Zomergast Johan Simons: prachtige hoogdravendheid

‘Ik ga gelijk staan’, zei Johan Simons al binnen een paar minuten, en even hoopte je: dit wordt lachen. De gedachten gingen terug naar de Zomergasten met Leon de Winter, die aan het einde van zijn aflevering ‘Who Wants to Live Forever’ wilde zien en er hilarisch plechtig en diep geëmotioneerd bij ging stáán, alsof hij een lintje opgespeld kreeg terwijl het volkslied klonk.

Bij theaterregisseur Johan Simons ging het iets anders. Hij ging staan om te laten zien hoe grote sprekers, zoals Obama, hun houding aanpassen aan hun toon en aan hun boodschap. Obama ‘staat smal’, zei Simons. De houding van een man die voortdurend zijn evenwicht zoekt. De Jong knikte. Simons ging weer zitten.

‘Een groot acteur heeft zijn rol hier’, zei hij vlak daarna, en hij maakte wat vage wuivende gebaren. ‘Die rol hangt boven hem.’ Weer gevolgd door een heldere uitleg.

Een medley
Dat patroon bleef zich herhalen: telkens als een verhaal tegelijkertijd te hoogdravend en te vaag dreigde te worden, zocht Simons naar de goede woorden – en meestal vond hij die. Steeds makkelijker ook.

Het eerste uur schoot het nog alle kanten op. Van Simons’ dyslexie naar het slechte huwelijk van zijn ouders, naar de hazenlip van zijn vader, naar de schoonheid van het niet-volmaakte, naar zijn obsessie voor taal, naar zijn liefde voor het platteland. Een medley van Simons’ grootste fascinaties. Net als je in het ene interessante of schokkende verhaal zat, werd er abrupt overgestapt op het volgende.

‘… en toen had ik zó’n winkelhaak in mijn zak’, zei Simons, als een soort bonus bij het gruwelijke verhaal hoe hij zijn vinger kwijtraakte.

Net niet-geouwehoer
We zagen fragmenten van inspirerende kunstenaars, voorzien van superlatieven. De grootste dichter van de twintigste eeuw (Pasolini). Eén van de grootste beeldend kunstenaars die we hebben (Jeff Wall). Simons citeerde Wall: ‘Mijn acteur acteert niet – hij gedraagt zich.’

Zoals vaak bij moeilijke, ongrijpbare onderwerpen als ‘kunst en realiteit’, schurkte het tegen het geouwehoer aan – maar De Jong en Simons slaagden erin om net op de goede momenten concreet te worden. Kritisch.

Bokma en Willems
Echt indrukwekkend werd het toen Simons het iets dichter bij huis koos. Fragmenten van acteurs met wie hij gewerkt heeft. Pierre Bokma en Kees Prins in ‘De uitverkorene.’ Onvoorstelbaar goed geacteerd – die paar minuten Pierre Bokma, of eigenlijk die paar uitdrukkingen en die paar zinnen – zijn al genoeg om je hart te breken.
‘Je ziet hem gewoon weer een kind van acht worden’, zei Simons. ‘Je ziet een kind ontstaan.’

Na Bokma kwam Jeroen Willems. Twee adembenemende fragmenten, kort onderbroken voor een uitleg over Willems’ enorme talent, en Simons’ rouw om de vorig jaar overleden acteur, die hij zag ‘als een zoon’. Het viel stil. Zijn onderlip trilde heel kort. Een keer. Twee keer. Drie keer. Verder vertrok zijn gezicht zich nauwelijks.

‘Zullen we nog een keer naar hem kijken’, stelde De Jong voor, op precies de juiste toon – respectvol, zowel voor Simons’ verdriet als voor Willems’ talent.

De waarheid vinden
Simons vond zijn woorden terug. Gaf commentaar op een interview met Sloterdijk. Citeerde de fantastische zin van Herbert Achternbusch: ‘Je hebt geen kans, maar grijp hem’. Bleef genuanceerd, wees op zijn eigen inconsequenties, overtuigde zonder opdringerig te worden.

‘Ik heb wel hele goede dingen gemaakt, maar dat is eigenlijk voor mij nog niet genoeg. Er moet nog iets zijn.’ Zijn werk moet groter, langer, extremer. ‘Om de waarheid – die er misschien niet is – te vinden.’

Hoogdravend? Ja, maar dan wel in de beste zin van het woord. Sommige mensen verdienen hun hoogdravendheid, omdat ze hem waarmaken én constant bevragen. ‘Ik heb wel momenten gehad dat ik erin zat, ja’, concludeerde Simons aan het eind van de avond. Zelf leek hij daar nog het meest verbaasd over.