‘Ik zou extremer willen schrijven’

Veel in cafés of berghutten zitten zou hem wel op gang helpen, dacht P.F. Thomése als beginneling. Maar de schrijver van romans als Schaduwkind en De weldoener blijkt het productiefst als hij ’s ochtends vroeg begint en ’s avonds laat nog even doorgaat. ‘Aan de rand van de slaap geef je je remmingen op.’

Eerlijk gezegd dacht Pieter Frans Thomése (53) al vrij snel dat hij kon schrijven, maar hij besefte ook dat die gedachte een persoonlijke en niet per se levensvatbare opvatting was. “Het begon natuurlijk met zelfoverschatting. En misschien hing het ook wel samen met mijn afnemende voetbalkwaliteiten. Dat ik toch wilde schitteren.”
Waar heb je voor het eerst gepubliceerd?
“In het Brabants Dagblad. Een recensie van een boek van Harry Mulisch, dat ik helemaal afkraakte. Een tussen-doorboekje dat hij in elkaar had geflanst omdat hij de P.C. Hooft-prijs had gewonnen. Allerlei dingen die terecht niet gebundeld waren, werden ineens wel gebundeld. Toen heb ik Mulisch uitgelegd dat het zo toch echt niet hoorde te gaan.”
Als eerste stuk mocht je meteen een recensie schrijven over Harry Mulisch?
“Ja, in die tijd was het bij de regionale kranten zo dat als je niets kon, je altijd nog bij de kunstredactie iets kon doen. Daar zat een of andere sukkel die heel lange zinnen schreef. Die woorden werden weleens geteld: ‘Hier heb je weer een zin van 64 woorden, wat vind je daar nu zelf van?’”
Was het je eigen idee om vervolgens heel klassiek te debuteren met verhalen?
“Nou, ik had op mijn 22ste al eens een roman geschreven: De reis naar het Zuidland. Daar zat het verhaal Zuid- land al in. Het ging over een jongen die dat verhaal schreef en ondertussen zelf ergens in Zuid- Amerika terecht- kwam. Het boek sloeg helemaal nergens op, volgens mij.”
Heb je die jeugdroman naar een uitgeverijgestuurd?
“Ja, naar Meulenhoff. Ik dacht: ze bellen me meteen op: ‘Eindelijk weer een goede debutant.’ Maar dat werkte zo niet. Bellen durfde ik niet, maar toen ik na drie maanden eens langs de uitgeverij liep, ben ik in een opwelling naar binnen gegaan en heb ik gezegd dat ik een afspraak had met Tilly Hermans (destijds uitgever bij Meulenhoff – JvdH). Die naam kende ik toevallig. Ze vroegen: ‘Wanneer heeft u dan een afspraak? Er staat hier niets.’ ‘Ja, maar het is al heel lang geleden afgesproken.’
“Op een gegeven moment kwam Tilly Hermans met mijn manuscript en moest ik in een kamer gaan zitten met vijf meter hoge boekenkasten. Ze zei: ja, het was wel aardig, en ik kon zeker wel schrijven. Maar we vonden het toch te efemeer. Ik kende dat hele woord niet, maar dat wilde ik niet laten merken. Thuis ben ik het gaan opzoeken; het komt van eendagsvlieg. Te vluchtig. Te weinig beklijvend. Dus het betekende eigenlijk: je kunt wel leuk formuleren, maar het gaat nergens over.”
Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

janneke van der horst