Spring naar de content
bron: Lukas Göbel

Bert Wagendorp: ‘Dat schrijven wordt een onmogelijk beroep’

Bert Wagendorp (Groenlo, 1956) is columnist voor de Volkskrant en schrijver. Het vervolg op zijn wielerroman Ventoux verscheen vorige week: Ferrara. Echt optimistisch is Wagendorp niet gestemd over de toekomst van het boekenvak.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Kevin van Vliet

Zeg, dat boek van u, waar gaat dat eigenlijk over?
“Ferrara gaat over een groep mannen van een bepaalde leeftijd die zich moeten bevrijden van hun eeuwige drang naar status, geld, roem en seks. Het is een vervolg op Ventoux, waarin die mannen besloten nog eens de Mont Ventoux te beklimmen. Een boek over de eeuwige jeugd. Ferarra gaat over de vergankelijkheid. Hoe vul je de rest van je leven zinvol in?”

Ventoux werd verfilmd na verschijning. De verfilming van Ferarra was al besteld voordat u het boek af had. Stond de druk van de filmbewerking het schrijfproces in de weg?
“Soms wel. Ik schrijf niet aan de hand van een plan. Ik schrijf associatief. Vaak weet ik niet waar het verhaal eindigt. Maar in het geval van Ferarra schreef ik eerst het filmscript, althans de hoofdlijnen, voordat ik aan de roman begon. Ineens had ik een structuur en daarmee heb ik mezelf flink in de weg gezeten. Die structuur moest overboord voordat ik aan het boek zelf kon beginnen.”

Hoe lang heeft u aan de roman gewerkt?
“Anderhalf jaar.”

Hoe ziet een gemiddelde schrijfdag eruit?
“Ik schrijf in de zomer, in de zes weken waarin ik geen column schrijf. Wilma en ik (vriendin Wilma de Rek, chef boeken bij de Volkskrant – KvV) gaan vaak naar het zuiden, naar Frankrijk of Italië. Ik sta dan ’s ochtends op tijd op, zo rond half negen. Wilma zit dan meestal ook te werken. We lezen stukjes van elkaar en rond een uur of vier gaan we naar het terras. Een heel leuke manier om de zomer door te brengen.
“Ik probeer de drieduizend woorden per dag te halen. Ik ken ook schrijvers, zoals Peter Buwalda, die al blij zijn met zeshonderd woorden, maar ik schrijf journalistiek. In mijn tijd als correspondent in Engeland heb ik geleerd om als een waanzinnige te schrijven en om snel informatie te verzamelen, zodat ik niet door de mand viel met bijvoorbeeld een artikel over de groei van de Engelse katoenindustrie. Na een paar weken heb ik dan de bulk van het boek – de klei waar het beeld in zit. Daarna begint het pielen en schaven.”

Ik probeer de drieduizend woorden per dag te halen.

Hoeveel verdient u nu eigenlijk met zo’n boek?
“Met dit boek heb ik een voorschot gehad van vijfduizend euro, hetzelfde bedrag dat ik kreeg bij Ventoux. Dat heb ik destijds wel terugverdiend. Al met al heb ik met Ventoux ruwweg een half miljoen bruto verdiend.”

U bent een broodschrijver.
“Nee, dat niet. Ventoux was een toevalstreffer. Het had zomaar op die vijfduizend euro kunnen blijven steken. Ik heb het te doen met de echte broodschrijvers. Rob van Essen, Atte Jongstra. Zij moeten leven van hun werk en er een stukje in de krant bij schrijven om de huur te kunnen betalen. Bij mij is het andersom. Bij de Volkskrant verdien ik mijn brood als columnist. Dit is een extraatje. Ik moet er niet aan denken dat ik van het schrijven zou leven, alleen de stress al. Wat als het niet verkoopt? Wat is commercieel interessant? Moet je je ineens aan de zware literatuur wagen omdat dat in de mode is. Ik kan dat helemaal niet.”

Echt optimistisch klinkt het niet.
“Ik ben bang voor het bestaan van de schrijver. Je ziet het nu bij Peter Buwalda. Otmars zonen haalt het in de verste verte niet bij de 350.000 van Bonita Avenue, en Peter is er wel acht jaar mee bezig geweest. Ik zei het gisteren nog tegen Wilma: dat schrijven wordt een onmogelijk beroep. De verkoop holt achteruit, schrijvers concurreren met smartphones en Netflix-series. Ten tijde van Bonita Avenue zei Peter eens: ‘godverdomme, dit hadden we vijf jaar eerder moeten hebben. Dan hadden we dubbel zoveel verkocht.’ Voor de crisis had je met een half miljoen verkochte exemplaren een bestseller, na de crisis al met 200.000. En nu zijn het er 100.000.”

Ilja Leonard Pfeijffer heeft zijn Grand Hotel Europa in negen maanden kunnen schrijven. Zijn agenda was leeg en een agent nam zijn zaken waar. Hij is de 100.000 exemplaren ruim gepasseerd. Het kan dus nog wel.
“Je moet heel goed nadenken over je imago en de uitstraling van je boek. En een relletje helpt altijd, zoals wat Ilja deed met die Libris-prijs. Ik vind Grand Hotel Europa een heel leuk boek, maar ja, het is mazzel. Je moet op het juiste moment verschijnen. Televisie helpt, de cover helpt. Het zijn een paar duizend puzzelstukjes die goed moeten vallen. En dan kun je achteraf zeggen: het is gelukt.
“Er wordt in Nederland heel goed geschreven, maar het is lastig om boven het maaiveld uit te komen. Ik lees nu Frank Heinen, De zaak Tom. Goed boek, goeie schrijver, maar waar blijft de aandacht voor dat boek? Het valt plat op de bek. Dat vind ik echt wel erg.”

Nederland heeft lang een ingedutte, saaie literatuur gehad.

Welke schrijvers schaart u onder uw vrienden?
“Mijn beste vriend is Wilfried de Jong. En Frank Heinen is ook wel een vriend. En Peter Middendorp, als collega-columnist. Verder kom ik uit op kennissen. Het schrijverswereldje is klein.”

Wie is uw favoriete Nederlandstalige schrijver?
“Van Jan van Aken heb ik alles gelezen. Hij is een meesterverteller. Een boek staat of valt voor mij met het verhaal. Ik ben een groot fan van de Amerikaanse literatuur, die een verhalende literatuur is, al sinds Moby Dick en Tom Sawyer.
“Nederland heeft lang een ingedutte, saaie literatuur gehad. Halverwege mijn studie Nederlands ben ik opgehouden met Nederlandse literatuur. Ik kon niet meer tegen die navelstaarderij. Dat is gelukkig aan het kantelen. Pfeijffer heeft een verhaal geschreven. Je wil weten hoe het verder gaat. De Nederlandse literatuur heeft ook lang moeten zuchten onder een bij de literatuur horende recensiecultuur. Het vlot leesbare verhaal was al gauw verdacht. Herman Koch, veertig miljoen verkochte exemplaren, daar moest wel iets mis mee zijn. Ook die cultuur is gelukkig aan het veranderen.”

Tot slot: op het huis van welke schrijver zou u wel een precisiebombardement willen laten uitvoeren?
Na een korte schaterlach: “Op het huis van geen enkele schrijver. Maar als ik iets zou mogen laten uitvoeren, dan een bombardement van jeukpoeder op het huis van bepaalde recensenten. In zowel de NRC als in de Trouw ging het over de literatuuropvatting van de recensent. Mijn boek wordt dan langs een ouderwetse opvatting gelegd van wat literatuur moet zijn. Kom op, denk ik dan, in welk jaar leven we? 2019 of 1952? Wat kan mij de literatuuropvatting van Thomas de Veen schelen? Wat kan mij Thomas de Veen überhaupt schelen?
“Als schrijver steek je veel tijd en moeite in een boek. Als je dan wordt afgefakkeld, dan wil je natuurlijk met alle plezier een Albanese huurmoordenaar inschakelen, want je bent kwetsbaar en je bent weerloos. Het niet lezen van zo’n recensie is de enige oplossing.”

Ferrara is verkrijgbaar bij uitgeverij Pluim voor 22,50.