Kerstverhalenwedstrijd: 8e plaats

 Kon ik mij vannacht in Tivoli nog laten verdoven door de hypnotiserende jungle van Ed Rush & Optical, toen ik vanmorgen opstond moest ik de waarheid toch echt onder ogen zien: de bomen zijn kaal, de chocoladeletters zijn op, het is 6 december en alles wordt alleen nog maar minder. Naar buiten dan maar, het was tenslotte een soort van mooi weer en de zon, de zon, nou ja, de zon. Een fijne wandeling langs het Merwede-kanaal, daar knapt een mens van op!

 De herfststorm van de vorige middag had nogal wat sporen achtergelaten: afgebroken takken van een flink formaat lagen her en der op de stoep. Toch was het een uitstekend idee geweest om te gaan wandelen, merkte ik gaandeweg. De dwarrelende, veelkleurige bladeren waren leuker om naar te kijken dan de vliegende broodroosters-screensaver van mijn computer en bij elke stap voelde ik me beter, zeg maar gerust: gezonder.

 Aangezien de benen het voertuig zijn van de geest, raakte ik al gauw in een contemplatieve stemming van taalkundige aard. ‘Herfststorm’, dat is toch wel een bijzonder fraai woord, dacht ik, terwijl ik de ene voet continu voor de andere bleef zetten, want dat is wat wandelen is. Vooral dat middelste stuk: r-f-s-t-s-t, zes medeklinkers na elkaar. Er bestaat toch ook een woord met acht medeklinkers na elkaar? Welk woord is dat ook alweer?

 Terwijl ik mijn hersenen pijnigde over deze vraag, zag ik even verderop een Sint en twee Pieten op de stoep lopen. Snel dook ik een zijstraat in, zoals ik meestal doe wanneer ik mensen op straat tegenkom. Niet altijd even efficiënt, deze manier van voortbewegen – zo heb ik er vorige week zaterdag vier uur over gedaan om de bakker te bereiken, terwijl deze zich toch op slechts driehonderd meter van mijn huis bevindt. (Over wat er gebeurde toen de bakker aan mij vroeg: ‘Mooi weer vandaag, vindt u niet?’ en ik niet op het juiste antwoord kon komen, vertel ik weer een andere keer.)

 Ik was nog geen vijf meter de zijstraat in gelopen, toen ik glasgerinkel uit de buurt van de grote kindervriend hoorde komen. Ik bleef even staan. Over mijn linkerschouder kijkend zag ik hoe de ene Piet vakkundig een autoruitje intikte, waarna de andere Piet snel de radio uit de auto trok en het ding in zijn jutezak liet verdwijnen. Als hij straks maar oppast wanneer hij gaat strooien in een klas met kleine kinderen, dacht ik in al mijn naïviteit – een pepernoot of een Pioneer tegen je hoofd, dat scheelt nogal wat.

 Het viel me op dat Sinterklaas lichtelijk paranoïde om zich heen keek, hetgeen mij nogal vreemd voorkwam, want waarom zou je paranoïde zijn als je over een groot boek beschikt waarin alles over iedereen staat? Gelukkig voor hem was het echter nog rustig op straat en voor mij hoefde hij ook al niet bang te zijn: ik liep gewoon door, alsof er niets aan de hand was. Maar er was wél wat aan de hand: na Martin Brozius (aan de drank) en Barbapapa (aan de lsd) was er zojuist weer een jeugdheld van mij van zijn sokkel gelazerd, en het was nog niet eens middag! Wat zou de rest van de dag mij allemaal nog voor ellende gaan brengen?

 Daar kwam ik snel genoeg achter. Blijkbaar had de Sint net even zijn grote boek opengeslagen en onder het lemma ‘Robert van Eijden’ gelezen dat ik op 6 december getuige was van een kleine criminele actie zijnerzijds, want samen met de twee Pieten kwam hij op mij af gerend, hierbij archaïsche kreten slakend als ‘Hela, jonge vriend!’ en ‘Maak jij eens even pas op de plaats!’

 Ik begon ook te rennen, maar tegen de Pieten had ik geen schijn van kans: dit waren niet van die nichterige, baretdragende, Take That-luisterende gedichtenpieten, nee, dit waren van die dreadlockgoudentandenpieten – de enige gedichten die ze kenden waren de teksten van het eerste album van de Wu–Tang Clan, zo schatte ik al hardlopend in. De ene Piet leek op Mike Tyson en de andere op Ben Johnson en hun sportieve prestaties waren navenant: binnen een seconde of zeven waren ze mij op enkele passen genaderd – ik kon hun gehijg al horen. Hoe zou dit aflopen?

 Ach, daar had je het al: ik struikelde over mijn eigen benen en viel languit op de stoep. De Pieten stopten en bogen zich dreigend over mij heen. Hun adem rook naar marsepein van vorig jaar, met een subtiele hint van cadeaupapier. Sinterklaas lag nog wat achterop maar naderde ook snel. Even gebeurde er helemaal niets: ik lag doodstil op de grond en de Pieten wachtten tot Sinterklaas ons had bijgehaald.

 Toen de Sint zich bij ons had gevoegd, haalde de Piet die op Ben Johnson leek een groot cadeau uit zijn zak.

‘Hahaha!’ lachte ik, als een schorre kameel, ‘jullie wilden mij alleen maar een cadeautje geven! Had dat dan meteen gezegd!’

 Maar ik had het bij het verkeerde eind. De Piet die op Mike Tyson leek maakte wat boksbewegingen in de lucht, scheurde het Bart Smit-papier van het cadeau, opende de doos en haalde er een kettingzaag uit. Ik hoopte maar dat – zoals meestal bij cadeaus van Bart Smit – de batterijen niet zouden zijn meegeleverd, maar helaas: na slechts één ruk van de Piet aan het touwtje begon het apparaat te ratelen als een dolle. Met een sadistische grijns bracht hij het werktuig tot vlak bij mijn keel.

 Van mijn contemplatieve stemming van taalkundige aard was inmiddels weinig meer over: het zweet brak mij aan bijna alle kanten uit, ik zag alle sinterklaasfeesten uit mijn leven in een paar seconden aan mijn geestesoog voorbijtrekken, inclusief die ene op de lagere school toen ik mijzelf per ongeluk had opgesloten op de wc en pas bevrijd werd toen het feest al twee uur voorbij was, mijn keel zat dicht en ondanks het oorverdovende lawaai (helaas had ik net als afgelopen nacht in Tivoli mijn oordopjes niet bij me, maar ach, wat maakte dat nu nog uit), ondanks het oorverdovende lawaai dus, hoorde ik Sinterklaas uiterst beheerst zeggen: ‘Doe het.’

 Eén voordeel: ineens wist ik wat nu ook alweer dat woord met acht medeklinkers achter elkaar was. Angstschreeuw.

Robert van Eijden