Özcan Akyol: ‘Ik wil juist meer ongeluk in mijn leven’

Özcan Akyol (Deventer, 1984) is schrijver. Hij brak in 2012 door met zijn debuutroman Eus. Zijn tweede, volledig autobiografische boek Turis verscheen afgelopen maand bij Prometheus.

Wat is uw huidige gemoedstoestand?
Gestresst, onrustig, angstig. Er komt een boek en ik krijg een kind, het is veel tegelijk. Ik ben iemand die nogal graag de controle heeft, maar dat gaat op het moment moeizaam.

Wie zijn uw helden?
Heldenstatus baseer je meestal op iemands werk, maar als de persoon erachter een gezicht krijgt, valt het bijna altijd te- gen. Ik bewonder bijvoorbeeld Herman Finkers al jaren, ook omdat hij net als ik uit het oosten komt, maar hij kan beter geen interviews geven.

Aan wie ergert u zich?
Aan collega’s die zich chronisch verongelijkt opstellen en blind zijn voor hun eigen falen.

Lijkt u op uw moeder?
Van mijn moeder heb ik de angst voor alles geërfd. Angst voor de liefde, angst om van huis te gaan, om door een drukke straat te lopen, nieuwe dingen te ondernemen.

Lijkt u op uw vader?
Ik ben een mix van de hinderlijke eigenschappen van mijn ouders. Ik heb mijn vaders zucht naar drank en vrouwen. Zijn botheid en antisociale houding jegens alles en iedereen. Ik kan hem niet uitstaan; we spreken elkaar al tien jaar niet meer.

Wat zijn uw dagdromen? 
Ik dagdroom nooit over nieuwe dingen want ik houd niet van nieuwe dingen, maar ik ben in gedachten altijd bezig met mijn schrijverschap. Met erkenning en succes. Gezien en begrepen worden. Misschien hoop ik wel dat er wat dat betreft ver- zadiging optreedt.

Wat is uw grootste angst?
Om na mijn dood geen sporen achtergelaten te hebben die minimaal een eeuw blijven liggen. Dat ik als een nummertje geleefd heb, kleurloos, en dat er na tien jaar niemand meer over me praat. Ik reken weleens uit hoeveel mensen zich me zullen herinneren als ik precies op dat moment doodga.

Bidt u weleens?
Ik ben niet gelovig maar ik heb het vier of vijf keer gedaan op momenten dat ik echt radeloos was. Dan bid ik tot drie goden in verschillende talen.

Wanneer was u het gelukkigst?
Ik denk als baby.

Bent u aantrekkelijk?
Ik kan het zijn, maar ben het denk ik over het algemeen niet. Ik heb een duistere, negatieve uitstraling en verwaarloos mezelf de laatste tijd een beetje. En als je het puur over schoonheid hebt, denk ik niet dat ik het gemiddelde overstijg.

Waar schaamt u zich voor?
Mijn onderontwikkeldheid.

Bent u monogaam?
Ja, sinds ik met mijn huidige vriendin ben wel. Het is voor het eerst dat ik samenwoon en echt een serieuze poging doe om monogaam te zijn.

Lijkt u op uw vrienden?
Totaal niet. Ik heb drie vrienden die niks met elkaar gemeen hebben, en eigenlijk ook niet met mij. De een is een geslaagd ondernemer met veel geld, de ander is een crimineel, en ook mijn uitgever (Mai Spijkers – red.) is de afgelopen jaren een van mijn beste vrienden geworden.

Welke eigenschap waardeert u in een man?
Hoffelijkheid, verzorgdheid en niet gierig zijn.

Welke eigenschap waardeert u in een vrouw?
Ik houd van dominante, non-conformistische vrouwen die niet bij een groepje hoeven te horen. En ondanks de feministische golf die er nu is, houd ik van klassieke vrouwen met een zorgzaam karakter. Het maakt me niet uit of ze meer verdient dan ik, maar ik vind het onaantrekkelijk als een vrouw niet eens een ei kan bakken.

Als u iets aan uzelf kon veranderen, wat zou dat dan zijn?
Ik zou willen dat ik geen slaapstoornis had. Gemiddeld slaap ik vier uur per nacht.

Van wie houdt u het meest?
Van mezelf. Volgens mij leven we in een tijd dat iedereen als puntje bij paaltje komt voor zichzelf kiest.

Wat is uw grootste mislukking?
Dat ik in Amsterdam heb proberen te wonen. De drukte, de mensen, de viezigheid: alles waarvan ik het van tevoren vermoedde, bleek me inderdaad tegen te staan. Uiteindelijk ben ik gewoon een provinciaal met een dorpsmentaliteit.

Welk leed heeft u anderen berokkend?
Als tiener was ik een klootzakje, vechten in de kroeg en zo. En ik heb veel ex-vriendinnetjes pijn gedaan door ze te bedriegen.

Waaraan bent u het meest gehecht?
Aan mijn kluizenaarsbestaan. Ik ga alleen voor het noodzakelijke naar buiten.

Wie hoopt u nooit meer terug te zien?
Mijn vader. Ik zie hem heel soms lopen in Deventer maar hij herkent mij niet meer.

Hoe is ongeluk te vermijden?
Ik zie ongeluk niet als iets slechts. Het is een inspiratiebron. Ik wil juist meer ongeluk in mijn leven.

Wat is uw devies?
Hard werken loont./