Waarom het wielrennen moet blijven zoals het nu is

In het weekend na de Giro d’Italia zat ik alweer wielrennen te kijken. Het was sterker dan mezelf. De wedstrijd heette ‘Hammer Series’ en was aangekondigd als een eerste stap in de vernieuwing van de koers.
A small step for Tom Dumoulin, a giant step for cycling.

Ik keek en ik vermaakte me. Er gebeurde voortdurend iets wat ik niet verwachtte, renners begonnen op schijnbaar willekeurige momenten te sprinten als gekken, omdat de Hammer Series een soort puntenkoers was waarin niet de individuele renner wint, maar de ploeg. Of zo.

Wielrennen
Beeld: ANP/Marcel van Hoorn

Dumoulin zelf was enthousiast. Hij zei: “We leven in een tijd met een telefoon die alles kan. En dan kijk ik wielrennen op tv en dan valt het een beetje tegen.” Het was leuk hoor, de Hammer Series, maar met wielrennen had het weinig te maken. Het leek erop, maar het hart was eruit. En op de plek waar het hart had gezeten, was er een door een creatief bureau (hoed je voor creatieve bureaus!) geconstrueerde set spelregels geplaatst. Alles met dat ene doel. Het moet spannend, het moet spectaculair en vooral: het moet anders.

Een jaar eerder kreeg een wetenschappelijk onderzoek uit België al veel aandacht. Conclusie van de onderzoekers – dit waren economen (hoed u voor economen) – was dat er snel iets moest gebeuren, want anders zou de gemiddelde wielerliefhebber de komende jaren alleen maar ouder worden en sterven, en hij zou de sport met zich mee z’n graf in sleuren.

De wetenschappers drongen aan op grondige vernieuwingen van de sport, zodat die meer geschikt zou worden voor de zapgeneratie. (Ik heb zelf enige tijd in academische kringen doorgebracht. Mijn voorstel om wetenschappelijk onderzoek drastisch in te korten en artikelen in The Lancet interessant te maken voor de zapgeneratie werd destijds ook niet erg serieus genomen.)

De onderzoekers kregen opvallend veel bijval. Het wielrennen dient zich dringend aan te passen. Iedereen zegt het, dus zal het wel zo zijn. De schrijvende oud-renner Michael Berry schreef er in 2012 al over en de Australiër Michael Rogers in 2014. Zelfs Oleg Tinkoff, de Russische halvegare die een tijdje zijn uit onduidelijke bronnen afkomstige miljoenen in een grote wielerploeg pompte, ging eind 2015 in een Facebookpost helemaal los. Zes aanbevelingen had Tinkoff om het wielrennen grondig te hervormen en er een moderne beeldsport van te maken:

  1. Wielerploegen moeten inkomsten halen uit tv-uitzendingen en deelname aan wedstrijden (m.a.w.: onafhankelijk worden van hun sponsors)
  2. Wielerwedstrijden moeten meer geld genereren uit tv-rechten
  3. Tv-stations moeten meer kijkers lokken,
  4. Wedstrijden moeten een interessante show zijn
  5. Er moet een wieler-star academy opgericht worden en we moeten de kijkcijfers opkrikken
  6. Alle sterren moeten meerijden in de grootste wielerwedstrijden.

Je zou die zes argumenten ook in twee woorden kunnen samenvatten: meer spektakel. Maar twee woorden maken een minder grondige indruk dan een heus zespuntenplan.
(Een jaar later toonde Tinkoff ons hoe gevaarlijk het is als wielerploegen afhankelijk zijn van een sponsor of een mecenas, door de hele boel uit zijn handen te laten vallen en op zoek te gaan naar een nieuw speeltje. Je zou kunnen beargumenteren dat Tinkoff het wielrennen veranderd heeft, op dezelfde manier waarop je kunt verdedigen dat Trump de Amerikaanse politiek heeft veranderd.)

Vijf dubieuze denkstappen

Iedere keer dat ik weer iets lees over de vernieuwingen in de wielersport, word ik een beetje misselijk. En ik zal uitleggen waarom, in vijf dubieuze denkstappen, die hopelijk niet in twee woorden kunnen worden samengevat.

De renners maken de koers
Wielrennen
Beeld: ANP/Bas Czerwinski

Om maar eens met een cliché af te trappen. Je kunt de opzet van de sport veranderen, maar de sporters niet. Die zijn er gewoon. Geen pr-figuur zal ooit iemand als Peter Sagan kunnen verzinnen, of een Peter Winnen, of een Fausto Coppi. Zij zijn de protagonisten, zij hebben geen reclamecampagne nodig, geen protocol. Juist bij een totaal gebrek aan regie floreren zij.

(In deze Tour rijdt de Fransman Martin mee. Een talentvolle klimmer die kortgeleden zijn scriptie geschreven over Nietzsche heeft afgerond. Hij is de kopman in de ploeg van Hilaire Van Der Schueren, een soort comedyseriekarikatuur van een Vlaamse ploegleider. Samen schijnen ze tussen de etappes door over Macron te discussiëren. Zo’n beeld krijgt de wielerfan gewoon gratis. Daar kan geen reclamebureau tegenop.)

In de echte wereld
Wielrennen
Beeld: ANP/AFP Foto/Belga/Kristof van Accom

Mediamiljonair Wouter Vandenhaute kocht de Vlaamse klassiekers en een van de eerste dingen die hij deed was van de Ronde van Vlaanderen een criterium maken, inclusief VIP-tent op de Oude Kwaremont. Niets tegen criteriums hoor, of nou… eigenlijk wel. Criteriums tasten het wezen van de sport aan. Wielrennen gaat van A naar B (en van B naar C enzovoort, het hele alfabet rond). Het is een reis, geen rondwandeling door het bos om de hoek. Wie weer op dezelfde plek uitkomt, heeft niet gekoerst, maar een stukje gefietst. (Uitzondering op deze regel is uiteraard Luik-Bastenaken-Luik).

Die reis – met zijn almaar wisselende landschappen, zijn veranderende weersomstandigheden, provincie- en landsgrenzen die overschreden worden – maakt het wielrennen tot wat het is. Geen enkele andere sport maakt zo direct onderdeel uit van de echte wereld, in geen enkele andere sport kun je landen en streken leren kennen door gewoon naar een wedstrijd op tv te kijken. Er zijn mensen die om uiteenlopende redenen nooit op vakantie kunnen, maar dankzij de Tour toch elk jaar drie weken door Frankrijk reizen. Dat kan alleen de koers.

(Ja maar, zegt u – wielerliefhebber – nu: is het niet hartstikke geinig dat je naar de koers kunt gaan en al je favorieten drie, vier, vijf keer voorbij ziet komen, en er nog een glaasje sjampoepel bij geserveerd krijgt? En zou het niet nog leuker zijn als je ze tien, twaalf, twintig keer langs zou zien komen, en het glaasje een fles zou zijn?
Speciaal voor u de volgende boodschap: die sport bestaat al. Hij heet baanwielrennen en de bar is er de hele avond open.)

Afschrikwekkend voorbeeld: de Champions League

Ruim twintig jaar geleden veranderde in het voetbal de Europacup I van naam. Voortaan heette dat toernooi, waarin de kampioenen van alle Europese landen het tegen elkaar opnamen, de Champions League.

Inmiddels is de Champions League een Europese elitecompetitie waaruit de kampioenen van landen waar geen televisiegelden te halen vallen uit verdreven zijn. Jaar in, jaar uit spelen de beste (lees: rijkste) ploegen uit Europa tegen elkaar, vol elftallen van internationale sterren die bij voorkeur ook nog eens ieder jaar van club veranderen, want alleen op die manier kan het geld snel genoeg worden rondgepompt.

Er is, om kort te gaan, weinig meer aan. Het is een denkfout dat fans alleen maar de beste spelers willen zien spelen, in de mooiste stadions, zo vaak mogelijk. De Champions League heeft in zijn allesverslindende geldzucht het belangrijkste economische principe uit het oog verloren: vraag en aanbod. Wie zoveel aanbied, overvoert mensen. Twee keer per seizoen Barcelona-Real Madrid is te gek, acht keer per seizoen Barcelona-Real Madrid is vooral gek. Het is fantastisch om Messi te zien spelen, liefst zo vaak mogelijk, maar zijn glans neemt alleen maar toe als je soms ook gedwongen bent naar Bas Dost te kijken.

Als het aan Tinkoff, en aan veel andere vernieuwers, ligt, krijgt het wielrennen een eigen Champions League. Met de beste renners en de grootste wedstrijden. Een beginnetje is al gemaakt, met de introductie van de ProTour. Tinkoff wil renners verplichten alle grote wedstrijden te rijden. Wat er nu precies interessant is om Chris Froome 73ste te zien worden in de Giro, of in de derde etappe van de Vuelta te zien afstappen omdat hij tegen zijn wil moest starten, vertelt hij er niet bij.

Wielrennen
Beeld: ANP/Bas Czerwinski

Wordt de ProTour daadwerkelijk een soort Champions League, dan zullen er vijf of zes topploegen ontstaan, acht misschien. Ploegen waar alle renners bij willen rijden, ploegen die alle gelden onder elkaar verdelen, ploegen met de beste doktoren, salarissen, materialen en renners, ploegen die de wedstrijden van hun gading volkomen zullen controleren, zoals Sky dat doet in de Tour.

Juist een eerlijker verdeling van geld en aandacht, een democratischer opzet, zal ervoor zorgen dat de top breder en minder allesoverheersend wordt. En dus: spannender. Het zal ervoor zorgen dat kleine ploegen en onbekende renners kansrijk blijven in grote wedstrijden. Het creëren van een elite zal de sport uiteindelijk slopen, zoals de Champions League bezig is het voetbal kapot te maken.

Mocht die elitisering zich toch doorzetten, dan zal niet lang duren voor er een snel groeiende beweging ontstaat (Against Modern Cycling) die populaire reisjes naar de Driedaagse van West-Vlaanderen organiseert. En dan ben ik de eerste die een kaartje koopt.

Kleine veranderingen kunnen al grote gevolgen hebben

Natuurlijk moeten er dingen veranderen. Alles verandert. Kleine moeite om apps aan te bieden waarop mensen de snelheden, wattages en posities van hun favoriete renners te allen tijde kunnen volgen. Kleine moeite ook om de veiligheid van de renners te waarborgen door het publiek wat meer op afstand te houden onder het motto: aanraakbaarheid is mooi, maar het dronken zwaffelen van wielrenners in volle sprint hoeft niet nodeloos te worden aangemoedigd.

(In dat kader: waarom zou je in sprintritten slechts de laatste drie kilometer tijdverliesvrij maken voor klassementsrenners? Wat is er tegen tien kilometer?)

Maar begin maar meteen met het iets verkleinen van de pelotons en het verkorten van de parkoersen. Niemand heeft baat bij etappes van meer dan 200 kilometer. Lange wedstrijden leiden tot controle, tot angst en tot een bijna bovenmenselijke saaiheid. Korte ritten, vooral in de bergen, leveren enthousiasme en anarchisme op. Dit komt de aantrekkelijkheid (en dus ook de commerciële kracht) ten goede.

Bovendien zijn ze een stuk gezonder.

Aanpassen aan de wensen van mensen is dodelijk

Wij zijn allen consumenten. De hele dag worden we aangesproken als spullenkopers. Als het aan die Belgische economen ligt (of aan Tinkoff, of aan al die andere grote denkers die zich over de toekomst van de koers hebben gebogen), wordt de wielerfan voortaan ook aangesproken als wilsonbekwame consument en gaat de sport op zijn hurken voor de groep kleuters die marketeers verwarren met een doelgroep.

Wielrennen
Beeld: ANP/AFP Foto/Lionel Bonaventure

Het allerstomste wat het wielrennen kan doen, is zich aanpassen aan wat de consument mogelijk wil. De consument is een onbetrouwbare zak, een wispelturig figuur die iedere vijf minuten is uitgekeken op wat hij net nog te gek vond, een barbaar die voortdurend geprikkeld moet worden. “Geef me wat ik wil, anders ga ik wel naar de concurrent” zegt de consument.

Ik voorspel: die consument, dat afschuwelijke monster dat door economen en marketeers wordt geschetst, die ga je nooit bevredigen. Het zal nooit snel genoeg zijn, nooit hapklaar genoeg. Als je je oren laat hangen naar de consument, zou een sprintetappe in de Tour drie kilometer moeten zijn, inclusief twee dodelijke valpartijen en een onverwachte winnaar. Vandaag tenminste, want morgen moet het nog spectaculairder. Het is een misverstand dat je mensen moet geven wat ze wil. Je moet je energie steken in uitleggen waarom ze willen wat jij te geven hebt.

De schoonheid van de koers zit in wat je niet ziet. Er is tijd en energie voor nodig om dat te begrijpen. Om van wielrennen te houden, zul je moeite moeten doen. En in een wereld waarin in toenemende mate niets moeite kost, waarin alles precies zo wordt aangeboden als de meerderheid het graag ziet, is het wielrennen de ultieme niche. Een trage wereld, een anachronisme die zijn tradities in ere houdt, door er bescheiden aanpassingen in aan te brengen.

(Ja maar, zegt u, wielerliefhebber dan, het wielrennen is nota bene geboren uit commerciële overwegingen! Er moesten kranten verkocht worden, toch? Klopt, maar het wielrennen is ontstaan in een tijd dat het wielrennen nog niet bestond. De eerste organisatoren hadden geen traditie die ze om zeep konden helpen en slechts een vage notie van het plezier dat een jaarlijks terugkerend klassiek voorjaar biedt. De meeste beroemde schilderijen werden ook ooit gemaakt in opdracht van rijke opdrachtgevers. Ze waren handelswaar, ver voor ze ook cultureel erfgoed werden. Een beetje zoals de koers, eigenlijk.)

“We hebben simpele verhaallijnen nodig,” legde Dumoulins ploegleider Iwan Spekenbrink een tijdje terug uit. “Alleen zo kunnen we mensen uit andere werelddelen trekken.” Allemachtig: alsof er al niet genoeg simpele verhaallijnen zijn. De wereld is vergeven van simpele verhaallijnen! En die simpelheid is vaak niet meer dan een leugen, verpakt in een trailer van vijftien seconden. Wielrennen is als het leven: ingewikkeld, soms saai en vaak niet te volgen. Wie gelooft dat je de sport kunt opknippen in simpele verhaallijnen, gelooft ook dat je het oeuvre van Proust beter kunt samenballen in een novelle van 120 bladzijden, inclusief moord aan het begin om de spanning op gang te houden.

Gat in de markt

Een tijdje geleden zat zanger Blaudzun bij Tour du Jour. Hij vertelde over zijn nieuwe single, die gaat over het jaar 2087 en dat het dan onmogelijk zal zijn om nog te verdwalen. Vanwege iPhones en zo.

Daar moest Wilfred Genee even om gniffelen, maar Blaudzun had natuurlijk gelijk: de plekken waar we nog kunnen verdwalen, die ons vervreemden en in het ongewisse laten over waar we ons precies bevinden, verdwijnen in rap tempo. En iedere keer dat ik Bobbie Traksel op Eurosport hoor mopperen op de slechte gps-tracking en over dat we toch in 2017 zitten, denk ik: man, wees blij. In het wielrennen kun je nog verdwalen, je kunt erin verdwijnen en je kunt erdoor verzwolgen worden. De koers is de enige plek op aarde waar de tijd soms sneller gaat, en soms tergend traag.

Er komt een dag, en hij is niet veraf meer, dat we (Bobbie Traksel incluis) terugverlangen naar een onoverzichtelijke koers waarin je er het raden naar hebt wie waar rijdt. We zullen terugdenken aan ellenlange, volkomen prikkelarme sprintetappes in de Tour en denken: dat was eigenlijk zo gek nog niet. Het wielrennen als trage, onaangepaste, prikkelarme vluchtheuvel in een totaal overprikkelde wereld: ik zeg het niet graag, maar volgens mij is het een gat in de markt.