Spring naar de content
bron: Mieke Meesen

Wie geld weghaalt bij nuttige wetenschap, richt de maatschappij ten gronde

Vanuit zijn woonplaats Genua beschouwt Ilja Leonard Pfeijffer wekelijks een onderwerp dat het Nederlandse nieuws beheerst. Deze week buigt hij zich over een potentieel desastreuze ontwikkeling in de wetenschap.

Gepubliceerd op:
Geschreven door: Ilja Leonard Pfeijffer

Het zou vanzelf moeten spreken dat de overheid het als haar taak ziet om de wetenschap in haar volle breedte te stimuleren en er trots in stelt om een zo rijk mogelijk palet aan specialismen te ondersteunen. Wie in de geschiedenis van de mensheid op zoek gaat naar succesvolle gemeenschappen, steden, landen of staten, die vandaag de dag nog steeds bewondering afdwingen, zal al gauw ontdekken dat een van de voornaamste gemeenschappelijke factoren voor al deze beschavingen gelegen is in het feit dat er een klimaat werd geschapen waarin wetenschappen tot bloei konden komen.

Maar de middelen zijn schaars, zeggen ze, en er moeten keuzen worden gemaakt. Dit is niet waar. De Nederlandse economie bloeit en schaarste aan middelen is slechts een kwestie van prioriteiten. Maar goed, laten we net doen alsof het wel waar is en meedenken over de vraag welke keuzen dan het verstandigst zouden kunnen zijn. Wat zijn de nuttigste vormen van wetenschap? Om dat te kunnen bepalen moeten we uiteraard vaststellen wat de grote vraagstukken zijn van deze tijd en de nabije toekomst.

Ten eerste zijn we gepreoccupeerd met identiteitskwesties. De sociale cohesie van Nederland staat onder spanning door verschillende interpretaties van tradities en symbolen. We hebben dus behoefte aan wetenschappers die tradities en symbolen kunnen interpreteren. Als we de hoop willen koesteren om ooit op een zinvolle en gestructureerde manier te discussiëren over Zwarte Piet, om maar een voor de hand liggend voorbeeld te noemen, kunnen we niet zonder historici, letterkundigen en kunsthistorici. Ook de identiteitsvraagstukken die geworteld zijn in etniciteit of religie creëren een grote behoefte aan historisch en filosofisch geschoolde specialisten. Als we een discussie willen voeren over de vraag of het waar is dat het christendom van nature vreedzaam is en de islam niet, hebben we godsdienstwetenschappers nodig en historici die de ontwikkeling van beide religies in een zinvol perspectief kunnen plaatsen.
Identiteitskwesties zullen onder druk van de globalisering alleen maar aan urgentie winnen. De vraag naar identiteit is in wezen een filosofische vraag. Terwijl collectieve identiteit een studiegebied is van de geschiedkunde en de sociologie, zijn individuele vraagstukken van identiteit al eeuwenlang onderwerp van de literatuur en andere kunsten.

De robotisering brengt ons tot de ultieme vraag: wat het betekent om mens te zijn?

Ten tweede beginnen we door te krijgen hoe ingrijpend en problematisch het is dat door toedoen van nepnieuws en andere verschijnselen op de sociale media de grens tussen feiten en fictie steeds meer aan het vervagen is. Dit is bij uitstek het domein van de filosofie, de literatuur en de letterkunde. Wie fictieve verhalen wil bestrijden, zoals onze minister van Binnenlandse Zaken, zal eerst moeten onderzoeken hoe fictieve verhalen werken en waaraan ze hun aantrekkingskracht ontlenen. Wie burgers wil opleiden om in staat te zijn nepnieuws te onderscheiden van feiten, zal hen moeten opleiden in bronnenonderzoek, zoals historici en historisch letterkundigen dat al eeuwen doen.

Ten derde stelt de technische vooruitgang ons voor een keur aan ethische problemen. Als medisch steeds meer mogelijk is, als auto’s vanzelf gaan rijden en vanzelf ongelukken gaan maken zonder dat we de schuld kunnen geven aan de bestuurder en als robots ons werk overnemen en een steeds vanzelfsprekendere plaats zullen innemen in onze maatschappij, zijn er nieuwe vragen te beantwoorden, die voornamelijk filosofisch van aard zijn. De robotisering brengt ons tot de ultieme vraag: wat het betekent om mens te zijn? Dit is de vraag die al eeuwen centraal staat in de humaniora.

De conclusie is duidelijk. Als we per se een keuze moeten maken en bepaalde takken van de wetenschap, die nuttiger zijn voor onze maatschappij dan andere, willen stimuleren ten koste van andere disciplines, zou het volledige budget geïnvesteerd moeten worden in de alfa- en gammawetenschappen.

Maar de commissie-Van Rijn, die de vraag welke keuzen er in de wetenschap moeten worden gemaakt in opdracht van het ministerie van OC en W heeft onderzocht, komt met precies de tegenovergestelde aanbevelingen. Er moet volgens de commissie geïnvesteerd worden in bètawetenschappen en techniek. Omdat het budgettair neutraal moet, moet het geld daarvoor worden weggehaald bij de alfa’s en de gamma’s. Minister van Engelshoven (D66) lijkt de conclusies over te nemen.

Dit getuigt niet alleen van gebrek aan visie, maar is bovendien potentieel desastreus in het licht van de maatschappelijke behoeften die ik zojuist in een kort bestek heb geschetst. Maar die maatschappelijke behoeften waren dan ook geen criterium voor de commissie en de minister. De reden om te kiezen voor bètawetenschappen en techniek is dat die disciplines geld opleveren. Ze doen uitvindingen. Ze kunnen patenten verkopen. Dit zou juist een reden moeten zijn om de steun voor deze disciplines van overheidswege af te bouwen: zij hebben de middelen om zichzelf te financieren.

Wie voorstelt om geld weg te halen bij wetenschapsdisciplines die de grote vragen van vandaag en morgen zouden kunnen bestuderen om dat geld door te schuiven naar wetenschapsdisciplines waarmee geld wordt verdiend, richt niet alleen de wetenschap ten gronde, maar ook de maatschappij.