‘Ik ben graag de buitenstaander’

Aan de kant staan, observeren en een droogkomisch verslag schrijven: Marcel van Roosmalen is er een meester in. Ook met deadlines – vroeger ‘een hel’ – heeft hij leren leven. ‘Het komt altijd goed, is mijn motto.’

Wanneer ben je begonnen met schrijven?

“Begin jaren negentig moest ik vervangende dienstplicht doen. Ik woonde in die tijd in een soort woongroep in Nijmegen en ik maakte mijn post nooit open. Zo’n fase was het wel in mijn leven. Normaal gesproken weigerde je dienst en kreeg je drie maanden de tijd om een baantje te zoeken. Alleen: ik werd al opgehaald en weigerde toen eigenlijk acuut. Dat kon nog net, ze wilden me niet afkeuren, maar ze zagen ook wel dat bepaalde dingen niet klopten. Ze vonden het geloof ik ook wel goed dat ik niet met wapens in aanraking kwam.

“Ik kreeg toen een baantje als redactie-assistent bij de dienst Lectuurvoorlichting voor Volwassenen in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Ik moest daar alles over streekromanschrijfsters opzoeken en in mappen stoppen. Als inleiding bij die mappen moest ik ook een verhaaltje schrijven van ongeveer dertig zinnen. Die verhaaltjes werden nooit gepubliceerd, maar ze moesten er daar wel keihard om lachen. En ik dacht: o, ik kan wat. Dat was iets nieuws, dat ik iets kon.”

Viel je niet al op door je opstellen op de middelbare school?

“Nee, ik was wel goed in Nederlands. En ik hield ook een tijdje een dagboek bij. Ik woonde in Velp, en dan schreef ik op zondagmiddag dat er weer helemaal niets gebeurde en als laatste zin stond er altijd bij: ‘En Vitesse heeft ook weer verloren.’

“Mijn ouders dwongen ons vroeger wel op vakanties om plakboeken bij te houden en opstellen te schrijven over wat we die dag hadden meegemaakt. Dat we lekker gewandeld hadden, dat we koeiemelk hadden gedronken. Dat was verplicht.”

Heb je wat geleerd van al die verslagen schrijven? Dat is toch ook wel wat je nu doet.


“Ja, jawel. Mijn ouders hadden best gevoel voor humor. Maar ik schreef verder niet voor de lol. Ik had geen benul dat zoiets zou kunnen, ik was echt blij toen ik ontdekte dat ik iets kon.”

Hoe ben je daarna verder gegaan met schrijven?

“Na de vervangende dienstplicht belandde ik met een uitkering in Nijmegen, en toen werd net de avondopleiding Journalistiek voor mislukte volwassenen in Tilburg geopend. Iedereen in Nijmegen was toen werkloos, dus we zaten met dertig mensen uit Nijmegen in de trein naar Tilburg. Die opleiding heb ik vrij snel afgemaakt.”

Moest je ook stage lopen?

“Ja, onder andere bij de Volkskrant, op de sociaal-economische redactie. Dat was verschrikkelijk. Daar had ik te maken met Thom Meens, de latere ombudsman. Dat was een soort dictator in mijn ogen. Die stuurde me bijvoorbeeld naar Limburg om verslag te doen van Poolse aspergestekers. Ik was dan de hele dag in Limburg en zat tot ’s avonds laat het verslag te maken, en dan zag ik de volgende dag dat het artikel een fotobijschrift was geworden van één regel; dat noemde hij dan ‘mini-repo’.

“Mijn dieptepunt was dat de politie staakte en dat er onderhandeld werd over een CAO met minister Dijkstal en de politiebonden. Ik ging naar Den Haag, naar dat overleg, en ik snapte er echt geen reet van, en op een zeker moment kwam die Dijkstal het kamertje binnen en toen vroeg ik: ‘Zijn we eruit?’ Dat was een vraag die iedereen stelde. ‘Nou, we komen er wel uit,’ was het antwoord. Dus ik dacht: ik heb het verder wel, ben weggegaan en heb het stukje geschreven. De volgende morgen stond mijn stuk groot in de krant en ging de telefoon, ik lag nog in bed, was ik live in een of ander radioprogramma. Toen moest ik een verklaring afleggen hoe het kon dat ik de enige journalist was die begrepen had dat er een akkoord was.”


Zie je jezelf als journalist?

“Een beetje. Maar meer als een verhaaltjesschrijver naar aanleiding van de werkelijkheid. Bij journalisten denk ik toch aan mensen die aan waarheidsvinding doen, die het onderste uit de kan willen halen, altijd maar doorvragen, en dat doe ik helemaal niet. Ik sta er gewoon een beetje bij. De ene keer met succes en de andere keer met minder succes. Het is altijd ook een beetje uit mezelf bekeken. Hoe ik dingen ervaar. Ik geloof dat ik best veel dingen raar vind, en dan vind ik het leuk om daarop te focussen.”

Je bent veel op pad voor je stukjes. Heb je die beweging nodig voor je schrijven?

“Ik heb vooral mensen nodig. Kijk, het werk op een redactie was niks voor mij. Maar de hele dag in mijn eigen huis zitten en niemand zien, daar word je ook een beetje raar van. Dus ik vind het wel lekker om, meestal met een fotograaf, ergens naartoe te gaan en er gewoon een gezellige tijd van te maken. De ellende van het schrijven komt dan later als je thuis bent. Dat is ook geen feest.”

Nee?

“Nee, als het af is, is het leuk. Er zijn mensen die zeggen: ‘Zo lekker zitten typen vandaag.’ Ik ken dat niet.”

Hoe werk je? Maak je veel aantekeningen tijdens zo’n dag?

“Ja, ik maak best veel aantekeningen. En omdat ik best veel op pad ga, is het eerst een kwestie van het juiste kladblok terugvinden, want ik heb er wel dertig. Dan typ ik die aantekeningen uit en kijk ik hoeveel tijd ik nog heb. Als ik meer dan drie uur de tijd heb, dan neem ik alle tijd, want op het laatste moment gebeurt het. En eerder ook niet. Ik stel het dolgraag uit, die hele handel.”


Raak je dan weleens in de stress?

“Nou, ik rookte dan heel veel, maar ik krijg nooit echte stress. Het gebeurt wel dat ze bij het blad in de stress raken. Dat is altijd wel irritant, want je bent druk bezig en dan gaat de telefoon: ‘Waar blijft het?’ Dan is het altijd een beetje schipperen, neem ik die telefoon op of niet. Als je opneemt, moet je natuurlijk geruststellende mededelingen doen. Maar het komt altijd goed, dat is mijn motto.”

Was dat altijd al je motto of is het dat geworden door ervaring?

“Ik heb steeds minder gedoe. Ik word er wel relaxt in. Ik ben er beter in geworden om redelijk op tijd in te leveren. Vroeger was het weleens een hel.”

Omdat je stukjes nu korter zijn?

“Omdat ik iets gestructureerder leef. Ik schrijf nu vijf à zes stukken per week. Dat had ik vroeger echt niet gekund. Toen ik bij HP/De Tijd werkte, schreef ik er één in de twee weken. En toen vond ik echt dat ik keihard werkte. Dat is wel veranderd. Nu vind ik helemaal niet dat ik zo hard werk, terwijl ik veel meer werk heb dan toen.”

Je schrijft nu ook sinds 1 maart, om en om met Renske de Greef, een dagelijkse column voor nrc next.

“Ja, en ik ben helemaal geen columnist. Om columnist te zijn met een meninkje, van ‘ik vind dit stom of dat leuk’, ja, ik lees dat weleens terug van mezelf en dan denk ik: wat boeit het, wat boeit het wat ik ergens van vind of dat ik nieuwe schoenen heb gekocht? Wat ik wil doen voor nrc next is elke keer een korte reportage schrijven. Een gekleurde, korte reportage. Zoals ik altijd doe, maar dan in het klein.”


Jij wordt geroemd om je eigen, unieke stijl. Niet te vergelijken met anderen. Heb jij eigenlijk voorbeelden gehad?

“Nee. Maar toen ik bij HP/De Tijd werkte, las ik een reportage van Cherry Duyns over Lourdes. Van hem heb ik toen wel boekjes gekocht; ik vond hem wel inspirerend.”

En zijn er mensen die jou iets geleerd hebben?

“Ja, door Joost Niemöller van HP ben ik in de verleden tijd gaan schrijven; ik vond het wel mooi toen ik dat bij hem zag. En Henk Steenhuis heeft mij altijd erg gestimuleerd met onderwerpkeuze enzovoorts. Henk Spaan heeft me ook gestimuleerd. Ik heb wel degelijk van mensen geleerd.”

Maar vooral in de zin dat mensen je stimuleerden?

“Ja, maar dat had ik nodig. Dat mensen zeiden: ‘Dat moet je doen, dat kun je goed.’ Ik ben van mezelf al remmend genoeg. Dus als iemand mij enthousiast kan maken, vind ik dat wel een grote kracht. Nu heb ik dat minder nodig, maar er waren wel tijden dat ik dat erg nodig had.”

Lees je veel voor?

“Ja, vroeger wilde ik dat nooit, maar nu vind ik het hartstikke leuk. Ik zie het ook als een manier om mezelf te trainen. Ik wil daar gewoon heel goed in worden. Dus ja, ik probeer het zoveel mogelijk te doen, als ik de kans krijg, doe ik het.

“Het dieptepunt was voorlezen in de Selexyz-boekhandel in Arnhem. Er zaten acht mensen, onder wie mijn ouders. Ester Bal (de persvoorlichter van Vitesse – JvdH) en haar ouders. Een neger met een fototoestel. Een gek die niet op een stoel durfde te zitten en nog een gek. Aan het eind zei ik: ‘Zijn er nog vragen?’ Er waren geen vragen. Uiteindelijk stak mijn moeder haar vinger op en zei: ‘Ik heb er eigenlijk niks van verstaan.’ En toch vind ik het leuk om te doen.”


Ben je als je eenmaal gaat typen nog lang bezig aan een artikel?

“Nee, maar als ik de geestelijke voorbereidingstijd, het ‘opzien tegen’, meetel… Hoe vaak ik niet vakanties heb verpest. Ik heb best veel schade aangericht in mijn privéleven door dat schrijven.”

Hoe dan?

“Ik ging bijvoorbeeld met mijn toenmalige vriendin op vakantie. De avond ervoor moest ik nog drie stukken af hebben. Het komt er dan dus op neer dat ik één stuk af heb en de eerste vier dagen van die vakantie ergens in Israël zit te typen over een kledinginzamelingsactie in Bunschoten. Er viel een tijd dus echt niet met mij te leven. Ik moest altijd wat doen. En dan had ik tijd om wat te doen en dan deed ik het niet! Dan ging ik zitten patiencen. Kwam ik de volgende dag weer met hetzelfde verhaal: ‘Ja luister, ik heb het nog niet af. Laat me nou.’ Dat heb ik nu gelukkig meer onder controle, omdat ik ook wel in de gaten had dat mijn leven anders in de soep loopt.”

In 2005 kwam je roman uit. Was je daarvoor gevraagd?

“Ja, ik had ooit in HP een verhaal geschreven over een avond in Holland Casino. Dat vonden ze bij Prometheus zo ongelofelijk leuk, en ik was in een stadium dat ik ieder contract ondertekende. Toen het boek uitkwam, ben ik in drie recensies echt tot de bodem afgekraakt. Drie maanden daarna kwam mijn eerste Vitesse-boekje uit, en toen was het omgekeerd, dat vond iedereen geweldig.”

Begreep je dat?

“Nu wel. Toen dacht ik: zie je wel, ik kan het wel. Nu weet ik dat ik de werkelijkheid nodig heb. Ik kan niet goed verzinnen. Ik weet nu dat ik non-fictie moet schrijven, en dat doe ik dus ook.”


Zou je ooit nog een poging wagen tot het schrijven van fictie?

“Misschien wel ooit, maar niet op korte termijn.”

En op de manier van Joris van Casteren?

“Dat kan ik wel. Ja, misschien niet zo goed als hij, maar exact die vorm heb ik voor mezelf ook gereserveerd. Maar dus niet dat ik het verzin. Dat kan ik niet. Nog niet tenminste.”

Is het niet een idee om jou naar oorlogsgebieden te sturen?

“Dat lijkt me hartstikke leuk. Ja echt. Ik ben op mijn plaats in dictaturen. Ik wilde heel graag naar Irak of Afghanistan, maar dat is al gedaan door Arnon Grunberg. Dat leek me geweldig. Elke dag een kort stukje. Je zit daar toch wel redelijk veilig. Lekker in de zon.”

Je hebt inmiddels meer luxe bij het schrijven, meer luxe om nee te zeggen en te doen wat je leuk vindt.

“Ja ik heb jarenlang geldproblemen gehad, en die lossen zich nu langzaam op. Dat is prettig. Hoewel ze tegelijkertijd voor mij ook wel een drijfveer waren. Dat klinkt gek, maar ik heb heel veel dingen gedaan vanwege geldgebrek, want van nature ben ik gewoon lui. Het is echt niet dat ik denk: hoi, er belt weer iemand voor een stukje, maar omdat ik echt geld nodig had, zei ik op alles ja. Ik had geen vermogende ouders, kon van niemand geld lenen en als je dan schulden hebt, dan moet je wel.”

Jij bent al een tijd populair onder lezers, maar dat je door hoofdredacteuren voor van alles wordt gevraagd, is pas sinds kort. Hoe komt dat, denk je?

“Ik ben een anti-netwerker. Ik denk altijd bij borrels: nu hebben ze misschien nog een positief beeld, maar als ik erheen ga, is het afgelopen. Het heeft een averechts effect. Dus ik mijd heel vaak die borrels en dingen waarop je op een soepele manier met mensen in contact komt.”


Wordt dat beter? Benaderen mensen je anders nu je meer succes hebt met schrijven, of word je er zelf zekerder door?

“Ik voel mezelf wel zekerder over wat ik kan. En ik denk ook: wat kan het me allemaal schelen wat iedereen van me vindt. Een paar jaar geleden dacht ik: dan sta ik daar ongemakkelijk met iedereen een praatje te maken en een biertje te drinken. Nu denk ik: het maakt niet uit. Maar dat soort dingen mijd ik nog steeds. Ik vind het niet echt leuk, ik ga liever met vrienden de kroeg in.”

Weg van de bladenborrels.

“Ja. Ik ben heel graag de buitenstaander. Ik zie mezelf ook heel graag als de derde persoon. Ik kan mezelf uittekenen. Hoe ik erbij sta. Die rol past me wel. Het heeft geen zin om mee te willen doen als je niet echt mee kunt doen. Dat kan pas als je je op je gemak voelt. En bij mij heeft dat gewoon tijd nodig. Nu vind ik het hartstikke leuk, dat voorlezen met Hard gras, maar de eerste zes keer zat ik echt niet op mijn gemak in dat busje. Dat is bij mij met alles zo. Mensen verwarren dat vaak met arrogantie: ‘Ja, je kijkt zo arrogant.’ Terwijl ik denk: wat doe ik hier. Ik weet mezelf ook geen houding te geven. Ik moet niet mijn best doen, dat werkt het best. Ik doe niet meer mijn best om aardig gevonden te worden.”

Marcel van Roosmalen (Arnhem, 1968) was van 1998 tot 2004 redacteur van HP/De Tijd. Inmiddels schrijft hij voor bladen als Hard gras, de VARA-gids, Het Parool, Volkskrant Magazine en nog steeds voor HP/De Tijd. Zijn Hard gras-special Je hebt het niet van mij – Een tragikomisch verslag van een jaar Vitesse werd door de Nederlandse sportpers uitgeroepen tot Beste Sportboek van 2006 en bekroond met de Nico Scheepmaker Beker. Zijn meest recente boek, Het is nooit leuk als je tegen een boom rijdt, is volgens HP/De Tijd-sportcolumnist Frank Heinen de ‘bijbel voor beginnende journalisten’. Sinds 1 maart schrijft hij drie keer in de week een column voor nrc next, die hij afwisselt met Renske de Greef.

Janneke van der Horst