De schedel van een monnik

Iedere week een artikel in zijn geheel op de site. Deze week de recensie van Dries Muus van Mensje van Keulen: Liefde heeft geen hersens.

Op het eerste gezicht lijkt het nieuwe boek van Mensje van Keulen een kluchtige thriller, waar de gruwel dik bovenop ligt. Maar bij herlezing blijkt het doortrokken van dreiging.

Terwijl de ene matige schrijver na de andere met trompetgeschal en paukenslagen wordt onthaald, oogst Mensje van Keulen hoogstens wat beschaafd applaus. Het is niet alsof ze compleet over het hoofd wordt gezien, of geen enkele erkenning krijgt. Met haar laatste boek, de verhalenbundel Een goed verhaal uit 2009, stond ze nog op de shortlist van de Libris Literatuurprijs en de Gouden Uil, en ze ontving er de Charlotte Köhler Prijs voor. Maar toch. Op grond van de kwaliteit én de toegankelijkheid van haar werk verwacht je bestsellers en talkshow-optredens. Misschien komt het doordat haar boeken goed zijn op een vrij onnadrukkelijke manier. De sterke observaties lijken achteloos over de alinea’s uitgestrooid, Van Keulen werkt niet naar uitsmijters toe, en hoe grappig ze ook is, ze lijkt nooit op de lach te mikken. Geen vette oneliners, geen krachtige punchlines. Ze slingert haar vondsten nooit in je gezicht.

Liefde heeft geen hersens is haar achttiende boek voor volwassenen; ze schreef ook een handvol kinderboeken. De nieuwste roman is, wat de plot betreft, een thriller, een typische whodunit vol Hitchcockingrediënten. Er is een moord op een oude buurvrouw, er is een stalkerige vrijgezel die nog bij zijn moeder woont, er zijn volwassen kinderen die zich op alle verkeerde manieren tegen hun drammerige ouders afzetten, of juist op alle verkeerde manieren aan hun ouders vastzitten, en er zijn onderdrukte driften en ziekelijke preoccupaties met de dood. Alle personages zouden wel een uurtje of wat op de sofa kunnen gebruiken. Of een paar weken in de frisse berglucht.

Hoofdpersoon Romy is vernoemd naar Romy Schneider, de actrice uit onder meer de Sissi-films. Schneider pleegde zelfmoord, een jaar nadat haar zoon een val maakte en gespietst werd ‘door de smeedijzeren punten van een hek’, zo informeert Van Keulen behulpzaam in het eerste hoofdstuk. Maar de toon is daarvóór al gezet. We weten dat Romy (de hoofdpersoon, niet de actrice) weduwe is, van een Spaanse macho, en dat ze werkt op een kerkhof, ondanks – of misschien wel dankzij – haar panische angst voor de dood. Zo samengevat klinkt het als een kluchtige thriller, waar de gruwel al te dik bovenop ligt, maar zo voelt het geen moment. Pas bij herlezing kun je de dreiging benoemen die je de eerste keer alleen aanvoelt. En dan valt opeens op hoezeer elke pagina doortrokken is van de dood, zoals hier, als Romy moet denken aan haar overleden man, Louis, aan het begin van hun liefde: “Aan hoe ik brandde en smolt en weer brandde en smolt en dacht dat het nooit op zou houden, dat ik aan zoveel verrukking misschien wel dood kon gaan.”

Je zou het bijna vergeten, maar Liefde heeft geen hersens gaat ook, of misschien wel vooral, over de liefde. Niet die van het frisse soort, geen zondagochtendliefde met rozeblaadjes en ontbijt op bed, maar onvervalste ongezonde liefde – het duurt alleen even voor je erachter komt hoe ongezond precies. Harro Tolman, de huismeester van Romy’s flat, lijkt te lijden aan een onschuldige, bijna vriendschappelijke verliefdheid. Al weet hij wel erg nauwkeurig hoe lang Romy al weduwe is. Maar oké, denk je dan nog, hij is huismeester, hij houdt de bewoners in de gaten, dat is zijn werk. Romy loopt over van liefde voor haar kinderen. Haar zwakke plek – één van haar zwakke plekken – is haar opstandige zoon Cristian. Haar dochter Blanca voelt zich gepasseerd. Niet geheel ten onrechte, blijkt tegen het eind.

Van Keulen laat afwisselend Romy en Harro aan het woord. Beetje bij beetje leren we ze kennen, ontdekken we hun onschuldige gebreken, die steeds iets minder onschuldig worden. En we krijgen meer informatie over hun geschiedenis. Wat eerst pijnlijke herinneringen leken, blijken open wonden, nauwelijks weggedrukte trauma’s die bij het minste of geringste weer aan de oppervlakte komen. Rustig, zonder effectbejag, ontvouwt Van Keulen het drama. Nou ja, zonder effectbejag, dat is natuurlijk onzin – ze camoufleert het alleen zorgvuldig. Het is als een film waarbij de onheilspellende muziek je nauwelijks opvalt, omdat die zo’n eenheid is met wat er op het scherm gebeurt. Heel langzaam wordt de achtergrond van haar hoofdpersonen ingevuld, we gaan ze beter begrijpen, krijgen meer medelijden met ze en tegelijkertijd stoten ze ons meer af.

Ondertussen verliest Van Keulen nooit haar gevoel voor humor en haar scherpe oog voor detail. Of misschien is dat wel hetzelfde. Wat bij andere schrijvers doodnormale, beschrijvende zinnen waren geweest, krijgen hier iets subtiel grappigs: “Ik herinner me dat Eric een Belgisch bierviltje in mijn tas stopte. In balpen zijn 06-nummer op de schedel van een monnik.” Dat Belgisch bierviltje maakt het al wat levendiger, het 06-nummer op de schedel van een monnik is een beeld waarbij je onwillekeurig in een glimlach schiet. Mensje van Keulen is niet in staat om saaie zinnen te schrijven. En al helemaal geen saaie boeken.

dries muus