Het belang van het verzonnen belang van het Plan-Cruijff

Het liefst van al was ik vrijdagavond thuis geweest, naar bed gegaan en had ik net gedaan alsof er niets bestond buiten de dekens en het leeslampje. Dat kon niet, ik zat in de trein en tussen Gouda en Utrecht bedacht ik iets wat ik nog nooit eerder had bedacht: ik kan er niet uit. Opgesloten met een paar honderd mensen van wie ik niet zeker weet wat ze van plan zijn.
Ik liep nog wat sneller door Hoog Catharijne dan anders.

Kennelijk is dat wat paniek doet: zodra je hem toelaat, besmet hij alles wat je bezit. Je gedachten, je zekerheid, je hoop, je vertrouwen in de ander. Kijk op internet, kijk op televisie en zie: meer paniek, groter nog dan de jouwe. Nog meer wantrouwen, woede. Een enorm vuur waar iedereen z’n eigen beetje spiritus op gooit. Alles brandt. Of nee: niet alles brandt, helemaal niet, maar wie bij een brand staat, kan niet anders dan er naar kijken.
Wat moet je op dagen als deze met nieuws over het gemaltraiteerde been van Sven Kramer? Over de dominantie van Wout van Aert in het veldrijden, over het afscheid van Raul? Wat kan het schelen dat Michael van Gerwen weer eens zijn pijltjes het best in de roos heeft gemikt? Kan dat überhaupt wel: darten tegen de achtergrond van de gruwel?
Ja.
Juist.

Gisteravond, in het programma Studio Voetbal, ging het na wat inleidende bezorgde woorden over de onveiligheid van voetbalstadions, weer over het niveau van vrouwenvoetbal, over 5-3-2, 4-3-3, spelen in een kommetje, in een ruit of in een parallellogram. Op het andere net zat Erben Wennemars zich het hoofd te breken over een nieuw wereldrecord op de 500 meter. Geschaatst door een Rus en dus misschien wel niet geheel zuiver op de graat. Overzichtelijke twijfel, behapbare angst.
Twee uur eerder stoven mensen op de Place de la Republique nog uiteen, paniek om paniek om paniek.
En toen, vanochtend, terwijl de paniek nog altijd voortwoekerde, de wezenloze oorlogstaal zijn weg naar de opiniepagina’s had gevonden en overal huizen binnenstebuiten werden gekeerd om de paniek te bezweren, schreef Johan Cruijff dat hij stopt bij Ajax. Zijn plan was goed, uitstekend zelfs, alleen werd het niet goed uitgevoerd. Het riep herinneringen op aan eindeloze avonden in en rond de Arena, oorlogsverslaggeving in een parkeergarage. Er werd gekonkeld, beledigd en buitengesloten.
Het leek erg, maar we wisten wel beter.
We verzonnen dat het belangrijk was.

Michael van Gerwen en Mozart
Toen men Herman Finkers eens zei dat de hemel niet bestond, omdat hij verzonnen was, schreef hij: ‘De veertigste van Mozart, of de liedjes van Jacques Brel / zijn ook ooit verzonnen, toch bestaan ze wel’.
Zou je belang mogen verzinnen? Ik geloof van wel, ik geloof in het belang van dingen die in wezen niet belangrijk zijn. Met het genieten van, boos maken om en verbijsterd zijn over sport (of kattenplaatjes, of Sabia, of wat-dan-ook) ontken je je paniek niet, je ontkent dat je de stuurknuppel aan die paniek uit handen hebt gegeven. Brel, Mozart, Michael van Gerwen; ze zijn meer dan troost, meer dan afleiding. Ze zijn brandstof. Veel van wat mijn leven de moeite waard maakt – boeken, films, muziek – bestaat bij de gratie van doen alsof. Iedere sportwedstrijd is een vorm van fictie, speelt zich af op een vast omlijnd terrein, gedurende een bepaalde tijd, met inachtneming van duidelijk omschreven regels. Zoals bij Frankrijk – Duitsland, vrijdagavond. Tot de ontploffingen uit de werkelijkheid de fictie bezoedelden.