Keith de verlosser

Popmuziek heeft de wereld veranderd, en dat begon in het truttige Engeland.

Om er eens helemaal uit te zijn, las ik tijdens de kerstdagen Life, het levensverhaal van Keith Richards, de rauwste van de Rolling Stones. Ik had het boek cadeau gekregen van mijn zwager, een vroege zestiger die er al in 1964 in Scheveningen bij was toen het deftige Kurhaus na een paar nummers van de Stones aan stukken ging. Sommige mensen vallen altijd met hun neus in de boter. Het concert was vanaf de eerste opzwepende tonen een pandemonium en moest na een kwartier op last van de politie worden beëindigd. Niet dat Keith er iets over vertelt. Zijn leven zit zo vol legendarische gebeurtenissen dat die avond in het Kurhaus erbij inschoot. Maar volgens Willem van Kooten, die onder het pseudoniem Joost den Draaijer een van de eerste Nederlandse diskjockeys was, is Nederland sindsdien niet hetzelfde meer. Het was ‘het afscheid van de grote braafheid’.

Ik was toen zeven jaar oud en wist van niks. Maar de topveertig, waarin de Stones een vertrouwde verschijning waren, drong snel in mijn leven binnen. Ik kende de hitparade uit mijn hoofd, maar toen ik in de jaren zeventig zelf platen ging kopen, waren die van de Stones er niet bij. Waarom weet ik niet helemaal. Vriendjes luisterden er niet naar, ze vonden de Stones te commercieel. Ik verkeerde in kringen waarin Frank Zappa en andere makers van ‘progressieve pop’ erg werden gewaardeerd. De Stones golden als mainstream en dat wilde je niet zijn. Een ernstig misverstand, dat later meer dan goed is gemaakt. In de jaren tachtig ben ik definitief ‘om’ gegaan en sindsdien drijf ik mee met de massa. Er kan nu nog weinig discussie over bestaan dat de Stones de grootste rockband aller tijden zijn en een standaard voor deze muziek hebben gevestigd. Hun beste album is Exile on Main St., in 1972 in de Zuid-Franse villa van Keith opgenomen, toen de Stones op de vlucht waren voor de hoge Britse belastingen.


Dat laatste feit klinkt misschien burgerlijk, maar burgerlijk is wel het laatste dat de Stones zijn. Dat een rockband een halve eeuw bestaat, tart alle natuurwetten, en het leven van Keith doet daar met al zijn drugsverslavingen nog een schepje heroïne bovenop. Voor de fans zal zijn autobiografie weinig nieuws bevatten, maar ik raakte al lezend steeds meer geïmponeerd. Wat deze mannen hebben gepresteerd, kan alleen als je door de goden bent gekust. Niet dat het genieën zijn; Richards beweert dat ook niet. De rockster beschikt over een prettig soort zelfkennis en doet zich niet beter voor dan hij is. Dat is op zichzelf al een prestatie, want wie zo onwaarschijnlijk veel succes heeft, moet sterk in zijn schoenen staan. Brian Jones, het derde bandlid, stond dat niet en verdronk in 1969 in zijn eigen zwembad onder omstandigheden die nog steeds niet zijn opgehelderd. Jones waande zich de Heer zelf, en Keith vertelt hoe hij en Mick Jagger hem onbarmhartig pestten en vlak voor zijn dood de wacht hadden aangezegd.

Lieverdjes zijn de Stones niet, en de leden konden elkaar genadeloos de mantel uitvegen. Ook Jagger wordt in het boek niet gespaard. In de publiciteit is gesuggereerd dat Keith een soort Rufmord pleegt op Mick, maar dat is onzin. Natuurlijk waren er spanningen tussen deze twee volkomen verschillende persoonlijkheden, waarbij Mick met zijn solo-ambities kwaad bloed zette, maar ik vond Keith – die nooit een blad voor de mond neemt – eerder genereus. Beide mannen weten maar al te goed dat ze beter af zijn met elkaar dan zonder en lieten zich hun voorrechten goed smaken. Keith was niet minder een jetsetbeest dan Mick, wel nam hij met zijn woeste levensstijl veel meer risico’s en hingen hem diverse veroordelingen boven het hoofd. Braaf waren ze geen van beiden, maar zonder het kille zakeninstinct van Mick had de grootste rockband ter wereld nooit kunnen overleven.


Dat popmuziek de wereld veranderd heeft, is zeker. Maar waarom begon dat in Engeland? Ik denk dat de jaren vijftig in Engeland nog truttiger waren dan bij ons. Schitterend is de foto van een verveelde Keith, als puber op vakantie aan de Engelse zuidkust met zijn toen nog keurige ouders (later nam moeder een andere man). Engeland was de eerste Europese welvaartsstaat, maar raakte met het verlies van zijn wereldrijk ook in een kleine wereld ingesnoerd. Keith vertelt hoe hij op zijn kamertje naar het moeilijk te ontvangen Radio Luxembourg luisterde, waar hij voor het eerst Elvis en de zwarte blues uit Amerika hoorde. De BBC liet het na 1945 als mondiale omroep lelijk afweten. Zo weken opstandige tieners uit naar de zender uit het kleine groothertogdom, waaruit vrije geluiden klonken die de wereld op zijn kop zouden zetten. Het doet denken aan Zwitserland, dat onderdak verleende aan Lenin en onbedoeld de bolsjewisten in Rusland aan de macht hielp. Het ontstaan van de rock-‘n-roll is geen kerstverhaal en Keith Richards is geen heilige, maar als al die miljoenen ingesnoerde tieners geen behoefte hadden gehad om uit de band te springen, waren beide nooit zo groot geworden.

import dirk jan van baar