nederland reist en je ziet wat er in al die literaire clubs, kringen, dorpen en steden gebeurt! Het zijn wel vooral vrouwen van boven de vijftig die veel lezen, en helaas heeft Christiaan Weijts niet zo heel veel behoefte om die als lezer te hebben, want hij vindt lezers alleen maar interessant zijn als hij met ze naar bed kan.”

Weijts: “Een heel goede reden om een boek te schrijven!”

Februari: “Er wordt veel te veel naar schrijvers gekeken en veel te weinig naar lezers. Hoe het met schrijvers gaat, moet niet je grootste zorg zijn. Maar wel wat lezers met literatuur doen en wat ze ervan vinden en hoe ze dat meenemen in hun werk en opvoeding.”

Heijne: “Ik ben het met je eens. Ik denk dat die literaire cultuur die Vaessens in het begin beschrijft op het gebied is gekomen van de massacultuur, dus dat betekent dat Oprah Winfrey een miljoen exemplaren van Anna Karenina kan laten verkopen. Cultuurpessimisten zeggen dan: ‘Ja, maar mensen lezen dat boek niet.’ Dat valt nog te bezien. Niet de zogenaamde hoge cultuur verdwijnt, maar die komt veel meer in het speelveld terecht waarin televisieoptredens en krantenrecensies er minder toe doen. Via internetfora en blogs bijvoorbeeld geven mensen elkaar makkelijker dingen door. Het hele speelveld is veranderd en dat veroorzaakt een nieuwe dynamiek, maar dat betekent niet dat de roman niet meer zou leven.”


Welke rol kan de literaire kritiek – die ontegenzeglijk aan status heeft verloren – nog hebben?

Weijts: “Er moeten autoriteiten zijn die het kaf van het koren scheiden. Als je het puur aan de markt overlaat, is het nog maar de vraag hoe een serieus boek zich staande houdt in die enorme zee van populaire boeken die zich vermommen als literatuur.”

Heijne: “Ik denk dat de criticus nog steeds heel belangrijk kan zijn. Zijn sociale status is weliswaar afgenomen, maar dat wil nog niet zeggen: datgene waar hij zich mee bezighoudt, is onzin geworden. De kritiek moet je niet alleen beschrijven in termen van status, smaak en poortwachters. Ik ben als criticus niet meer de centrale figuur, maar de essentie van kritiek is dat je je engageert met een kunstwerk, dat blijft voor mij hetzelfde. Alleen niet meer in die oude context. Vaessens denkt: als die context voorbij is, wordt ook het wezen overbodig.”

Moeten schrijvers in de toekomst romans met standpunten de wereld in sturen, ‘boeken die ergens over gaan en ertoe doen’, zoals Thomas Vaessens ze noemt?

Heijne: “Een echte roman over Mohammed Atta (een van de 11/9-kapers – red.) gaat juist helemaal geen standpunt innemen tegen het fundamentalisme of het terrorisme. Het is ook moeilijk om een goeie roman te schrijven over 11/9. Je probeert je juist te onttrekken aan de slagzinnen en een wereld zichtbaar te maken die je nog niet in de kranten hebt gezien.”

Februari: “Het is ook zo dat de belangstelling van lezers veranderd is. Er wordt meer gegrepen naar boeken die ergens over gaan. Dan zou je kunnen zeggen: de lezers hebben een omslag gemaakt, maar dat is ook veel diffuser.”


Weijts: “Je gaat toch niet werken vanuit een totaal ander idee van wat literatuur is! Een roman met eenduidige standpunten is geen roman, maar een kookboek.”

Is de roep om engagement niet van alle tijden?

Heijne: “De afgelopen twintig jaar zijn er honderdduizenden avondjes georganiseerd over dat het engagement weer terug moest. Dat was er maar niet. Het was een vrij windstille tijd. Het ging niet over engagement met iets, maar over het engagement met het engagement.”

Februari: “In kringen rond Picasso kwam ooit ook het idee op om geën- gageerd te worden. Ze moesten allemaal de straat op om activistisch te worden. Miró had zijn taak niet vervuld en toen zeiden ze: ‘Je moet ook iets gaan doen.’ Die is toen gaan rondlopen met een bord waarop stond: Weg met de Middelland- se Zee. Als er niks is om je betrokken bij te voelen, dan kun je je moeilijk ergens mee engageren.”

Heijne: “Toen elf jaar geleden de Gay Games werden georganiseerd, zei ik: ‘Ik vind het wel best, maar het is allemaal folklore.’ Toen zeiden ze tegen me: ‘Maar denk dan aan de homo’s in Kenia!’ Ik zei: ‘Dan moet je niet gaan speerwerpen in de Arena, dan moet je naar Kenia gaan.'”

Dus jullie vinden engagement niet het juiste middel om het contact met de achterban van de literatuur te herstellen?

Februari: “Het meest heikele punt is dat je met dat engagement als schrijver maar steeds beroemder wordt en alom wordt toegejuicht, maar je kunt je afvragen wat het oplevert. Het gevaar is dat engagement een modeartikel wordt. Het wordt een stroming, en de schrijver haakt aan.”

Weijts: “En over zoveel jaar krijg je dan mensen die weer opkomen voor de mooischrijverij.”


Heijne: “Echt engagement, als je een klap voor je kop krijgt van een boek, als het je aan het denken zet, dat zal er nog steeds zijn. Maar je moet niet terugschrikken voor woorden als ontroering en herkenning. Dat mogen allemaal verdachte begrippen zijn, maar uiteindelijk gaat het daar nog wel om als je een boek leest.”

Vrezen jullie dat een roman wordt gereduceerd tot een politiek statement als je de inhoud centraal gaat stellen?

Weijts: “Ik las laatst in Humo dat mijn boek Via Cappello 23 helemaal geplaatst werd in het kader van kritiek op de journalistiek, keiharde mediakritiek. Ik zou ontmaskeren hoe vilein en vunzig de media te werk gaan. Er wordt gezegd dat ik de intentie heb om iets aan de kaak te stellen. Ik stel niks aan de kaak, ik onderzoek iets.”

Februari: “Er zijn natuurlijk ook boe-ken waarbij de onenigheid groot is tussen de lezers en schrijver. Houellebecq is daar een voorbeeld van. De lezers lezen hem heel moralistisch, terwijl Houellebecq zegt: ‘Zo is het helemaal niet bedoeld, het is realisme.'”

Weijts: “Lezers zijn er kennelijk aan gewend geraakt alles te interpreteren in termen van stellingen, doelgerichtheid, toepasbaarheid. Op school krijgen ze al de vraag: wat wil de schrijver hiermee zeggen? Het avontuur van het lezen, waarbij het gaat om vragen in plaats van antwoorden, wordt daarmee al vroeg in de kiem gesmoord.”

Waartoe leidt Vaessens’ oproep om meer ethiek en moraal in de romankunst dan?

Februari: “Met de oproep om ernst is niets mis. Maar als je te duidelijke boodschappen gaat krijgen, wordt kunst hopelijk vanzelf weer ongrijpbaarder.”


Heijne: “Ja, je moet juist de complexiteit benadrukken in een wereld die geen tijd meer heeft voor complexiteit. Leon de Winter gaat nu een roman schrijven over een moslimjongere die een school gaat gijzelen om Mohammed B. vrij te krijgen. Je kunt een heel eenduidig goed-en-kwaadsprookje krijgen of juist een heel ambivalente, dostojevskiaanse roman. Dat kan beide kanten opgaan. Ik vrees het ene en hoop het andere.”

Weijts: “Eenduidigheid doet de rijkdom van de roman tekort. Sterker nog: de roman is altijd een genre geweest dat menselijke dilemma’s van meerdere kanten tegelijk belicht. Als je Misdaad en straf leest als een moreel lesje dat Dostojevski wilde leren, dan ontgaat je het meest wezenlijke en spannende van dat boek. Als het Dostojevski om een morele stellingname zou gaan, dan had hij wel een pamflet geschreven.”

Wat is volgens jullie de oplossing voor de gesignaleerde crisis van de literatuur?

Heijne: “Als je teruggaat naar de hamvraag: hoe kun je bereiken dat de bakker of de slager weer gaat praten over literatuur als iets wat ertoe doet, zoals over een goeie film, dan zou mijn antwoord zijn: dat er over literatuur gepraat wordt op een manier die van persoonlijke betrokkenheid getuigt. Dan moeten we persoonlijk praten over literatuur. Het moet dan gaan om de vraag: wat doet het met mij? Ik sta aan de kant van Oprah Winfrey, al schuwt zij het cliché niet en is ze evangelisch.”

Weijts: “Daar ben ik het mee eens. De beste recensies die ik over mijn werk lees, zijn ook altijd recensies waarin iemand zegt wat het boek met hem gedaan heeft. Ook als ze nijdig betogen dat ze zich hebben geërgerd aan de hoofdpersoon, ben ik dik tevreden.”


Februari: “Volgens mij zijn romans zo van belang omdat ze de innerlijke democratie versterken. Gewoonlijk loop je rond met een stem in je hoofd, je eigen stem. Door romans te lezen voeg je de stemmen en standpunten van schrijvers daaraan toe, en dat is goed voor je democratisch bewustzijn. Misschien hebben mensen in toonaangevende kringen op dit moment in de geschiedenis weinig openlijke behoefte aan de tegenspraak van de literatuur. Als dat al een crisis is, dan toch eerder een politieke crisis dan een crisis van de literatuur.”

import letteren