Waarom we bij het Oekraïne-verdrag niet kunnen kiezen

Als politiek volger wordt me vaak gevraagd wat ik zelf stem, maar er wordt me bijna nooit gevraagd anderen te adviseren. Over zoiets sufs als het associatieverdrag tussen de EU en Oekraïne is het knap ingewikkeld de juiste stembepaling te geven.

Dat is opmerkelijk. Meestal zijn die mensen namelijk wel in staat om hun keuze te bepalen. En nee, ze lezen ook geen partijprogramma’s, dus dat ze het associatieverdrag inhoudelijk niet kennen is geen argument. Er zijn mijns inziens twee redenen die tot de wanhoopsdaad (te weten: ondergetekende om stemadvies vragen) leiden.

1) De (anti-)sympathie voor de referendumorganisatie
Ik denk dat een meerderheid van de bevolking zich zorgen maakt over de slecht controleerbare macht in Brussel. Zelfs bij Europa-adepten als D66 hoor ik zulke geluiden. Europese samenwerking is goed, maar onze macht overleveren aan knoflook-democratieën, radicaal linkse en rechtse club en halve dictators – dat is van een andere orde. Brussel lijkt zich bovendien steeds minder van regeringen aan te trekken. In bijvoorbeeld Griekenland en Polen hebben we kunnen zien hoezeer de EU de keuze van de lokale bevolking – wat je daar ook inhoudelijk van vindt – feitelijk niet respecteert. De EU is een trein die niet meer gestopt lijkt te kunnen worden door een bevolking, maar die over ze heen dendert als ze niet aan boord springen.

De kinderlijke schreeuw om aandacht die het Oekraïne-referendum is, de angst die eruit spreekt, is daarom begrijpelijk. Sympathiek misschien zelfs. 450.000 mensen vinden het nodig dat wij ons over zoiets belangrijks kunnen uitspreken. Wat daar weer niet zo bij helpt is het radicale karakter van de organisatoren. De nee-campaigners steken, gelijk de Europese politici, een middelvinger op naar de burger door te zeggen dat dit hele associatieverdrag ze niet boeit en ze uiteindelijk een Nexit willen forceren. Dat gaat velen (op dit moment) veel te ver. In analogie met de Zwarte Pietendiscussie lijkt het alsof je bij dit referendum bij een nee voor het ‘afschaffen’-kamp van Quinsy Gario bent en bij een ja voor de Pietitionisten.

2) De uitkomst is multi-interpretabel
Het tweede probleem is dat de uitkomst van het referendum voor meerdere uitleggen vatbaar is. Als je, zoals in de VS, voor een presidentskandidaat kiest, dan wordt de een het wel en de ander het niet. Als je in Nederland voor een partij kiest geldt dat al minder (daarom ben ik voor invoering van dit systeem), maar als je de PvdA stemt weet men wel dat je voor de PvdA bent. Nu lijkt dit referendum een simpele keus: voor of tegen. Maar dat is niet het geval. Ten eerste is daar de opkomstdrempel van 30 procent. Als hij niet wordt gehaald is het referendum niet geldig. Het is onduidelijk of de drempel wordt gehaald, waardoor het een serieuze afweging is om wel of niet op te komen dagen. Vooral voor wie in het ja-kamp zit, omdat alle peilingen wijzen op een grotere steun voor het nee-kamp. Niet op komen dagen gaat echter niet alleen tegen het principe van ‘de democratische plicht’ in, maar is ook een signaal. Blijkbaar leeft het onderwerp (‘Welke kant willen we op met Europa’) niet zullen de pro-Europeanen concluderen, terwijl die zorgen er wel zijn.

Blanco stemmen dan? Dat helpt indirect het nee-kamp (want het telt mee in de opkomst) en bovendien is ook hier onduidelijk wat je bedoelt: heb je geen mening? Vind je het allemaal wel best zoals het gaat? Of vind je beide opties even verschrikkelijk?

Wat je ook stemt: óf de anti-EU’ers gaan ermee aan de haal, óf de orthodoxe pro-Europeanen. Voor de gematigde, bezorgde democraat valt er weinig te kiezen. Succes morgen.