Baan voor het leven

Hoewel het wereldtoneel de laatste maanden wel wat alleenheersers heeft zien vertrekken, zitten veel tirannen nog stevig in het zadel. Hoe doen ze dat? Tien vuistregels.

Dictators zijn zonder meer goed in het onderdrukken van lieden die een gevaar vormen voor hun machtspositie. Voorzichtigheid is wel geboden, want wie dat al te ijverig doet, kan op weinig populariteit rekenen onder de bevolking. Onderdrukken moet daarom subtiel gebeuren, door bepaalde categorieën – mensenrechtenactivisten, intellectuelen en oppositiefiguren – het leven zuur te maken.

Afgelopen maanden verdwenen in Syrië, Jemen, Libië en Bahrein duizenden mensen. Niemand die weet wat er met hen is gebeurd. Soms verdwijnt een dissident voor jaren. De familie verneemt niets, behalve een waarschuwing: als je over je dierbare praat, treft jou eenzelfde lot.

Martelen gebeurt in elke dictatuur; uit angst spreken onderdanen er alleen zelden openlijk over. Het regime zelf brengt eens in de zoveel tijd een gruwelverhaal naar buiten. Heel bewust, om af te schrikken. Zo weet iedereen in Oezbekistan wat dictator Islam Karimov met zijn politieke tegenstanders doet: in kokend water gooien. Niemand die het daar nog in zijn hoofd haalt om deze genadeloze leider, die oogt als een wat duffe economieleraar, te bekritiseren.

Geen dictator kan zonder extra oren en ogen. Een goed georganiseerde geheime dienst houdt dan ook nauwgezet in de gaten wat zich onder de bevolking afspeelt, vooral aan ondergronds verzet. Veiligheidsagenten mogen in principe álles: telefoongesprekken afluisteren, brieven en e-mails onderscheppen, Facebook-accounts kraken.

In Syrië, waar de geheime dienst alom wordt gevreesd, krijgt iedere verdachte – en dus ook vrijwel elke buitenlander – een ‘gluurbuur’, die zo onopvallend mogelijk achter je aan hobbelt en toevallig precies achter je gaat zitten als je plaatsneemt in een internetcafé.


Hoewel de Syrische geheime dienst zelfs over apparatuur schijnt te beschikken om telefoongesprekken af te luisteren als je telefoon uitstaat, komt zijn professionaliteit niet in de buurt van die van de CIA. Agenten worden namelijk vooral geworven onder de arme, niet opgeleide bevolking zijn uiterst regeringsgezind, en tot veel bereid voor een extra zakcentje. Met nadruk op’extra’, want geheim agentje spelen wordt doorgaans gecombineerd met een baan als medewerker in een internetcafé, restaurantbediende of taxichauffeur.

Waar journalisten in ons land politici maar al te graag op een schandaaltje betrappen, gaat er in de meeste dictaturen geen dag voorbij of de Grote Leider prijkt onbekritiseerd en in volle glorie op de voorpagina’s. Of hij verschijnt in militair ornaat op de televisie om de zoveelste briljante toespraak te houden, die dan geregeld minutenlang applaus oogst. Mocht de dictator onverhoopt onder druk komen te staan, bijvoorbeeld door boze publicaties uit het buitenland, dan staan de staatsmedia klaar om hem te redden. “Onrust in het Midden-Oosten? Welnee, niets aan de hand. Die stokers zijn gewoon een stel terroristen die het blijkbaar nodig vinden een beetje in het rond te schieten. Onze president zal er zorg voor dragen dat de rust snel terugkeert.” Aldus de vrije vertaling van een bericht op een doorsnee-Arabisch staatsjournaal, dat vanzelfsprekend wordt aangestuurd door de presidentiële kliek.

Buiten de Arabisch wereld is het vaak niet beter gesteld met de persvrijheid. In Kazachstan kijkt niemand er raar van op dat presidentsdochter Dariga Nazarbajeva de scepter zwaait over alle belangrijke kranten, en radio- en tv-stations. De hoofdredactrice van een inmiddels opgeheven oppositiekrant vond eens een onthoofde hond voor haar deur.


De meeste alleenheersers zijn eigenlijk hartstikke democratisch. Vrijwel alle dictaturen hebben een parlement, en verkiezingen waarbij het volk minstens een groot deel van dat parlement mag kiezen, en vaak ook nog presidentsverkiezingen. De praktijk is wat minder rooskleurig. Een korte blik op de verkiezingsuitslagen zegt vaak genoeg. Hu Jintao won de laatste presidentsverkiezingen in China drie jaar geleden met een riante 99,7 procent van de stemmen, Noersoeltan Nazarbajev van Kazachstan was in april dit jaar wat minder overtuigend: 95,5 procent. De Noord-Koreaan Kim Jung-il spande in 2009 de kroon met 100 procent van de stemmen, maar hij was dan ook de enige kandidaat.

Soms pakt het voor een dictator gunstig uit om zich in een democratisch jasje te wurmen. Zo mocht Kazachstan – wiens president in 1994 de hoofdstad 1500 kilometer verplaatste en volledig naar eigen smaak inrichtte – vorig jaar voorzitter zijn van de OVSE, de club die in Europa en omstreken toeziet op democratische verkiezingen. Misschien had de olierijkdom in zijn land ook iets te maken met deze merkwaardige benoeming.

Geen betere manier om het volk te paaien dan zo nu en dan cadeautjes uitdelen. De Jemenitische president Ali Abdullah Saleh won in 2006 overtuigend de presidentsverkiezingen nadat hij alle ambtenaren een extra maandsalaris had toebedeeld. Een godsgeschenk in het armste land van het Midden-Oosten, waar de gemiddelde burger moet rondkomen van een schamele tachtig euro per maand.

In Turkmenistan maakte de legendarische dictator Saparmurat Niazov – die zich liet omdopen tot Turkmenbashi, vader der Turkmenen – zichzelf bijzonder populair door water, zout en brood aan te bieden voor een habbekrats, evenals huisvesting voor studenten (hij stierf overigens in 2006, aan een hartstilstand).


De oliedictaturen Bahrein, Dubai, Koeweit en Oman gaan nog een stapje verder: zorg en onderwijs zijn daar gratis. Niemand betaalt belasting.

In Dubai is trouwen bovendien een financieel feestje. Pasgehuwden krijgen daar een bedrag van 75.000 dirham cash, omgerekend zo’n 15.000 euro (in Koeweit loopt de beloning op tot 225.000 euro). Een weduwe trouwen levert iets minder op, maar toch nog 7000 euro. Arme lieden kunnen verder rekenen op een gratis huis in Vinex-stijl.

Tja, waarom zou je dan nog klagen over frauduleuze verkiezingen?

Sommige dictators hebben het geluk over heilig bloed te beschikken. Zo weten de Saudische en Jordaanse koningshuizen hun onderdanen al decennialang koest te houden door naar hun allerverste voorvader te verwijzen: de profeet Mohammed. Niets wat ook maar enigszins met de profeet te maken heeft, mag bekritiseerd worden, en dus zijn de koningen van Jordanië en Saudi-Arabië dé rechtmatige heersers. Punt.

Sinds een kleine twee decennia hebben dictators er een nieuwe vijand bij: internet. Dankzij het wereldwijde web waren opeens miljoenen Chinezen via YouTube getuige van de genadeloze afranselingen die de Tibetanen in 2008 kregen van de Chinese veiligheidsdienst. De oplossing van hogerhand was niet heel origineel: YouTube ging uit de lucht. Onder het mom van ‘we moeten het volk beschermen’ heeft de Chinese overheid ook Facebook van het web geschopt, evenals Twitter en ‘opruiende websites’ die melding maken van dissidenten of mensenrechtenorganisaties. Van Google China bestaat alleen een gecensureerde versie.

Gelukkig is Syrië wél zeer vooruitstrevend op digitaal gebied. President Assad maakte recentelijk nog bekend dat Facebook voor iedereen vrij toegankelijk is. Alleen jammer dat de geheime dienst nu opeens ook erg actief is op Facebook.


Bescheidenheid siert de mens, heet het, maar dat geldt niet voor de alleenheerser. Het straatbeeld in dictaturen is rijkelijk georneerd met de meest uiteenlopende portretten van de Grote Leider ter plekke. Overdadig gebruik van Photoshop, om de ogen nét iets blauwer te maken of de huid nét iets blanker, is vanzelfsprekend toe-gestaan.

Sommigen slaan wat door in hun ijdelheid en gaan denken dat ze de Messias zijn; zie de potentaat van Turkmenistan. Deze rasdictator was zo vrij om een autobiografische bijbel uit te geven. Zijn tweedelige Rukhnama, verplicht lesmateriaal op basis- en middelbare scholen, bevat heldhaftige geschiedschrijving, persoonlijke levenslessen en lofuitingen aan het adres van zijn roemrijke familie en, uiteraard, zichzelf. Iedereen die het boek drie keer leest, zo verkondigde Turkmenbashi na een persoonlijk onderhoud met Allah, was welkom in de hemel. Turkmenbashi, die tientallen gouden standbeelden van zichzelf onthulde en een schaatspaleis liet bouwen in de woestijn, gaf het volk één keer per jaar de gelegenheid om hem in het parlement te bejubelen, liefst in zo poëtisch mogelijke bewoordingen.

De gemiddelde dictator neemt geen genoegen met een bescheiden functie als staatshoofd. Sultan Qaboos van Oman voelde zich geroepen om naast zijn president- én premierschap ook enkele ministersposten te bekleden, respectievelijk die van Financiën, Buitenlandse Zaken, Defensie en Veiligheid.

Koning Abdullah van Jordanië is naast hoofd van de regering ook hoofd van het parlement en van de rechterlijke macht, wat overigens heel gebruikelijk is in dictaturen (en min of meer ook in Italië).

Mocht de dictator geen tijd hebben om een reeks nevenfuncties te bekleden, dan is er altijd nog de mogelijkheid om wat taken uit te besteden. Liefst aan familieleden, want die zijn te vertrouwen. Meester in het inzetten van bloedverwanten is de Jemenitische president Ali Abdullah Saleh: zijn oudste zoon Ahmed is de baas van de special forces, zijn schoonvader Ahmed gouverneur van de zuidelijke stad Aden, zijn halfbroer Ali voert de legers in het noordwesten aan, zijn halfbroer Mohamed de luchtmacht. Zwager Abdu is ambassadeur in Washington en neef Yahya hoofd van de veiligheidsdienst.


Wat als er, ondanks al deze goede raad alsnog mensen uit onvrede de straat op gaan? Hervormingen aankondigen dan maar, in de hoop dat de rust snel terugkeert. Zo probeerde Hosni Mubarak krampachtig de toenemende protesten in Egypte in toom te houden door een nieuwe regering te benoemen. Assad deed iets soortgelijks in Syrië: hij ontsloeg zijn regering maar benoemde vervolgens precies dezelfde personen, alleen op andere posities. Ook de internationaal geprezen afschaffing van de noodwet bleek een farce: de president heeft nog altijd geen handtekening onder het decreet gezet, en dus is het niet rechtsgeldig.

Saleh van Jemen leek nog de meeste moeite te hebben zich aan zijn aangekondigde hervormingen te houden. Hij beloofde een nieuw kiesstelsel en zou zich niet meer kandidaat stellen als zijn ambtstermijn in 2013 afloopt. Toen de protesten aanhielden, kondigde hij eind april zelfs aan op korte termijn af te treden. Maar wat blijkt: Saleh is nog altijd in het parlement te vinden en in geen geval van plan te wijken. Overigens kondigde hij al in 2002 aan dat zijn laatste ambtstermijn was ingegaan. Vier jaar later krabbelde hij terug. Hij was nog te populair, vond hij zelf.

Irene de Zwaan