Anna van der Breggen: hoe het voelt om ongelofelijk gelofelijk te zijn

Frank Heinen 1 okt 2018 Mening

Ongelofelijk. Dat was het, toen Anna van der Breggen zaterdagmiddag wegreed. Ongelofelijk in de betekenis van: het gebeurt, je gelooft het niet, maar omdat het maar blijft gebeuren, kun je niet anders dan het geloven – een beetje zoals wanneer de treindeuren al vergrendeld zijn, en je ongelovig op het knopje blijft rammen, maar dan leuk.

De weg waarop Anna van der Breggen reed leek vlak, maar was het niet. Achter haar deden enkele achterblijvers met touwen en pikhouwelen verwoede pogingen boven te komen. En Anna van der Breggen reed maar door. Over haar stuur gebogen, haar blonde vlecht wapperde achter haar aan, als een lint aan een auto voor pasgetrouwden.

Eerst viel Anna van der Breggen haar tegenstanders aan. Daarna haalde ze ze in en zoefde ze ze voorbij, vervolgens gaf ze ze de genadeslag, om ze tenslotte te degraderen, te vernederen en te verbouwereren. En die teller linksboven in het scherm, die bleef maar oplopen.

Paardenbloempluisje
Op zo’n tien kilometer van de streep was er van tegenstand al lang geen sprake meer. Er zwalkten nog wel deelnemers her en der over het parcours, een beetje zoals je bij het zaklopen altijd nog moet wachten op die twee die in hun zak verstrikt nog ergens in het bos liggen te spartelen. En omdat een kanon als Anna van der Breggen zich nou eenmaal ergens op moet kunnen richten, besloot ze daarom maar ook nog maar even het parcours in zijn hemd te zetten. Dat gebeurt zelden, in het wielrennen. Het parcours blijft meestal buiten schot. Het parcours is een vaststaand gegeven waar verder niet aan getornd wordt. Een parcours kan zwaar zijn, of licht, of onmenselijk. Hoogstens wordt achteraf, na de koers, vastgesteld dat het mee- of tegenviel. Maar dat een wielrenner op eigen houtje van een zwaar parcours een soort jogrondje door het buurtpark maakt, dat gebeurt eigenlijk nooit. Niemand wist dat het kon, maar Anna van der Breggen versloeg, nu ze toch bezig was, in één moeite door de parcoursbouwers, de voorbeschouwers en iedereen die dacht nog wel even een boodschapje te kunnen doen alvorens in te schakelen voor de finale. De teller die haar voorsprong aangaf werd er een beetje onrustig van. Hij haperde, alsof zelfs de tijd zich afvroeg of dit wel klopte?
Ja, dit klopte.

Anna van der Breggen was ongelofelijk, zaterdag. Ze reed als van die vooroorlogse Tourwinnaars die driehonderd kilometer soleerden door spookachtige dorpen en ondoordringbare wouden, en altijd met storm tegen, types die tussen de sneeuwwanden en door dikke plakken mist op zoek moesten naar de top van een nog naamloze Alp, onderweg nog een vijandige inboorling doodknuppelden en meestal pas na een dag of tien de finish van een enkele etappe bereikten, tenminste, dat hoopten ze, want de organisatoren waren al lang vertrokken. In die tijd, waarin je alleen bij de eerste tien van het Tourklassement eindigde als je genoeg geld bezat om minstens de helft van de route per trein af te kunnen leggen, kon het nog wel eens voorkomen dat het verschil tussen de nummers 1 en 2 vier minuten betrof.
Vier minuten. Dat was zo’n beetje het verschil dat Anna van der Breggen zaterdag in een krap uurtje bij elkaar fietste. Niet ten opzichte van twee dikke dames op een ouwe snorfiets, maar op de beste rensters ter wereld, mensen die net als zij jaren hebben getraind, onder de beste begeleiding en met het beste materiaal, om, puntje bij paaltje, te worden weggeblazen als een paardenbloempluisje in een blonde storm.

Het was, ik herhaal het nog maar eens, ongelofelijk.

Nou heb ik in mijn leven de nodige gedachten gewijd aan ongelofelijke dingen. Ik heb zelf vrij lang vrij zeker geweten dat ik het zelf was. Ongelofelijk, dus. Ik wist alleen niet precies waarin. Maar dat zou het probleem niet zijn: het ongelofelijke zou mij vanzelf weten te vinden, ik zou het alleen maar hoeven opwachten. Ik begon me vast te gedragen als een ongelofelijk iemand, zocht aansluiting bij ongelofelijke vrienden en kleedde me als iemand die iets ongelofelijks kon. Een tijdlang werkte dat uitstekend. Mensen geloofden dat ik daadwerkelijk ongelofelijk was, al wisten ze ook niet precies wat ze dan niet zouden kunnen geloven. En omdat anderen me geloofden, ging ik er zelf in geloven, althans, tot het moment dat ik begreep dat wie mensen moet laten geloven dat-ie ongelofelijk is, het al niet kan zijn. Ik zou er nooit achter komen hoe het is om ongelofelijk te zijn.

Een spaatje
Zaterdag zag ik Anna van der Breggen. In de mixed zone, op het podium en later, in een hotellobby, met Herman van der Zandt (dit klinkt suspecter dan ik het bedoel). De ongelofelijke maakte alweer een uiterst normale indruk. De storm was gaan liggen. Ze sprak zacht, oogde bescheiden, vermoeid, een beetje beduusd. Ze keek als iemand die alle keukenkastjes heeft uitgesopt en droeg haar regenboogtrui als de verlegen hoofdrolspeelster die alleen welkom is op de première van haar eigen film als ze een avondjurk draagt. Je vergeet soms hoe gewoon ongewone mensen zijn. Dat je naast een Nobelprijswinnaar kan staan plassen, dat je Messi tegen een glazen deur ziet lopen of dat je naast Anna van der Breggen aan de bar staat. Dat laatste gebeurde me ooit, in een kolossaal café in Arnhem. De ongelofelijke wereldkampioene van Innsbruck 2018 wilde een spaatje bestellen, maar werd steeds overgeslagen. Eén man drong zelfs over haar hoofd heen voor. Daar moest ik zaterdag aan denken, aan dat beeld van zomaar iemand aan de bar, en dat absurde talent goed weggestopt onder een deken van gelofelijkheid.

Reageer op artikel:
Anna van der Breggen: hoe het voelt om ongelofelijk gelofelijk te zijn
Sluiten