Binnenkant jas

Op een dag dat het al maar niet licht had willen worden, begon het nu ook nog te schemeren. De wind wrong zich in bochten, de regen vlaagde je in het gezicht, het kwik deed zijn uiterste best om zijn hoofd boven nul te houden en ergens in het holst van de stad werd een meisje ten huwelijk gevraagd.

Buiten liep een jongetje, en nog een jongetje. Twee jongetjes. Allebei hielden ze een regenjack onder hun arm. Eentje droeg er keeperhandschoenen, en allebei droegen ze een korte broek, waar van de kou rood uitgeslagen kuiten uit staken.
Wangen als tomaten. Nog een paar jaar en dan zou de puberteit hun kinderhoofden vernielen en er brute jongemannenkoppen van boetseren, maar nu piepten hun kinderstemmetjes nog opgewonden door de straat.

Binnenkant paal
Hun discussie werd ritmisch begeleid door het stuiten van een bal op de stenen.
“Hij zat wel!” riep het ene jongetje.
De ander zei niets, hij sloeg de bal met zijn vlakke hand op de keien.
“Binnenkant paal,” ging de ene door. Zijn haar kwam rechtstreeks uit een folder voor de duurdere kindermode en zijn uitspraak zou hem tot het gymnasium brengen, en vermoedelijk nog veel verder.
Het keepertje hield op met stuiteren. Hij drukte de bal nu tussen zijn twee handpalmen en staarde in de verte, waar hij een argument hoopte te treffen dat de discussie zou beslechten. Ook zoog hij ingespannen op een van de touwtjes die aan zijn trui hingen.
Ten slotte zei hij: “Nee hoor.”
“Jawel hoor,” zei het modemannetje.
Dat leek het laatste woord te zijn: het keepertje rende zonder iets te zeggen het café binnen waar ze langs liepen en het modemannetje huppelde achter hem aan.
Binnen was het behaaglijk warm, zo warm dat het al weer bijna onbehaaglijk werd. In een hoek van het café zat een man ingespannen de krant te lezen. Naast hem stond een mok waar koffie in gezeten had.
“Papa!” gilde het keepertje.
“Martijn!” gilde het modemannetje.
De vader was het soort man dat eerst zijn artikel moet uitlezen voor hij aan het sociale verkeer kan deelnemen. De jongetjes schoven zwijgend aan zijn tafel en wachtten geduldig tot de man opkeek.
Na ongeveer anderhalve minuut zei hij: “Ja?”
Het keepertje: “We hebben gevoetbald!”
Het modemannetje: “En ik heb gewonnen!”
“Niet!”
“Wel!”
Hierna begonnen ze steeds schriller door elkaar te praten. De woorden ‘binnenkant’, ‘paal’ en ‘dan moet je je jas maar anders neerleggen’ vielen veelvuldig.
Je kon zien hoe in de man een melancholisch verlangen opwelde naar de tijd dat er in zijn leven nog geen jongetjes waren, dat er alleen mooie (en steeds wisselende) vrouwen hem kwamen storen als hij in het café de krant zat te lezen. Hij was al wat ouder, Martijn, het grijs, dat een paar jaar geleden nog slechts een subtiel intellectueel accentje op de flanken van zijn hoofd was geweest, was voortgewoekerd en had van hem in korte tijd een man op leeftijd en een oudere jonge vader gemaakt.
Zelf kon hij zich nog maar vaag herinneren volgens welke patronen de discussies over binnenkant en buitenkant paal verliepen: zijn jas had al zeker veertig jaar niet als doelpaal gediend.

Met slagroom
“Willen jullie warme chocolademelk?” vroeg hij.
“Jaaaaaa!” riepen de jongetjes.
De chocolademelk arriveerde bijna ogenblikkelijk, het meisje van de bar had er ongevraagd een royale klodder slagroom opgespoten. Daarna keerde de stilte in het café terug. Martijn begon aan het volgende artikel, het barmeisje ging verder met het vouwen van servetten en ook ik toog weer aan het werk.
In de verte klonk de geruststellende tune van Arrow Classic Rock.
Tussen twee slokken door mompelde het modemannetje: “En toch zat-ie.”