Relax, stelletje schreeuwende Syriërs

Nederlandse jongeren die afreizen naar Syrië om daar te vechten in de heilige oorlog. In vredesnaam, hoe kom je erop? Het is je land niet, jouw oorlog evenmin. Sta je daar in een vreselijk bloedige oorlog waar kinderen verkracht worden. In een heilige oorlog schieten mensen elkaar niet dood, maar bidden tot ze er verdorie dood bij neervallen.

Armoedige bende
Ik heb met mijn backpack door Syrië gereisd en kan mij wel heel goed voorstellen dat de heethoofdige Syriërs nu met elkaar in oorlog zijn. Overal de afbeelding van president Bashar al-Assad, van autostickers, posters, postkaarten, T-shirts: zo’n fantastisch leider, én zijn broer ook, én zijn vader ook, allemaal fantastisch. Terwijl het een armoedige bende was. Ik had zelfs een ansichtkaart op zak, van Bashar al-Assad handenschuddend met Hezbollah-leider Hassan Nasrallah. Zou ik in problemen verzeild raken, dan was dat mijn ticket out: zie je wel, ik houd ook van hem. Er hing toen al zo’n duister sfeertje waarin alles mogelijk wel eens heel erg fout kon gaan.

Boze Arabieren
Deir-az-Zur, de woestijnstad die nu al lang kapot geschoten is, was al niet voorbereid op gedonder toen ik er per ongeluk verzeild raakte. De bus waarin ik zat, stopte er onderweg omdat de buschauffeur vergeten was te tanken. Alle mannen in de bus werden woest, zó kwaad. Toen viel het mij op, voor de zoveelste keer, hoe snel de Syrische mannen kwaad konden worden en hoe iedereen zich overal mee bemoeiden. Dat heel dicht bij elkaar staan, duwen, trekken, brullen en dan iedereen die aan het sussen slaat. En het gebeurde bij onzinnige kleinigheden. Uiteindelijk kwam een bevriende buschauffeur met een lege bus aanrijden: de briesende mannen achterin en ik als vrouw netjes naast de chauffeur. Even later kwamen wij in Deir-az-Zur aan.

Mijn vader heet Fred Kroket
Twee politieagenten stapten de bus in, of er buitenlanders aanwezig waren. Ik liep knalrood aan. Ja, ik. Meekomen mocht ik naar het bureau en paspoort inleveren. Het bleek een kamertje, snikheet, met twee stapelbedden erin waar nog twee van hun collega’s lagen te slapen. De dikste achter zijn bureautje, groot boek voor zijn neus. Daar vulde hij allerlei gegevens uit mijn paspoort in, in het Arabisch. Toen moest ik de namen van mijn ouders invullen. Moe en jolig van de rare situatie vulde ik bij moeder ‘Pluk Pannenkoek’ en bij vader ‘Fred Kroket’ in. Tevreden knikte hij.

CIA van Syrië
De dagen erna liep ik door het stoffige Deir-az-Zur en steeds maar doken er mannen in trainingspakken op: voor de deur van het hotelletje, bij het restaurant aan de rivier, op de markt, in de sigarettenwinkel, gewoon op straat. Ik werd er zenuwachtig van en het was overduidelijk dat zij mij in de gaten hielden. Op dag drie ben ik meegelift met een grote Syrische familie, de mooie jonge zoon aan het stuur, richting de grens. Bij hen ben ik een paar dagen gebleven, in de vrouwenvleugel: haren vlechten, heel veel eten en  velen fotosessies met mijn eigen camera: ik met het nichtje, alle nichtjes, dát nichtje, één neef, zestien neven, ooms, tantes, buurvrouwen, onophoudelijk. En, geen politie te bekennen.

Zijn ze dood?
Nu kijk en lees ik het nieuws over Syrië  misschien al anders omdat ik er geweest ben, maar ik denk iedere keer weer: zouden zij dood zijn, die hartelijke Syrische familie? En die vreemde snuiters van politieagenten? Syriërs werden dan wel om het minste geringste boos, niemand leek voorbereid op zo’n vreselijke oorlog. Laat staan als je een jihadstrijder uit Delft of Zoetermeer bent, dan heb je echt geen flauw idee wat je te wachten staat.

Reisjournalist Iris Hannema (1985) reist sinds 2008 schrijvend en fotograferend, in haar eentje, de wereld over. Als u wilt weten waar zij zich nu bevindt, kunt u haar volgen op Twitter.