Waarom ik geen zin meer heb om na te denken of u hier wel op clickt

Meredith Greer 20 okt 2018 Mening

Een week of twee geleden was het weer zo ver. Ik was weer een hele dag bezig met een fucking tweet. Het eindigde ermee dat ik aan mijn meewarig kijkende geliefde vroeg of ze het wachtwoord van mijn Twitteraccount voor me kon veranderen. Want hoe vaak ik haar ook uit de doeken doe wat een kutgevoel ik overhoud aan deze manier van deelnemen aan het publieke debat, ik blijf er maar terugkomen. Deels vanwege de inhoud, vanwege de mensen van wie ik wil weten wat ze lezen en wat ze vinden, vanwege de onderwerpen waar ik me over uit wil spreken en het platform dat het me biedt. Maar ook omdat het me kennelijk het gevoel geeft dat ik belangrijk ben, dat mijn stem ertoe doet en dat ik niet onopgemerkt ben gebleven.

Deze manier van publiekelijk debatteren haalt het beste en het lelijkste in mensen naar boven. En het lelijke kan ik de laatste tijd moeilijk naast me neerleggen. De eindeloze, eindeloze, maar ook echt eindeloze open beerput van agressieve anonieme scheldschreeuwers enerzijds. De online zuiverheidscultus waar Lisa Bouyeure al over schreef anderzijds, waarbij jaren aan werk en gedachtegoed in een klap ‘gecancelled’ worden vanwege een misstap. De screenshots van gesprekken die uit de context worden gehaald, worden voorzien van een afzeikcaptions, om gemakkelijke punten te scoren zonder dat je daadwerkelijk in gesprek hoeft. Allemaal vást een inhoudelijk kritiekpunt, en vást niet persoonlijk bedoeld.

Maar wie de bal kaatst, kan hem terugverwachten. Ik ben zelf ook scherp, en hard in mijn uitspraken en bewoordingen. Ik denk ook niet iedere keer na over hoe het bij de persoon aankomt als ik kritiek heb. Ik heb me ooit, toen ik begon met het schrijven van columns, voorgenomen hard op de inhoud te zijn, en altijd beleefd op de persoon te blijven. Maar inmiddels ben ik al zo lang volledig vergroeid met mijn sociale media, dat ik geen flauw idee heb of ik niet net zo hard heb bijgedragen aan hetgeen me nu de keel uitkomt. Of ik niet ook shitty subtweets de wereld ingooi waarin ik mijn ogen rol en kutopmerkingen maak zonder daadwerkelijk een gesprek aan te gaan. En of dat misschien anders was, toen 300 mensen me volgden, versus hoe nu een stomme hersenscheet soms honderden retweets krijgt.

Moe van dit circus

Iemand reageerde dat ze moe van mij wordt, omdat ik ieder keer als ze me langs ziet komen, wel érgens moe van wordt. En op dat moment word ik ook even heel erg moe van mezelf, en van dit circus. Want ik kan niet schrijven zonder dat ik ergens een oprechte emotie bij voel. Ik hecht er waarde aan dat ik schrijf op een manier die voor mij waarachtig voelt. En er is ook zoveel in de wereld om me oprecht druk over te maken. Maar de stukken waarin ik bedachtzaam ben, genuanceerd ben, mijn best doe om me door taaie rapporten heen te worstelen – die gaan niet viral. Die worden niet gelezen door de mevrouw die zo moe van me wordt.

Ik ben opgegroeid met het internet, tot wasdom gekomen op sociale media. Ik ken dit circus uit mijn hoofd, ik kan het uittekenen. Het is onderdeel van mijn werk om te weten waar we het over hebben, waar het schuurt, wat prikkelt, wat het scherpst van de snede is. Maar ondertussen kan ik geen zin meer opschrijven zonder dat ik in mijn hoofd al uit kan tekenen wie erop gaat reageren en hoe. Soms escaleert het harder, en andere keren valt het mee, maar het is zelden meer dan een herhaling van zetten. Alle geïnternaliseerde oogrol-gifjes en de verdraaide woorden die me in de mond worden gelegd, zijn inmiddels een oerwoud om me met een machete doorheen te vechten voordat ik nog een zin op papier kan krijgen.

Ik werd van de week aangekondigd bij een voordracht als ‘Twitterkoningin’. De essaybundel waar ik nu al meer dan vijf jaar aan probeer te werken, blijft op de plank liggen omdat er weer iemand ongelijk had op het internet. Het ging zo ver dat een bevriende redacteur een van de stukken las, waarin ik vragend schrijf vanuit persoonlijke herinneringen, bezinning en analyse, en reageerde met ‘ik mis Meredith in dit stuk’. Kennelijk is een stuk waarin ik niet woedend of verontwaardigd ben, niet herkenbaar als een stuk van mij.

De essaybundel waar ik nu al meer dan vijf jaar aan probeer te werken, blijft op de plank liggen omdat er weer iemand ongelijk had op het internet

Ja, ik ben net zoals veel vrouwen op dit moment boos. En net zoals zoveel mensen op dit moment bezorgd, en verontwaardigd. Er is niets mis met woede. Er is zo veel om woedend over te zijn. De mensen die er moeite mee hebben, hebben er vaak een stuk minder problemen mee als een man precies hetzelfde schrijft. En daarbij kom ik nog met een stuk meer dingen weg dan mijn collega’s met een kleurtje of een hoofddoek. Maar ik heb geen enkele behoefte om me te laten typecasten als boosmevrouw, omdat de ophefmachine iedere week weer nieuwe onderwerpen nodig heeft. Ik heb geen zin om me te laten reduceren tot clickbait.

Ik behoud mijn recht om woedende stukken te schrijven wanneer ik ze gerechtvaardigd vind. En ik ga nu niet met veel bombarie van mijn allergrootste platform af. Maar ik zal geen onderwerpen meer laten liggen omdat ze te veel, of te weinig ophef veroorzaken. Ik ga me even wat minder bezighouden met wat u allemaal tegen me te zeggen hebt. Voorlopig bepaalt de vrouw van wie ik hou nog even hoe vaak ik op Twitter mag, en ga ik de tijd die ik daardoor overhoud gebruiken om stukken te schrijven zonder erover na te denken of u er wel op clickt.

Reageer op artikel:
Waarom ik geen zin meer heb om na te denken of u hier wel op clickt
Sluiten