Kickbokser met een stropdas

Ik ben veertig jaar. Veel mensen schatten me ouder. Misschien komt het door mijn kale kop en het feit dat het weinige haar dat nog over is zilvergrijs is.

Overdag zit ik op een hoge verdieping van een non-descripte kantoorkolos langs de snelweg, net als de helft van Nederland.
Ik draag pakken, en schoenen met gaatjes. Dure schoenen, glimmende schoenen.
Mijn functieomschrijving is lang, met verbindingsstreepjes en in het Engels.
Als ik vanachter mijn bureau naar buiten kijk, is het altijd hetzelfde weer, elke dag opnieuw. Grijs. Volgens collega’s is mijn bureau het netste bureau dat ze ooit hebben gezien. Ik houd van netheid.
Vrienden noemen me emotioneel, een softie.
Ben je een softie als je van een opgeruimd bureau houdt?

Onverantwoord risico
De eerste keer dat ik bij de kickboksschool kwam, durfde ik er niet naar binnen met mijn pak en mijn glimmende schoenen. Ik parkeerde mijn auto achter een tankstation en kleedde me om in de wagen. Het pak hing ik aan een haakje op de achterbank, dat wel.
Mijn stropdas vouwde ik op en ik borg het bundeltje vervolgens op in het handschoenenkastje.
Ik ben nogal gesteld op mijn spullen.
Het was nog in de vorige gym, in Amsterdam-Noord. Zelfs in mijn trainingspak en op gympen aarzelde ik om er naar binnen te gaan. Tegen de muren van de loods tekenden zich de schaduwen van de omringende hijskranen af, als reuzen die zich van achteren geluidloos over me heen bogen.
Even moest ik aan mijn moeder denken, en aan haar eeuwige bezorgdheid. Fietsen, autorijden, op vakantie gaan; mijn moeder ziet het leven als één groot en onverantwoord gezondheidsrisico. Als ze zou weten dat ik daar op een industrieterrein in Noord op het punt stond een sportschool binnen te lopen om me uit vrije wil in elkaar te laten beuken, zou ze me komen halen.
Geloof ik echt.

Vanavond is mijn eerste wedstrijd.
In de kleedkamer balanceer ik met mijn kont op het smalle plankje dat in sportkleedkamers altijd voor een bank moet doorgaan.
Vlak voor me drentelt mijn coach. Een spichtige jongen met een accent waar ik jaloers op ben, omdat het alle woorden die je uitspreekt voorziet van een coating van nonchalance.
Je kent die Instagram-foto’s? Nou zo ongeveer, maar dan in spraak. Zelf spreek ik veel langzamer, een traagheid die vaak verward wordt met weloverwogenheid. Ik spreek als iemand die er een beschikking door probeert te krijgen, of die altijd op het punt staat een belangrijke beslissing te nemen.
Liever zou ik spreken als mijn coach.
Nog een paar minuten tot de wedstrijd.

Iemand – ik weet niet wie – giet water uit een Bar-Le-Duc-pak in mijn mond. Ik dans en ik beuk, mijn tegenstander, van wie iedereen zegt dat hij op me lijkt en die daarmee mijn zelfbeeld geen goed doet, is een bleke vlek met een kaal hoofd. Een vlek die ik met mijn vuisten probeer uit te vegen.
Eigenlijk hou ik er helemaal niet van iemand op zijn bek te meppen. Mijn eerste reflex is: vragen of het gaat. Maar wie vraagt hoe het gaat, krijgt zelf een oplawaai.
Wanneer ik wil vragen of het gaat, moet ik nog eens meppen. En nog eens. En nog eens.
Tot de bleke vlek tegen de vlakte gaat en iemand anders hem vraagt of het gaat.

Mijn pak
Ik kan niet meer. Ik kan echt niet meer. Ik heb al vaak niet meer gekund, maar ik heb nog nooit zo niet meer gekund als nu.
Het zweet stroomt over mijn schedel, langs mijn schouders en rug mijn broek in. Het lijkt wel alsof die vent naast me boven op mijn hoofd een bron heeft aangeboord. Een bron die onophoudelijk stinkende vloeistof spuit.
De speaker moet mijn naam noemen.
Hij moet mijn naam noemen.
Hij MOET mijn naam noemen.

Hij noemt mijn naam.

Zittend op het dunne plankje trek ik mijn glimmende schoenen weer aan.
Mijn pak hangt aan een haakje boven me.

Documentary: Kickbokser met een Stropdas from Maikel Schnerr on Vimeo.