De blote man van kamer 7

‘Kom gezellig naast me zitten.” Met een glimlach die ik niet helemaal kan plaatsen, gaat de man op het bed zitten dat ik zojuist heb opgemaakt. Hij kijkt me met grote, vriendelijke ogen aan terwijl ik maar wat begin te frunniken aan de natte handdoeken die ik van de vloer heb opgeraapt. De man zit in zijn pantalon en half dichtgeknoopte witte overhemd op mijn reactie te wachten. Wat moet ik doen? Ik heb helemaal geen zin om naast deze volkomen onbekende te gaan zitten. Alsof hij denkt dat ik geen Nederlands spreek, klopt hij neerbuigend op het dekbed. “Kom maar zitten.” Ik zet een stap achteruit. “Nee,” zeg ik resoluut. Een beetje verdwaasd gris ik mijn spullen van de tafel en loop de kamer uit.

Ik zat in het vijfde jaar van het vwo. Net zestien jaar. Het was een bijbaantje. Een extra zakcentje waarmee ik mijn stapavonden en bioscoopuitjes kon financieren. Bedden opmaken, toiletten schoonmaken, doekjes over tafeltjes halen en stofzuigen. Dat waren mijn taken. Daar werd steeds op gehamerd tijdens mijn eerste werkdag. Achteraf heb ik mezelf meermalen afgevraagd waarom ik geen cursus ‘Hoe om te gaan met hotelgasten’ heb moeten volgen.

Het pittoreske Amersfoort waar ik werkte, is niet te vergelijken met een wereldstad als Amsterdam, waar grote namen, invloedrijke personen of artiesten overnachten in luxe hotels. De gasten, veelal mannen, die bij ons in het logement bleven slapen, waren expats, toeristen of dagjesmensen. Geen bijzondere mensen, geen Dominique Strauss-Kahn. Kamermeisje. Ik noemde mezelf liever schoonmaakster, omdat ik me er wel degelijk van bewust was welk beeld zo’n woord oproept. Mijn bazin vertelde mij dat de dresscode een broek was. “We willen mensen niet op verkeerde ideeën brengen.” Op dat moment dacht ik niet verder na over haar opmerking, maar al gauw drong tot me door dat het raar is dat je binnenloopt in wat een paar maanden lang iemands slaapkamer is. Het is hun privégebied waar jij binnenkomt met een sopje en een zeem.

“Housekeeping!” roep ik nadat ik een paar keer zachtjes op de deur van kamer 7 heb geklopt. Geen antwoord. Ik steek de sleutel in het slot en loop met mijn schoonmaakmandje naar binnen. Het blijft doodstil. Het bed is niet opgemaakt en er hangt een slaapgeur.

Ik ruk de gordijnen open en begin het dekbed op te maken. De deur van de badkamer gaat open. Een man met een ontbloot bovenlichaam en een handdoekje om zijn heupen staat in de deuropening. “Hallo,” zegt hij opgewekt. Ik blijf verstijfd staan en uit sputterend wat spijtbetuigingen. De man loopt quasi-nonchalant mijn kant op. “Ik heb geklopt,” zeg ik, mijn blik op de grond gericht. Hij glimlacht, op dezelfde manier als de man die kleinerend klapjes op het dekbed had gegeven. “Het geeft niet. Jij doet ook maar je werk.”


Hij probeert een oppervlakkig gesprek met me aan te knopen over het weer, Amersfoort en zijn werk. Steeds wanneer ik probeer verder te gaan met mijn bezigheden, stelt hij een vraag die ik met een kort ‘ja’ beantwoord. “Het is vast eenzaam werk, dat schoonmaken. Hoe oud ben je eigenlijk?” Nu doet hij weer een stap naar voren. Mijn innerlijke alarmbellen beginnen te rinkelen. Wegwezen! Ik doe alsof ik een schoonmaakmiddel vergeten ben en loop haastig om de man heen. “Ik hoop niet dat het uitzicht teleurstellend was.” Hij knipoogt naar me, ik lach flauwtjes en trek de deur achter me dicht.

Niet alleen in de directe confrontatie gedragen de mannen zich denigrerend. Ze laten briefjes achter met geld en een bedankje. Fijn dat ik zo goed voor ze heb gezorgd, volgende maand komen ze weer, en dan staan ze erop dat ik weer hun kamer aan kant houd.

Vaak gaat het zo: ’s ochtends loop ik door de ontbijtruimte, drink ik een kopje koffie en vertrek ik bepakt en bezakt naar boven. Zit ik net op mijn knieën de badkamervloer schoon te maken, komt zo’n gast terug naar zijn kamer. Met de smoes ‘ik was iets vergeten’ staat hij me dan weer aan te gapen en probeert hij opnieuw een leuk en luchtig gesprek aan te knopen.

Er wordt gezegd dat het kamermeisje van Dominique Strauss-Kahn hem heeft getroost, aardig voor hem is geweest, op het verkeerde moment binnen is gekomen, kortom iets heeft gedaan wat hij verkeerd heeft opgevat. Quatsch. Als kamermeisje ben je altíjd in the wrong place at the wrong time. Je breekt in in iemands privégebied, je kunt binnenstappen als iemand porno kijkt (ik moest geregeld volgespoten zakdoekjes en aan elkaar klevende handdoeken opruimen), je kunt op de deur kloppen, geen antwoord krijgen en binnenlopen als iemand op de wc zit, als de gast huilend in bed ligt omdat hij slecht nieuws heeft gekregen van thuis.


Het laatste voorval voordat ik word ontslagen, doet zich voor als ik de kamer van een gast aan het stofzuigen ben en hij ineens achter mij staat. Geschrokken spring ik op en steek ik afwerend mijn handen naar voren. Hij pakt mijn schouders vast en maakt sussende geluiden alsof ik een klein kind ben. “Schrik maar niet, ik ben het maar.”

Ik ben het maar? Maar meneer, ik kén u helemaal niet! Mijn ogen schieten alle kanten op; hoe kan ik het beste onder deze uiterst ongemakkelijke en best bedreigende situatie uit komen? Zijn gezicht is nauwelijks twintig centimeter verwijderd van het mijne. Ik hoor andere gasten op de gang, hij kijkt om en ik loop snel langs hem heen.

Het grootste deel van de tijd voelde ik me ongemakkelijk. Als kamermeisje verkeerde ik een positie waar ik nooit meer in terecht wil komen. Jij hebt niets te vertellen. De mannen kijken anders naar je, knipogen, blijven langer staan om te kletsen dan ze bij de barvrouw zouden doen. Bovendien is er soms niemand in de buurt die je eventueel te hulp zou kunnen komen.

Als vrouw ben je je er pijnlijk van bewust wanneer een hotelgast – een man die van huis is en misschien al een hele tijd droog staat – met lustogen naar je kijkt. Onder andere omstandigheden zou je onmiddellijk maken dat je wegkwam. ‘Hou privé en werk gescheiden’ is normaal gesproken het devies. Maar zie je daar maar eens aan te houden als je werk bestaat uit het opruimen van iemands privérommel.

Rachel van Kommer