Beatrijs Ritsema Foto: ANP
190 seconden leestijd

Besnijden moet kunnen

Nu een Duits gerechtshof in Keulen jongensbesnijdenis strafbaar heeft gesteld, laait de discussie er hier ook weer over op. Het is een glibberige kwestie, omdat er allerlei met elkaar onverenigbare rechten in het geding zijn. Het gaat over de integriteit van het lichaam, de vrijheid van godsdienst en de vrijheid om je kinderen op te voeden zoals je dat goeddunkt.

Over de traditie van de voorhuidverwijdering (eeuwenlang toegepast bij moslims en joden, later ook veelvoorkomend onder Amerikanen) heeft zich eigenlijk nooit iemand opgewonden, totdat de praktijk van de meisjesbenijdenis in grote delen van Afrika ontdekt werd. Clitoridectomie en de minder ingrijpende snijvarianten werden veroordeeld als schandalige lichaamsmutilatie. Extremer kon de vrouwelijke seksualiteit niet worden onderdrukt. In de slipstream van de collectieve, westerse verontwaardiging over meisjesbesnijdenis won ook het onbehagen over jongensbesnijdenis terrein. Als je van meisjesgenitalia af dient te blijven, dan ook van die van jongens. Het zou onrechtvaardig zijn de ene praktijk te vuur en te zwaard te bestrijden, en over de andere je schouders op te halen.

Ondergronds
Consequente mensenrechtverdedigers en atheïsten zijn dan ook geneigd alle vormen van inbreuk op het lichaam te veroordelen, behalve wanneer ze vrijwillig worden aangegaan. Dat sluit onmondige kinderen uit, die per definitie nog niet over hun eigen lichaam kunnen beschikken. Zij hebben ouders die die beslissingen voor hen nemen. De KNMG heeft zich uitgesproken tegen jongensbesnijdenis op niet-therapeutische gronden, maar wil de praktijk liever zo sterk mogelijk ontmoedigen dan een regelrecht verbod. Met verbieden worden moslims en joden in het harnas gejaagd en bovendien gaat het besnijden gewoon door, maar dan ondergronds.

Hoewel ik zelf de integriteit van het lichaam ook heel hoog heb zitten, lijkt mij de vrijheid van cultuur (en dus van opvoeding) toch net iets belangrijker. Godsdienst is een vorm van cultuur. Jongensbesnijdenis vindt plaats binnen bepaalde godsdiensten, maar niet uitsluitend (zie Amerika) en hoe je het ook wendt of keert, het is voor mij eerder te vergelijken met piercings en tattoos dan met iets verwoestends als clitoridectomie.

Je hebt ouders die de oortjes van hun pasgeboren meisjesbaby’s onmiddellijk doorboren om daar oorbelletjes in te plaatsen. Waarschijnlijk om het meisjesaspect van de baby te accentueren en te laten zien dat deze baby hoort bij de club waarvan de vrouwen altijd met oorbellen zijn getooid. Het is een ordinaire praktijk, maar veel kwaad kan het verder niet.

Succes bij vrouwen
De roman The Finkler Question van Howard Jacobson (Man Booker Prize 2011) draait om drie vrienden, van wie er twee joods zijn en een niet. Julian, de niet-jood, is een soort filosemiet die geïntrigeerd is door de verschillen tussen hem en met name zijn vriend Sam, de womanizer. Julian vermoedt dat het besneden zijn op de een of andere manier bijdraagt aan Sams succes bij de vrouwen, omdat hij denkt dat een besneden penis bijdraagt aan betere bedprestaties. Het even genante als absurde gesprek hierover verzandt in onmacht, omdat de vrienden alleen hun eigen lichaam kennen en niet twee verschillende condities met elkaar kunnen vergelijken.

Uiteindelijk gaat het alleen om het horen bij de club. Het zou een grove schending van de mensenrechten zijn om ouders te verbieden hun kinderen het clubgevoel mee te geven. Er zijn wel kwalijker rituelen dan voorhuidverwijdering.

________________________

Volg HP/De Tijd op Twitter!

Lees ook
Meer artikelen